Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR5668

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
15-11-2004
Zaaknummer
78214/HA ZA 04-189
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstrekken ouderdomspensioen is niet voldoen aan natuurlijke verbintenis; aanvulling rechtsgronden; gedeeltelijke verjaring; statutair-directeur en vergoeding overuren; geen recht op vakantiebijslag over vergoede uren; bewijsopdrachten; tegenstrijdig belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 13 oktober 2004

Zaaknummer : 90404 / HA ZA 04-189

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [H.],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in conventie, gedaagde in (voorwaardelijke) reconventie,

procureur mr. E.G.W. Hendriks;

tegen:

[A.],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

procureur mr. C.F.M.P. Spreksel.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres in conventie, gedaagde in (deels) voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen “[H.]”, heeft gedaagde in conventie, eiseres in voorwaardelijke reconventie, hierna te noemen “[A.]”, gedagvaard voor de sector kanton, locatie Sittard, van deze rechtbank en gesteld en gevorderd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. [A.] heeft daarna onder het overleggen van producties geant-woord in conventie en een eis in voorwaardelijke reconventie ingesteld.

[H.] heeft daarop een conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie genomen, zulks onder overlegging van producties.

Vervolgens heeft de kantonrechter zich bij vonnis van 11 februari 2004 onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de sector Civiel van deze rechtbank.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is daarna door de sector Civiel een comparitie na antwoord gelast. Bij brief van 25 mei 2004 en daarna bij brief van 2 juni 2004 is door [H.] telkens één stuk overgelegd ten behoeve van de com-paritie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Op verzoek van partijen heeft de rechtbank hen in de gelegenheid gesteld in conventie en in reconventie nog te repliceren en te dupliceren.

Vervolgens heeft [A.] gedupliceerd in reconventie en gerepliceerd in recon-ventie, zulks onder overlegging van producties. [H.] heeft daarna een akte in conventie genomen en geconcludeerd voor dupliek in reconventie.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

In conventie:

2.1. [A.] is op 1 maart 1969 bij [H.] in dienst getreden. In de periode van 11 ja-nuari 1999 tot 28 juni 2000 was hij statutair-directeur van [H.]. Daaraan voorafgaand was hij bedrijfsleider van [H.]. Op 28 juni 2000 is [A.] ziek geworden en vanaf 28 juni 2001 heeft hij in verband met zijn ziekte een WAO-uitkering ontvangen correspon-derende met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Op basis van een daartoe op 19 september 2002 verkregen vergunning is [A.] per 31 december 2002 ontslagen.

2.2. Het bedrijf van [H.] is opgericht door [F.] sr., die op 31 januari 1995 is overle-den. Na diens overlijden is een zekere [D.K.], een goede vriend van [F.] sr., als bewindvoerder opgetreden van [H.], zulks overeenkomstig de aanwijzing in het testament van [F.] sr. en in verband met het feit dat de erfgenaam van [F.] sr., [F.] jr., op dat moment nog minderjarig was. [D.K.] is in de periode van 31 januari 1995 tot 15 december 1998 statutair-directeur geweest van [H.].

2.3. [H.] heeft op 1 juni 1998 een pensioenverzekering bij Aegon afgesloten met num-mer [nummer]. [A.] gold als verzekeringnemer en als verzekerde van deze verzeke-ring. De verschuldigde premie bedroeg over de periode 1 juni 1998 tot 1 januari 1999 fl. 11.666,67 en over de periode vanaf laatstgemelde datum tot 1 januari 2014 fl. 20.000,-- per jaar. Van deze verzekeringsovereenkomst is door [H.] een pensioenbrief opgesteld, welke door [A.] op 1 juni 1998 voor akkoord is ondertekend.

2.4. Deze pensioenbrief bevat onder andere de volgende passage:

“De kosten van de pensioenregeling zijn voor onze (lees: [H.], de rechtbank) rekening; u bent verplicht in de kosten voor de gesloten pensioenverzekering jaar-lijks bij te dragen tot een bedrag van 50% van de premie van de hiervoor bedoelde verzekering.

