Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR6173

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-11-2004
Datum publicatie
23-11-2004
Zaaknummer
03/005318-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en het betalen van schadevergoeding naar aanleiding van de blokkade van de A2 op 14 april 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/005318-04

Datum uitspraak: 23 november 2004

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 en 9 november 2004 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -datum verdachte],

wonende te [adres].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op 14 april 2004 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk de kruising van de openbare landwegen de A2, de Terblijterweg, de President Rooseveltlaan en de Viaductweg, althans een of meer van die openbare landwegen, heeft versperd, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was;

2. hij op of omstreeks 1 april 2004 in de gemeente Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 370 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd - zakelijk weergegeven - dat het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de beslissing van het openbaar ministerie om slechts negen personen te vervolgen zonder dat daarvoor een redelijk verklaring is gegeven in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie ter terechtzitting heeft aangegeven dat de overige strafzaken, anders dan de strafzaken van de personen die thans zijn gedagvaard, zijn geëindigd met een sepot wegens onvoldoende bewijs. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing tot vervolging van deze verdachte, gezien de aard van dat sepot, niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsman en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in zijn vervolging.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Overweging ten aanzien van het bewijs

De raadsman heeft ter zake het onder 1 tenlastegelegde betoogd dat verdachte slechts toeschouwer was en dus moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Uit het dossier en tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat bewoners van woonwagencentrum “[V]” op de avond van 13 april 2004 uit onvrede met het gemeentelijke beleid hebben besloten in de vroege ochtend van 14 april 2004 de ‘Geusseltkruising’ te blokkeren. Dit plan is die ochtend in dichte mist uitgevoerd. De om 6.40 uur ter plaatse gekomen politie moest constateren dat de kruising werd versperd door onder meer huisvuil, autobanden, diverse voertuigen en een groot aantal mensen, onder wie bewoners van “[V]”. Van deze personen wilde niemand de verantwoording voor de actie op zich nemen. Gedurende enkele uren zag de aanwezige politie zich geplaatst voor deze grote groep personen die -ondanks herhaald verzoek- het kruispunt niet (eerder) wilde verlaten (dan dat de mobiele eenheid zou verschijnen). Bij aankomst van de mobiele eenheid omstreeks 10.30 uur verlieten de actievoerders het kruispunt, met achterlating van het gestorte afval.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte zich geruime tijd temidden van de actievoerders op het kruisingsvlak heeft opgehouden.

Door een op de kruising aanwezige politieambtenaar is gezien dat verdachte een autoband die een functie had in de versperring de rijbaan van de A2 in de richting van Eindhoven oprolde (pagina 288 van het doorgenummerde dossier). Deze en de andere banden verhinderden dat gestrande bestuurders op de kruising konden keren en richting Eindhoven konden wegrijden.Tevens heeft verdachte tijdens zijn verhoor ten overstaan van de politie verklaard dat hij de kruising pas heeft verlaten op het moment dat hij de mobiele eenheid aan zag komen (pagina 278 van het doorgenummerde dossier).

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte door zijn aanwezigheid op de kruising een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de instandhouding van de blokkade, terwijl hij zich noch van de actie, noch van de groep heeft gedistantieerd.

Op deze gronden verwerpt de rechtbank het verweer dat verdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 14 april 2004 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk de kruising van de openbare landwegen de A2, de Terblijterweg, de President Rooseveltlaan en de Viaductweg heeft versperd, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1:

opzettelijk enige openbare landweg versperren, terwijl daarvan gevaar voor de

veiligheid van het verkeer is te duchten.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan vier voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Bij de bepaling van de op te leggen straffen en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij tezamen met anderen de ‘Geusseltkruising’ heeft versperd. Er is bewust door de actievoerders gekozen voor voornoemde kruising en voor het tijdstip tijdens de ochtendspits, omdat dan de meeste overlast en schade zou ontstaan. Bovendien was de actie onaangekondigd en is deze ondanks de mist en het gevaar voor de verkeersveiligheid toch doorgezet. Ook was de actie van lange duur. Gevolg van deze actie, die bedoeld was om uiting te geven aan het ongenoegen over het beleid van de gemeente, is dat buitenstaanders de dupe zijn geworden en er een enorme maatschappelijke schade is ontstaan.

Daarom acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden in beginsel een passende straf.

Deze straf zal de rechtbank echter niet opleggen om de volgende redenen.

Gezien het dossier en gelet op het onderzoek ter terechtzitting, constateert de rechtbank dat er tijdens de blokkade weinig opsporingsactiviteiten zijn verricht. Dit heeft ertoe geleid dat een kleine groep personen zich heeft moeten verantwoorden ter zitting, zodat alleen zij in beeld komen met betrekking tot het indienen van schadeclaims. Nu er vele schadeclaims zijn ingediend en daarnaast mogelijk civiele procedures zullen volgen, moet dit naar het oordeel van de rechtbank consequenties hebben voor de strafmodaliteit.

De rechtbank wil met de op te leggen straf herhaling voorkomen.

De rechtbank acht het daarom passend om een taakstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij benadeelde partijen 1 tot en met 25 zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [2, 4, 5, 6, 9, 13, 14, 18 en 19] door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot de door hen gevorderde bedragen van respectievelijk € 52,50, € 528,00, € 1980,00, € 552,00, € 202,50, € 337,50, € 420,00, € 225,00 en € 360,00 en nu aan verdachte ter zake van dat feit straffen zullen worden opgelegd, zullen deze vorderingen geheel worden toegewezen.

Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [3, 8, 11, 16, 17 en 20] door het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot de bedragen van respectievelijk € 560,00 (personeelskosten: 4 pers. x 4 uren x € 35,00), € 250,00 (personeelskosten: 5 uren x € 50,00), € 1.000,00 (gehele schade excl. BTW.), € 653,25 (posten 1, 3 en 12 geheel en 9, 10 en 11 gehalveerd), € 6.495,00 (alle posten excl. de gederfde dekking aan uitvoeringskosten, algemene kosten, winst en risico) en € 100,00 (personeelskosten: 4 uren x € 25,00) en nu aan verdachte ter zake van dat feit een straffen zullen worden opgelegd, zullen deze vorderingen tot de genoemde bedragen worden toegewezen.

De vorderingen van de benadeelde partijen [3, 8, 11, 16, 17 en 20] zullen voor het overige worden afgewezen, daar de overige gestelde schade niet is komen vast te staan, dan wel onvoldoende is onderbouwd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting eveneens is komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [1, 7, 10, 12 en 15] door het hiervoor bewezenverklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht tot de bedragen van respectievelijk € 57,08 (personeelskosten: 4 uren x € 14,27), € 210,00 (personeelskosten: 4 uren x € 52,50), € 240,00 (personeelskosten: 3 uren x € 80,00), € 2.500,00 (personeelskosten: 47 uren x € 50,00 en kosten raadsman € 150,00) en € 1.260,00 (personeelskosten: 15 pers. x 3 uren x € 28,00) en nu aan verdachte ter zake van dat feit straffen zullen worden opgelegd, zullen deze vorderingen tot die bedragen worden toegewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [1, 7, 10, 12 en 15] voor het overige niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent, reden waarom zij zal bepalen dat deze benadeelde partijen in hun vorderingen in zoverre niet-ontvankelijk zijn en die vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Voorts zijn naar het oordeel van de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [21 tot en met 25] niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding lenen, reden waarom zij zal bepalen dat voornoemde benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn en die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen. Ten aanzien van de vordering van de [benadeelde partij] merkt de rechtbank op dat met name niet eenvoudig is vast te stellen of alle groepsleden aansprakelijk zijn voor de kosten van het opruimen van het afval, ook als niet is vastgesteld of verdachte vanaf het begin van de blokkade daaraan heeft deelgenomen.

Nu verdachte ter zake van het bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de slachtoffers, zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partijen [1 tot en met 20] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f en 162 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZES MAANDEN;

- beveelt dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 150 uren;

- beveelt dat indien de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag;

-veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan:

1. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 57,08 (zegge: zevenenvijftig euro en acht eurocent);

- bepaalt dat de [benadeelde partij] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

2. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 52,50 (zegge: tweeënvijftig euro en vijftig eurocent);

3. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 560,00 (zegge: vijfhonderdzestig euro);

- wijst de vordering van de [benadeelde partij] voor het overige af;

4. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 528,00 (zegge: vijfhonderdachtentwintig euro);

5. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 1980,00 (zegge: duizendnegenhonderdtachtig euro);

6. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 552,00 (zegge: vijfhonderdtweeenvijftig euro)

7. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 210,00 (zegge: tweehonderdtien euro);

- bepaalt dat de [benadeelde partij]. voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

8. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 250,00 (zegge: tweehonderdvijftig euro);

- wijst de vordering van de [benadeelde partij] voor het overige af;

9. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 202,50 (zegge: tweehonderdentwee euro en vijftig eurocent);

10. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 240,00 (zegge: tweehonderdveertig euro);

- bepaalt dat de [benadeelde partij] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

11. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 1000,00 (zegge: duizend euro);

- wijst de vordering van de [benadeelde partij] voor het overige af;

12. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro);

- bepaalt dat de [benadeelde partij] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

13. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 337,50 (zegge: driehonderdzevenendertig euro en vijftig eurocent);

14. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 420,00 (zegge: vierhonderdtwintig euro);

15. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 1.260,00 (zegge: duizendtweehonderdzestig euro);

- bepaalt dat de [benadeelde partij]. voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

16. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 653,25 (zegge: zeshonderddrieënvijftig euro en vijfentwintig eurocent);

- wijst de vordering van de [benadeelde partij] voor het overige af;

17. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 6.495,00 (zegge: zesduizendvierhonderdvijfennegentig euro);

- wijst de vordering van de [benadeelde partij] voor het overige af;

18. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 225,00 (zegge: tweehonderdvijfentwintig euro);

19. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 360,00 (zegge: driehonderdzestig euro);

20. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro);

- wijst de vordering van de [benadeelde partij] voor het overige af;

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partijen voornoemd in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- verklaart de hierna te noemen benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

21. [benadeelde partij];

22. [benadeelde partij];

23. [benadeelde partij];

24. [benadeelde partij];

25. [benadeelde partij];

- veroordeelt de [benadeelde partijen 1 tot en met 25] in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffers:

1. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 57,08, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

2. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 52,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

3. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 560,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

4. [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 528,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

5. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 1.980,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

6. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 552,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

7. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 210,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

8. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 250,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

9. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 202,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

10. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 240,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

11. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 1.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

12. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 2.500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

13. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 337,50, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

14. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 420,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

15. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 1.260,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

16. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 653,25, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

17. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 6.495,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

18. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 225,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

19. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 360,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

20. [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 100,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag;

- verstaat dat toepassing van voormelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de benadeelde partijen voormelde bedragen, heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van voormelde bedragen, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van die bedragen aan de benadeelde partijen, komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. A.M.A. Eijck en mr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.M.L.C. Limpens, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 november 2004.