Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR5940

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-11-2004
Datum publicatie
13-01-2005
Zaaknummer
AWB 04 / 272 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Achteraf verbinden van voorwaarde aan binnenplans vrijstellingsbesluit, zo op basis van art. 15 WRO daarvoor al de mogelijkheid zou bestaan, is i.c. voor eiser te beschouwen als reformatio in peius.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 04 / 272 WRO

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Gulpen-Wittem, gevestigd te Gulpen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 13 januari 2004.

Kenmerk: 04/00190.

Behandeling ter zitting: 30 september 2004.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 13 januari 2004 – verzonden 14 januari 2004 – heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen zijn besluit van 18 maart 2003, inhoudende het verlenen van een (binnenplanse) vrijstelling alsmede het verlenen van een vergunning voor het bouwen van een bedrijfsruimte, gegrond verklaard. Tevens heeft verweerder besloten het besluit in primo van 18 maart 2003 te herroepen in dier voege dat de gewraakte voorwaarde met betrekking tot het indienen van een beplantingsplan niet aan de bouwvergunning, maar aan de verleende vrijstelling wordt verbonden.

Tegen dat besluit is door eiser tijdig beroep ingesteld bij deze rechtbank. Bij schrijven van 18 maart 2004 heeft eiser de gronden van beroep nader aangevuld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 30 september 2004, alwaar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn broer X en door mr. P.P.W. Eijssen, werkzaam als adviseur bestuursrecht bij Brouwers advocaten te Maastricht. Verweerder is verschenen bij gemachtigde J.C.J.M. Janssen, ambtenaar der gemeente.

II. OVERWEGINGEN

Op 14 november 2002 heeft verweerder een aanvraagformulier bouwvergunning ontvangen van eiser voor het oprichten van een bedrijfsruimte op het perceel kadastraal bekend gemeente Gulpen, sectie […], nummer […], plaatselijk bekend […]straat […] te B.

Niet in geding is dat ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Gulpen” het bouwen van een bedrijfsruimte slechts mogelijk is door middel van een (binnenplanse) vrijstelling op grond van artikel 2.02, onder 6A, aanhef en sub 3 en sub 4, van de bestemmingsplanvoorschriften. Bij besluit van 18 maart 2003 heeft verweerder de bouwvergunning en vrijstelling verleend. Aan de verleende bouwvergunning heeft verweerder de voorwaarde verbonden dat eiser ter goedkeuring een beplantingsplan aan de gemeente dient over te leggen. Na goedkeuring door de gemeente dient eiser dit beplantingsplan zo spoedig mogelijk – doch uiterlijk binnen 1 jaar – na gereedkomen van de bouw uit te voeren.

Eiser heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen op 2 mei 2003 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Het bezwaar richt zich uitsluitend tegen de beplantingsvoorwaarde, welke voorwaarde aan de bouwvergunning is gekoppeld.

Terzake van het bezwaarschrift heeft op 10 december 2003 een hoorzitting plaatsgevonden voor de commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Gulpen. Van het horen is verslag gemaakt.

Op 30 december 2003 heeft voornoemde commissie verweerder geadviseerd om de bezwaren van eiser tegen het besluit van 18 maart 2003 gegrond te verklaren en dit besluit te herroepen in dier voege dat de gewraakte voorwaarde met betrekking tot het indienen van een beplantingsplan niet aan de bouwvergunning, maar ingevolge artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening aan de verleende vrijstelling wordt verbonden.

Verweerder heeft in navolging van voornoemd advies het thans bestreden besluit genomen, zoals vermeld in rubriek I.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank op 20 februari 2004 (aangevuld 18 maart 2004). In beroep heeft eiser - onder meer - aangevoerd dat verweerder buiten de grondslag van het bezwaar is getreden, nu verweerder in het kader van de beslissing op bezwaar de beplantingsvoorwaarde aan de vrijstelling heeft verbonden. Volgens eiser is het voorts niet geoorloofd om aan een reeds verleende vrijstelling achteraf nog een voorwaarde te verbinden. Ook heeft er geen belangenafweging plaatsgevonden.