De bijdrage wordt in gelijke en opeenvolgende termijnen op uw salaris ingehouden.

Wij zijn met betrekking tot de pensioentoezegging nimmer tot meer gehouden dan tot het vergoeden van ons aandeel in de voor de verzekering te betalen premies”

1.5. Tevens is een zogenaamde risicoverzekering met lijfrenteclausule gesloten met num-mer [nummer]. Vast staat dat er op het salaris van [A.] nooit inhoudingen hebben plaatsgevonden als verrekening met de in 2.4 bedoelde door [A.] verschul-digde bijdrage in de pensioenpremie. [H.] stelt dat zij aldus een bedrag van € 15.252,59 ten onrechte niet heeft ingehouden op het salaris van [A.] en dat [A.] met dat bedrag ten koste van [H.] ongerechtvaardigd is verrijkt, dan wel dat [H.] dat bedrag onverschuldigd heeft betaald.

2.6. [H.] stelt voorts dat uit haar boekhouding is gebleken dat zij ook de gehele premie - ten bedrage van € 2.573,-- - heeft voldaan terzake van de risicoverzekering met lijfrente-clau-sule, welke premie was verschuldigd over de periode van 1 juni 1998 tot 1 juni 1999. Nu [A.] deze premie volgens [H.] geheel zelf diende te dragen, is volgens haar het voormelde bedrag onverschuldigd ten behoeve van [A.] betaald.

2.7. Ten tweede stelt [H.] dat zij over de jaren 1999 en 2000 een bedrag van € 4.711,65 aan overuren ten onrechte aan [A.] heeft betaald. Het feit dat [A.] als directeur zelfstandig bevoegd was, impliceert volgens [H.] niet dat [A.] op grond daarvan gerechtigd zou zijn overuren bij [H.] te declareren; evenmin heeft [A.] de aandeel-houders van [H.] om toestemming verzocht overuren te declareren.

2.8. Ten derde stelt [H.] dat zij over de jaren 1994 tot en met 2000 teveel aan vakantietoeslag over overuren aan [A.] heeft betaald, omdat zij over overuren geen vakantietoeslag verschuldigd is.

2.9. Ten vierde stelt [H.] dat zij over de maanden december 1998, januari 1999 en december 1999 voor een totaalbedrag van € 27.881,26 aan [A.] heeft betaald, terwijl voor de betaling daarvan geen grond aanwezig was.

2.10. Ten slotte heeft [H.] gesteld dat [A.] terzake van in de boekjaren 1996 tot en met 1998 gemaakte zakenreizen, te weten om vakbeurzen te bezoeken, ook reis- en verblijf-kosten heeft gedeclareerd van zijn echtgenote, die hem tijdens die reizen vergezelde. Vol-gens [H.] was er geen noodzaak dat [A.] zich liet vergezellen door zijn echtgenote. Terzake van die declaraties vordert [H.] een bedrag van € 1.937,44 van [A.] terug.

2.11. [H.] vordert ook de kosten van de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, welke volgens haar € 4.498,79 hebben bedragen.

2.12. [H.] heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [A.] veroordeelt:

a. om binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [H.] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de op voormelde gronden verschuldigde som van in totaal € 17.825,59 aan pensioenvoorziening, € 1.937,44 aan beursbezoeken van mevrouw [A.], € 4.711,65 bruto terzake overuren 1999 en 2000, € 3.636,27 bruto terzake vakantietoeslag over de jaren 1994 tot en met 2000, € 27.881,26 bruto terzake uitbetaalde vergoedingen over de maanden december 1998, januari 1999 en december 1999, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW vanaf 8 januari 2003, althans van de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

b. tot voldoening van de kosten terzake rechtskundige bijstand, binnen twee dagen na bete-kening van het in deze te wijzen vonnis, conform NOVA-tarief vastgesteld op een be-drag € 4.498,79, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 januari 2003, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

het een en ander met veroordeling van [A.] in de kosten van de procedure.

2.13. De vordering wordt door [A.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusies van antwoord en dupliek in conventie.

