Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR6670

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
30-11-2004
Zaaknummer
AWB 04 / 619 WAO
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:AZ5930, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In beroep is namens eiser aangevoerd - kort gezegd - dat de schatting onzorgvuldig is nu verweerder zowel het FIS als het CBBS gebruikt. Voorts dient het besluit vernietigd te worden omdat verweerder een aantal functies aan het bestreden besluit ten grondslag legt waarvan de rechtbank eerder had geoordeeld dat deze niet gebruikt mochten worden.

Doordat de arbeidsmogelijkhedenlijst, de samenvatting arbeidsmogelijkhedenlijst en de gegevens voorselectie niet beschikbaar zijn kan één en ander niet geverifieerd worden. De functie van dibiteurenbeheerder had gezien de diploma-eis niet geduid mogen worden. Tot slot is sprake van overschrijding van de belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 619 WAO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Wijlre, eiser,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

- Maastricht - ,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 31 maart 2004

Kenmerk: 73301610 074064149

Behandeling ter zitting: 14 oktober 2004

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 19 november 2002 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 4 juli 2002 tegen het door verweerder genomen besluit van 24 juni 2002 ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser bij brief van 18 december 2002 door mr. M.J. van Weersch van de Stichting Rechtsbijstand te Roermond beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 16 februari 2004 (onder kenmerk 02 / 1897) heeft deze rechtbank het besluit van 19 november 2002 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Verweerder heeft daarop op 31 maart 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 26 april 2004 door mr. M.J. van Weersch van de Stichting Rechtsbijstand te Roermond beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 13 oktober 2004. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets.

2. Overwegingen

Voor wat betreft de in casu van belang zijnde relevante feiten verwijst de rechtbank naar de gewezen en ad informandum toegevoegde uitspraak van deze rechtbank d.d. 16 februari 2004.

Blijkens het dossier is op 10 maart 2004 het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd, ten einde na te gaan of de eerder geduide functies op de datum in geding nog actueel waren.

Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker heeft in haar rapportage van 11 maart 2004 aangegeven dat de eerder geduide functies, gezien de belastbaarheid die ten aanzien van deze functies in het CBBS wordt aangegeven, als passend kunnen worden aangemerkt.

Op 18 maart 2004 heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald een rapportage uitgebracht. De bezwaararbeidsdeskundige heeft gekeken of de eerder geduide functies nog actueel zijn. Aangezien het Functie Informatiesysteem (FIS) niet meer actueel is, heeft de bezwaararbeidsdeskundige het CBBS geraadpleegd ten einde vast te stellen of de functienummers uit het FIS in het CBBS voorkomen. De volgende functies kunnen als actueel en passend worden aangemerkt: assemblage medewerker, boekhouder (loonadministrateur) en brugwachter (sluiswachter).

Het verlies aan verdiencapaciteit van eiser dient volgens de bezwaararbeidsdeskundige dan ook te worden vastgesteld op 51,25%, hetgeen leidt tot een indeling in de klasse 45 tot 55% arbeidsongeschikt.

Bij het thans bestreden besluit van 31 maart 2004 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Verweerder is van mening dat de beperkingen en de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser juist zijn vastgesteld.

In beroep is namens eiser aangevoerd - kort gezegd - dat de schatting onzorgvuldig is nu verweerder zowel het FIS als het CBBS gebruikt. Voorts dient het besluit vernietigd te worden omdat verweerder een aantal functies aan het bestreden besluit ten grondslag legt waarvan de rechtbank eerder had geoordeeld dat deze niet gebruikt mochten worden.

Doordat de arbeidsmogelijkhedenlijst, de samenvatting arbeidsmogelijkhedenlijst en de gegevens voorselectie niet beschikbaar zijn kan één en ander niet geverifieerd worden. De functie van dibiteurenbeheerder had gezien de diploma-eis niet geduid mogen worden. Tot slot is sprake van overschrijding van de belastbaarheid.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Centraal staat de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid juist is vastgesteld. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid heeft verweerder gebruik gemaakt van het CBBS. Het CBBS is in de plaats gekomen van het FIS. Het begrip “belastbaarheid” is daarbij vervangen door “functionele mogelijkheden”. Deze mogelijkheden worden weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).

