Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AS2033

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
22-10-2004
Datum publicatie
11-01-2005
Zaaknummer
AWB 2004 / 832 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geding is de vraag of verweerder bij het thans bestreden besluit eisers bezwaar tegen het primaire besluit van 15 maart 2004, waarbij de uitkering van ziekengeld aan eiser met ingang van 8 maart 2004 is beëindigd, terecht en op goede gronden ongegrond heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 2004 / 832 ZW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -Maastricht-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 26 april 2004.

Kenmerk: B&B 83903210 122718689.

Behandeling ter zitting: 30 september 2004.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij brief van 26 april 2004 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van eiser genomen besluit inzake de toepassing van Ziektewet.

Bij brief van 4 juni 2004 heeft mr. A.M. Holmes, advocaat te Maastricht, namens eiser tegen dat besluit -op nog nader aan te voeren gronden- beroep ingesteld. Bij schrijven van 6 juli 2004 heeft voornoemde gemachtigde de gronden van het beroep kenbaar gemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift van 21 juli 2004 (met bijlagen) zijn in kopie aan voornoemde gemachtigde gezonden.

Bij brief van 16 augustus 2004 heeft verweerder een schriftelijke reactie van de bezwaarverzekerings- arts mw. J. Jonker ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 30 september 2004, waar eiser in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. L.W.M. Hendriks, is verschenen. Namens verweerder is verschenen dhr. B.H.C. de Bruijn.

II. OVERWEGINGEN.

Uit de gedingstukken kan door de rechtbank worden opgemaakt dat eiser zich met ingang van

15 augustus 2003 vanuit de WW heeft ziek gemeld. Eiser is laatstelijk op 2 maart 2004 op het spreekuur van verzekeringsarts R. Bongaerts gezien. Op grond van zijn bevindingen heeft de verzekeringsarts verweerder geadviseerd eiser met ingang van 8 maart 2004 niet (meer) arbeidsongeschikt te achten voor zijn arbeid als facilitair manager. Deze hersteldverklaring is op

2 maart 2004 door voornoemde verzekeringsarts aan eiser kenbaar gemaakt (gedingstuk 22).

Vervolgens heeft verweerder eiser bij besluit van 3 maart 2004 meegedeeld dat hij met ingang van

8 maart 2004 geen recht meer heeft op ziekengeld.

Uit de gedingstukken 24 en 27.5 kan worden opgemaakt dat eiser op 9 maart 2003 telefonisch contact heeft opgenomen met verweerders administratie met de mededeling dat hij graag de motivering wil hebben, welke motivering verweerder bij brief van 11 maart 2004 aan eiser heeft toegezonden. Voorts kan uit gedingstuk 24 worden opgemaakt dat eiser verweerder vraagt om een nieuwe beslissing, welke beslissing op 15 maart 2004 namens verweerder aan eiser wordt toegezonden.

Bij schrijven van 20 maart 2004, ingekomen bij verweerder op 24 maart 2004, heeft eiser bezwaar gemaakt.

Van het recht om op het bezwaarschrift te worden gehoord, wordt door eiser geen gebruik gemaakt.

Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts mw. J. Jonker in haar rapportage algemeen van 20 april 2004 -kort samengevat- aangegeven dat eiser op en na 8 maart 2004 geschikt was voor zijn maatgevende arbeid.

Bij het thans bestreden besluit van 26 april 2004 heeft verweerder de bezwaren van eiser, gericht tegen het primair besluit van 15 maart 2004, ongegrond verklaard.

Blijkens het gestelde in het aanvullend beroepschrift van 6 juli 2004 kan eiser zich niet verenigen met standpunt van verweerder.