In (voorwaardelijke) reconventie:

2.14. [A.] stelt dat hij, indien vast zou komen te staan dat [H.] ten onrechte, zoals zij stelt, de gehele premies terzake de twee hogerbedoelde verzekeringsovereenkomsten heeft betaald en [A.] de helft van de betaalde premies aan [H.] zou moeten vergoeden, schade lijdt die door [H.] moet worden vergoed. Immers, indien [A.] steeds zelf de helft zou hebben betaald van de bedoelde verzekeringspremies, dan zou hij die premies in mindering hebben kunnen brengen op de belasting die hij verschuldigd was over het jaar waarin die premies moesten worden betaald. Thans kan [A.], naar hij stelt, die pre-mies niet meer op de door hem verschuldigde belasting in mindering brengen en lijdt hij daardoor schade ten bedrage van € 8.912,--.

2.15. Verder stelt [A.] dat ten tijde van het einde van zijn dienstverband nog 43 verlofdagen openstonden, hetgeen overeenkomt met een bedrag van € 5.873,--.

2.16. Ten slotte stelt [A.] dat hij recht heeft op een vergoeding wegens rechtskundige bijstand, waarvan de kosten door hem begroot worden op € 1.399,44.

2.17. [A.] heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat [H.] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk be-wijs van kwijting aan hem te betalen een bedrag van € 16.185,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2002, althans vanaf de dag van indiening van de vorde-ring in reconventie (8 oktober 2003) over € 14.786,80, en de wettelijke rente over € 1.399,44 vanaf 13 juni 2003, althans vanaf indiening van de vordering in reconventie (8 oktober 2003), telkens tot aan de dag der algehele voldoening;

het een en ander met veroordeling van [H.] in de kosten van de procedure.

2.18. De vordering wordt door [H.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusies van antwoord en dupliek in reconventie.

3. De beoordeling

In conventie:

3.1. Ten aanzien van de vordering, inzoverre betrekking hebbende op het gedeelte van de volgens [H.] ten onrechte door [A.] niet-vergoede pensioenpremies overweegt de rechtbank aanstonds het volgende. Het door een werkgever verstrekken van een ouderdoms-pen-sioen aan een werknemer is niet, zoals [A.] stelt, te beschouwen als de voldoening aan een dwingende verplichting van moraal en fatsoen en is derhalve niet te beschouwen als een natuurlijke verbintenis.

3.2. [A.] heeft ten verwere aangevoerd dat er geen sprake was van onverschuldigde betaling ten aanzien van de pensioenpremies, nu de grondslag voor de betaling van die premies is gelegen in het feit dat [H.] een pensioentoezegging heeft gedaan in de vorm van de pensioenbrieven. Dat verweer moet echter worden gepasseerd. De door [H.] gestelde onverschuldigdheid wordt immers door haar gebaseerd op de stelling dat zij de gehele premies uiteindelijk voor haar rekening heeft genomen, terwijl volgens haar [A.] de helft daarvan voor zijn rekening zou moeten nemen.

3.3. Dat [A.] geen enkele beslissing heeft genomen die ten grondslag ligt aan de prestaties waarvan [H.] thans stelt dat deze onverschuldigd zijn verricht of dat [A.] daardoor ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt, maar dat die beslissingen steeds zijn genomen door een op dat moment bevoegde bestuurder, is op zich niet relevant. Waar het om gaat is wat die beslissingen hebben ingehouden, hetgeen hierna nog aan de orde zal komen.

3.4. Ook het verweer dat [H.], uitgaande van de juistheid van de stelling van [H.] ten aanzien van de pensioenpremies, ten onrechte niet nakoming vordert van de overeenkomst met [A.], inhoudende dat hij de helft van de premies dient te betalen, moet worden gepasseerd. Indien al juist zou zijn dat [H.] haar vordering ten onrechte baseert op onverschuldigde betaling, dan wel ongerechtvaardigde verrijking, dan kan de verplichting voor de rechtbank om de rechtsgronden aan te vullen met zich brengen dat de vordering op een ande-re dan de door [H.] aangevoerde gronden toewijsbaar is.