De rechtbank stelt voorop dat haar niet is gebleken dat het CBBS niet in beginsel aanvaard-baar is als instrument om de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde te bepalen ingevolge de WAO, zoals neergelegd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. Bij toe-pas-sing van het CBBS dient verweerder de vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen en, voor zover de belastingpunten van de geselecteerde functies niet overeenkomen, de zogenaamde overschrijdingen te motiveren dan wel inzichtelijk te maken op grond van welke overwe-gingen betrokkene toch in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen.

Vooropgesteld moet worden dat eerst dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18 van de WAO, indien betrokkene, kort gezegd, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebre-ken geheel of gedeeltelijk buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met gelijke opleiding en ervaring gewoonlijk verdienen.

Bedoelde perso-nen worden in de praktijk aangeduid met het begrip maatman.

Bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van die wetge-ving, en zo ja in welke mate, zijn dus in het bijzonder de volgende factoren van belang:

- of de betrokkene medische beperkingen heeft;

- of en in hoeverre de betrokkene als gevolg daarvan buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verwerven.

Voorts dient in het oog te worden gehouden dat voorwaarde voor het recht op uitkering is dat het verlies aan verdienvermogen in vergelijking met de maatman ten minste 15% bedraagt voor de WAO.

Ten aanzien van de medische component verwijst de rechtbank naar haar gewezen uitspraak van 16 februari 2004, tegen welke uitspraak geen rechtsmiddel is aangewend.

Ten aanzien van de grief dat verweerder een aantal functies aan het bestreden besluit ten grondslag legt waarvan de rechtbank eerder had geoordeeld dat deze niet gebruikt mochten worden, kan de rechtbank eiser niet volgen. Deze functies mochten in de eerdere procedure niet ten grondslag worden gelegd, omdat verweerder had nagelaten te controleren of de functies op de datum in geding nog actueel waren. Nu verweerder alsnog heeft aangetoond dat deze functies op de datum in geding voldoende actueel zijn, heeft verweerder derhalve deze omissie hersteld. Deze grief kan derhalve niet slagen.

Zoals verweerder reeds heeft aangegeven is het FIS op de datum in geding niet meer actueel. Verweerder is daarop overgegaan tot het raadplegen van het CBBS ten einde vast te stellen of de eerder geduide functies nog actueel zijn. De rechtbank kan met deze wijze van handelen instemmen en verwerpt derhalve de grief dat er sprake is van een onzorgvuldige vergelijking. De rechtbank merkt in dit verband wel op dat de in het kader van het CBBS weergegeven functiebeschrijving in overeenstemming moet zijn met het in het kader van het FIS opgestelde belastbaarheidspatroon van 8 mei 2002. Hetgeen wil zeggen dat bij eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid moet worden vastgesteld of een functie wel of niet als passend kan worden aangemerkt. Op grond van de gedingstukken kan worden vastgesteld dat bezwaarverzekeringsarts J. Jonker in haar rapportage van 11 maart 2004 heeft aangegeven dat de geduide functies medisch gezien als passend kunnen worden aangemerkt. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierbij als uitgangspunt genomen de functiebeschrijvingen zoals deze in het CBBS voorkomen. Van een onzorgvuldig onderzoek is derhalve naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Voorts is het de rechtbank niet gebleken dat de geduide functies om een andere reden niet als passend kunnen worden aangemerkt. Het beroep kan derhalve niet slagen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerder het bezwaarschrift bij het thans bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard.

Nu dit besluit ook overigens niet voor vernietiging in aanmerking komt, dient het beroep eveneens voor ongegrond te worden verklaard. Hetgeen door of namens eiseres is aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van mr. H. Fokke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2004 door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. H. Fokke w.g. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 20 oktober 2004

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.