Bij verweerschrift van 16 april 2004 is door verweerder - samengevat - gesteld dat verweerder niet buiten de grondslag van het bezwaar is getreden zoals aangegeven in artikel 7:11 van de Awb omdat eiser expliciet bezwaar heeft gemaakt tegen de beplantingsvoorwaarde. Van reformatio in peius is volgens verweerder geen sprake omdat de beplantingsvoorwaarde eerst verbonden was aan de bouwvergunning en thans aan het vrijstellingsbesluit. Ten aanzien van het opleggen van de beplantingsvoorwaarde is verweerder van mening dat daardoor voor eiser geen onevenredig nadelige consequenties optreden wat toekomstige uitbreidingen betreft.

De rechtbank ziet zich thans geplaatst voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit van 13 januari 2004 de rechterlijke toets kan doorstaan. Meer in het bijzonder dient nagegaan te worden of verweerder in het kader van de heroverweging de beplantingsvoorwaarde, die in eerste instantie in de beslissing in primo aan de bouwvergunning was gekoppeld, in het besluit op bezwaar aan de vrijstellingsbeslissing kon verbinden.

Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat de bouwvergunning op basis van de Woningwet en de onderhavige binnenplanse vrijstelling met beplantingsvoorwaarde op basis van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (inhoudelijk) gezien moeten worden als twee aparte besluiten. Artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet - hierin is bepaald dat een vrijstelling voor de mogelijkheid van beroep wordt geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft - maakt dit niet anders. Het gaat hier naar het oordeel van de rechtbank immers slechts om een (procedurele) concentratie van beroepsmogelijkheden die niet leidt tot één (inhoudelijk) besluit.

Naar het oordeel van de rechtbank vindt ingevolge artikel 7:11 van de Awb op grondslag van het bezwaar een heroverweging plaats.

De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar niet het vrijstellingsbesluit heeft aangevochten, maar alleen het besluit tot verlening van de bouwvergunning. Nu het vrijstellingsbesluit een afzonderlijk besluit betreft en daartegen geen bezwaren zijn aangevoerd door eiser is de rechtbank van oordeel dat artikel 7:11 van de Awb niet van toepassing is op het vrijstellingsbesluit. Immers artikel 7:11 van de Awb ziet op het aangevochten besluit, te weten in het onderhavige geval de bouwvergunning. Door in de thans bestreden beslissing op bezwaar het vrijstellingsbesluit te betrekken middels het alsnog verbinden van een beplantingsvoorwaarde aan deze vrijstelling - de rechtbank is niet gebleken dat het koppelen van de beplantingsvoorwaarde aan de bouwvergunning op een kennelijke en verschoonbare vergissing aan de zijde van verweerder berust - heeft verweerder de grondslag van het bezwaar verlaten.

In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank van oordeel dat het achteraf verbinden van een voorwaarde aan het vrijstellingsbesluit, zo op basis van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening daarvoor al de mogelijkheid zou bestaan, voor eiser is te beschouwen als reformatio in peius, nu hij door de uitkomst van de bezwaarschriftenprocedure wat betreft het vrijstellingsbesluit in een slechtere positie is komen te verkeren.

Op basis van het bovenstaande is het beroep van eiser derhalve gegrond.

De rechtbank merkt nog op – zij het in dit verband ten overvloede – dat verweerder in bezwaar terecht de beplantingsvoorwaarde aan de bouwvergunning heeft laten vallen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 april 2001, gepubliceerd in AB 2001, 2006) is het verbinden van een voorwaarde aan de bouwvergunning inhoudende dat rond het bouwwerk beplanting moet worden aangebracht, in strijd met artikel 56, derde lid, van de Woningwet. Een dergelijke voorwaarde ziet immers niet op een aspect waaraan het bouwwerk als zodanig moet voldoen.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake 1 punt met een waarde van € 322,-- toe voor de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve

1 x € 322,-- x 1 = € 322,--.

Ten aanzien van de opgevoerde verletkosten van de broer van eiser wegens het bijwonen van de zitting, merkt de rechtbank op dat deze verletkosten op basis van artikel 1, aanhef en onder d van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet worden vergoed, aangezien eiser zich eveneens ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door een professionele rechtsbijstandverlener.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 116,-- wordt vergoed door de gemeente Gulpen-Wittem;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 322,-- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Gulpen-Wittem aan eiser.

Aldus gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2004 door mr. Seerden voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. D. Laeven w.g. Seerden

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

verzonden: 3 november 2004

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuurs-rechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.