Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR6667

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-10-2004
Datum publicatie
30-11-2004
Zaaknummer
AWB 04 / 258 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In beroep is door eiser aangevoerd - kort gezegd - dat hem door verweerder onrecht wordt aangedaan doordat verweerder het besluit niet wil herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 258 WAJONG

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Maastricht, eiser,

tegen

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Maastricht), gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 13 februari 2004

Kenmerk: 74703010 051259825

Behandeling ter zitting: 21 oktober 2004

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 25 oktober 2002 heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 28 juni 2002 tegen het door verweerder genomen besluit van 31 mei 2002 ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser bij brief van 2 december 2002 door

mw. mr. A.M.H.E.G. Lemmens advocaat te Maastricht beroep ingesteld.

Het beroep is vervolgens op 17 september 2003 ter zitting van deze rechtbank behandeld.

Ter zitting is gebleken dat eiser feitelijk heeft verzocht om terug te komen van het besluit dat in de jaren’80 is genomen. Nadat verweerder had toegezegd hierover een beslissing af te geven, heeft eiser daarop ter zitting het beroep ingetrokken.

Verweerder heeft vervolgens op 23 september 2003 een nieuwe primair besluit genomen. Naar de mening van verweerder is er geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden.

Tegen dit besluit is door eiser bij brief van 17 oktober 2003 bezwaar aangetekend.

Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 13 februari 2004 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Tegen bovengenoemd besluit van 13 februari 2004 is door eiser op 16 februari 2004 een beroepschrift ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 21 oktober 2004. Eiser is in persoon verschenen. Zijn gemachtigde is zonder bericht niet verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door F.L.P. Smeets.

2. Overwegingen

Voor wat betreft de in casu van belang zijnde relevante feiten verwijst de rechtbank naar het ad informandum toegevoegde dossier onder kenmerk 02/1817 AAWAO/WAJONG.

Bij het thans bestreden besluit van 13 februari 2004 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Verweerder is van mening dat er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Verweerder ziet derhalve geen aanleiding om “terug te komen” van de besluiten van 23 februari 1984 en/of 29 januari 1995.

In beroep is door eiser aangevoerd - kort gezegd - dat hem door verweerder onrecht wordt aangedaan doordat verweerder het besluit niet wil herzien. Naar de mening van eiser is duidelijk dat het besluit indertijd op volstrekt verkeerde gronden is gebaseerd en de argumenten van verweerder, dat er geen sprake zou zijn van nieuwe feiten en/of omstandigheden is onjuist. Eiser heeft bij vele werkgevers gewerkt, hij had dan ook niet afgeschoven mogen worden naar de AAW. De aanspraken op een WAO zijn van groot belang voor het toekennen van een premievrije pensioenopbouw door de pensioenfondsen.

Voorts verwijst eiser naar het proces-verbaal van de zitting van 5 september 2003. Naar de mening van eiser blijkt uit dat proces-verbaal dat de rechter advies geeft om de zaak opnieuw uit te diepen vanaf de jaren’80. Dit advies, om terug te komen van het besluit van 14 mei 1985, wordt door verweerder stelselmatig genegeerd. Eiser vraagt daarom aan de rechter een dwingende uitspraak waarin verweerder wordt opgedragen dit advies eindelijk eens uit te voeren. Verweerder zal dan moeten toegeven dat ze zijn zaak al jaren getraineerd hebben, omdat ze hun fout willen verdoezelen.

Verweerder heeft vervolgens in het verweerschrift van 4 maart 2004 aangegeven dat de gronden die eiser aanvoert, dezelfde gronden zijn als die van het bezwaar. Eiser vermeldt in het beroepschrift geen nieuwe feiten of omstandigheden. Daarom ziet verweerder geen aanleiding het standpunt te wijzigen. Verweerder verwijst dan ook naar de beslissing op bezwaar.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 4:6 van de Awb kan verweerder “terugkomen op” een eerder genomen beslissing:

1.Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking

De Centrale Raad van Beroep (hierna CRvB) heeft in zijn uitspraken van 6 november 2003 (JB 2004/29) en 4 december 2003 (JB 2004/32) het toetsingskader van de bestuursrechter ten aanzien van 4:6 Awb opnieuw geformuleerd. Er is echter geen sprake van een breuk met het verleden. Eén en ander houdt samengevat het volgende in:

- dat eerst en steeds wordt nagegaan of er nieuwe feiten zijn vermeld, dit ook indien het bestuursorgaan zonder deze vermelding aan het onderzoeken is geslagen;

- dat, is er van nieuwe feiten geen sprake, dit wordt vastgesteld; en

- dat in zo’n geval in het licht van de in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, opgenomen, al besproken, discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan, resteert de vraag of de weigering de marginale toetsing kan doorstaan. Dit bedoelt een zeer lichte toets te zijn.

De rechtbank is van oordeel dat eiser ter ondersteuning van het verzoek om terug te komen van het besluit van 23 februari 1984 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd. Hiervan uitgaande, kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit van 13 februari 2004 heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het vorenoverwogene volgt dat verweerder het bezwaarschrift bij het thans bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard.

Nu dit besluit ook overigens niet voor vernietiging in aanmerking komt, dient het beroep eveneens voor ongegrond te worden verklaard. Hetgeen door of namens eiseres is aangevoerd heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van mr. H. Fokke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2004 door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. H. Fokke w.g. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 25 oktober 2004

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.