3.5. Het algemeen beroep van [A.] op verjaring is in zoverre terecht gedaan dat voorzover een deel van de diverse vorderingen vóór 21 juli 1998 opeisbaar was, dat deel van die vorderingen is verjaard. De verjaringstermijn terzake een vordering tot nakoming van een overeenkomst, onverschuldigde betaling en ongerechtvaardigde verrijking bedraagt immers steeds vijf jaar. Nu niet is gesteld of gebleken dat in de periode van vijf jaar voorafgaand aan 21 juli 2003 een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden, zijn de vorderingen die opeisbaar zijn ontstaan vóór 21 juli 1998 verjaard. De rechtbank verzoekt [H.] zich bij akte uit te laten omtrent dat deel van haar vordering dat voor die datum opeisbaar is geworden.

3.6. [A.] betwist niet dat hij de beide pensioenbrieven, die, naar onbetwist vast staat, de in 2.4 geciteerde passage bevatten, heeft ondertekend en dat hij op basis daarvan verplicht is voor de helft bij te dragen in de pensioenpremies, welke in hun geheel door [H.] aan de verzekeraar zijn voldaan. Verder heeft [A.] niet betwist dat de door [H.] terzake betaalde premies € 15.252,59 hebben bedragen. [A.] heeft echter bij conclusie van antwoord in conventie gesteld dat hij ten tijde dat [D.K.] nog statutair-directeur was en op het moment dat het financieel weer beter ging met [H.], ongeveer in 1998, van hem de toezegging heeft gekregen dat ten behoeve van [A.] een ouderdomspensioen zou worden afgesloten. Toen [A.] daarop reageerde met de mededeling dat hij niet genoeg verdiende om de helft van de verschuldigde premie te betalen, zou [D.K.] hebben gezegd dat het loon van [A.] zodanig zou worden verhoogd dat [A.] vervolgens het door hem verschuldigde deel van de premies wél zou kunnen betalen. In zijn conclusie van dupliek in conventie stelt [A.] echter dat, wederom op grond van diens te lage inkomen, met [H.] zou zijn afgesproken dat zij de pensioenpremies zou betalen en dat [A.] in ruil daarvoor geen loonsverhoging zou krijgen.

3.7. Nu deze verweren van [A.] niet zijn te verenigen met de inhoud van de meerbedoelde pensioenbrieven, zal de rechtbank [A.] op de voet van het bepaalde in artikel 157 lid 2 Rv toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat partijen in afwij-king van de in 2.4 geciteerde tekst zijn overeengekomen dat [H.] de gehele pensioenpremies voor haar rekening zou nemen.

3.8. Ten aanzien van de volgens [H.] teveel aan [A.] betaalde overuren overweegt de rechtbank het volgende. [A.] heeft gesteld dat hij deze overuren daadwerkelijk heeft gemaakt en dat deze uren toen [F.] sr. respectievelijk [D.K.] nog statutair-directeur waren ook werden vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het alge-meen ongebruikelijk dat (statutair-)directeuren een vergoeding ontvangen in verband met gemaakte overuren. Algemeen wordt immers aangenomen dat die functie met zich brengt dat overuren worden gemaakt en het gelet op de functie ook vanzelfsprekend is dat overuren worden gemaakt, zodat deze niet hoeven te worden vergoed. Dat [A.]’ overuren, zoals hij stelt, door [H.] werden vergoed toen [F.] sr. respectievelijk [D.K.] statutair-directeur waren, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant voor de periode dat [A.] statutair-directeur van [H.] is geweest. Toen had [A.] immers nog niet de bijzon-dere positie van statutair-directeur. Op grond van het vorenoverwogene zal de recht--bank [A.] toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij, over de tijd dat hij als statutair-directeur functioneerde, recht had op betaling van overuren.