In geding is de vraag of verweerder bij het thans bestreden besluit eisers bezwaar tegen het primaire besluit van 15 maart 2004, waarbij de uitkering van ziekengeld aan eiser met ingang van 8 maart 2004 is beïndigd, terecht en op goede gronden ongegrond heeft verklaard. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op hetgeen uit de stukken naar voren is gekomen en hetgeen ter zitting door eiser is meegedeeld heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden voor eisers verklaring dat hij ten aanzien van het gestelde in verweerders hersteldverklaring (gedingstuk 22) op 9 maart 2004 telefonisch contact heeft opgenomen met het verzoek om toezending van de nadere motivering. Dat een dergelijke motivering kan worden gevraagd staat niet vermeld in de hersteldverklaring doch in het besluit van 3 maart 2004.

Voor de rechtbank staat vast dat eiser vóór 9 maart 2004 kennis heeft genomen van verweerders besluit van 3 maart 2004 alwaar onder meer staat vermeld:

“Een nadere motivering voor deze beslissing sturen wij u op verzoek. U kunt binnen een week vragen om een motivering.”.

Gelet op bovenstaande overwegingen dient het schrijven van verweerder van 15 maart 2004 aangemerkt te worden als een herhaling van het besluit van 3 maart 2004.

Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 juni 1997, 95/3401, 3402 AAW/WAO, 96/2612, 6116 t/m 6128 AAW/WAO, RSV 1998/63) wordt aangehaald:

“In het geval twee naar inhoud gelijkluidende besluiten worden genomen kan het tweede besluit niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb omdat het niet is gericht op enig ander rechtsgevolg dan reeds met het eerste besluit is beoogd.”.

Dit betekent dat het besluit van 15 maart 2004 niet op rechtsgevolg is gericht en derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, Awb is.

Gelet op het bovenstaande moet het beroep van eiser voor gegrond worden gehouden en komt het bestreden besluit van 26 april 2004 voor vernietiging in aanmerking.

Ten aanzien van het besluit van 3 maart 2004 overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 6:7 Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Artikel 6:8 Awb bepaalt dat deze termijn aanvangt op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Artikel 75k ZW bepaalt dat in afwijking van artikel 6:7 Awb de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift in een geschil als bedoeld in artikel 75j twee weken bedraagt.

Gelet op het voorgaande, is de bezwaartermijn in casu aangevangen op 4 maart 2004 en de datum

17 maart 2004 dient dan ook als laatste dag van de beroepstermijn aangemerkt te worden.

Het door eiser opgesteld bezwaarschrift van 20 maart 2004 en ontvangen bij verweerder op 24 maart 2004 is dan ook te laat.

Ingevolge artikel 6:11 Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de bezwaartermijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Eiser heeft in zijn schrijven van 20 maart 2004 aangegeven:

“Dat de bezwaartermijn ingaat op het moment van het ontvangen van de schriftelijke motivatie en gedurende de behandeling van dit bezwaar. En niet op de vermelde datum op de brief omdat deze bij ontvangst bijna een week oud is.”.

De rechtbank is van oordeel dat de termijnoverschrijding in dit geval niet verschoonbaar is. Niet gebleken is dat eiser niet de mogelijkheid heeft gehad om overeenkomstig de wettelijke eisen bezwaar te maken tegen het besluit van 3 maart 2004.

De rechtbank zal derhalve doen hetgeen verweerder had behoren te doen ten aanzien van het ingestelde bezwaar.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met een waarde van

€ 322,00 toe (voor de indiening van het beroepschrift 1 punt en voor het verschijnen ter zitting 1 punt) en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve

2 x € 322,00 x 1 = € 644,00.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 26 april 2004;

2. verklaart eiser in zijn bezwaren tegen het besluit van 3 maart 2004 alsnog niet-ontvankelijk;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00, wordt vergoed door Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door voormelde rechtspersoon aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. J.F.W. Huinen in tegenwoordigheid van E.S.J.M. Naebers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2004

w.g. ESJM Naebers w.g. JFW Huinen

Voor eensluidend afschrift:

De griffier,

Verzonden op: 22 oktober 2004

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.