3.9. Ten aanzien van [H.]s vordering tot terugbetaling van de volgens haar over de jaren 1994 tot en met 2000 teveel betaalde vakantiebijslag overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens het bepaalde in artikel 6 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag is onder loon onder andere niet begrepen de verdiensten uit overwerk. Op grond van het be-paalde in artikel 15 van die wet heeft [A.] derhalve op grond van het in die wet bepaalde geen recht op een vakantiebijslag berekend over de gewerkte overuren. Dat is slechts anders indien, zoals [A.] stelt, tussen partijen is overeengekomen dat [A.] wél recht had op vakantiebijslag over de gewerkte overuren. Derhalve zal de rechtbank [A.] toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat tussen partijen is overeen-gekomen dat hij ook recht had op de vakantiebijslag over gewerkte overuren. Die vakantie-bijslag is verder ook alleen verschuldigd indien komt vast te staan dat [H.] gehouden was overuren te betalen. Hierboven is [A.] toegelaten tot het bewijs van die stelling. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank [A.] reeds thans tot het hier bedoelde bewijs toelaten. In dit verband overweegt de rechtbank verder reeds thans dat in dit verband geen belang toekomt aan hetgeen omtrent een vakantiebijslag over gewerkte overuren tussen [A.] en de vorige respectieve statutair-directeuren ([F.] sr. en [D.K.]) zou zijn overeengekomen. [A.] was toentertijd immers geen statutair-directeur, maar bedrijfsleider. Mutatis mutandis geldt wat de rechtbank hierboven onder 3.8 heeft overwogen.

3.10. Ten aanzien van de bijzondere beloning heeft [A.] het volgende verweer gevoerd. [A.] heeft gesteld dat deze beloning ziet op de uitbetaling van door hem in de loop van de jaren 1995-1998 opgebouwde doch door hem niet opgenomen vakan-tie-da-gen. Daartoe zou zijn besloten door de toenmalige statutair-directeur, [D.K.], in 1998 en dat besluit zou zijn bevestigd door de algemene vergade-ring van aandeelhou-ders. Op ver-zoek van Van Gool, de financieel administrateur van [H.], is de uitbetaling van die dagen ge-spreid gebeurd over de jaren 1998 en 1999, en wel in de maanden december 1998, januari 1999 en december 1999. Gelet op deze gemotiveerde betwisting zal de rechtbank [H.] toe-laten tot het bewijs van haar stelling dat er geen rechtsgrond aanwezig was voor de omstre-den betalingen.

3.11. Ten aanzien van de door [H.] teruggevorderde bedragen in verband met de reis- en verblijfkosten van [A.]’ echtgenote, heeft [A.] het volgende verweer gevoerd. Hij stelt dat het bezoeken van vakbeurzen zeer vermoeiend is. Gelet op zijn ziekte, hij heeft last van bloedvatenvernauwing, en het feit dat hij een gebrekkige kennis van het Engels heeft, was hij aangewezen op de hulp van zijn echtgenote. In het verleden, toen [F.] sr. en daarna [D.K.] nog statutair-directeur was, was ook door [H.] toegestaan dat [A.] zich bij het bezoek aan vakbeurzen liet vergezellen door zijn echtgenote en dat haar reis- en verblijfkosten door [H.] werden vergoed. Gelet op deze gemotiveerde betwis-ting zal de rechtbank [H.] toelaten tot het bewijs van haar stelling dat [A.] geen recht had op vergoeding van de reis- en verblijfkosten van zijn echtgenote als deze hem vergezelde bij het bezoek aan vakbeurzen. In dat verband overweegt de rechtbank nog het volgende. Bij conclusie van dupliek in conventie/conclusie van repliek in reconventie heeft [A.] nog gesteld dat in de tijd dat hij statutair-directeur was, hij bevoegd was te besluiten over de noodzaak van het zich laten vergezellen door zijn vrouw bij het bezoek van vakbeurzen. Wegens een mogelijk tegenstrijdig belang tussen zijn eigen belang en dat van [H.] vindt die bevoegdheid op grond van het bepaalde in artikel 2:8 BW haar grenzen daar waar deze in strijd met de daar genoemde redelijkheid en billijkheid wordt uitgeoefend.

In (voorwaardelijke) reconventie:

3.12. Ten aanzien van de voorwaardelijke vordering in reconventie overweegt de rechtbank nu reeds het volgende. Indien [A.] niet zou slagen in het bewijs van zijn stelling dat partijen in afwijking van de in 2.4 geciteerde passage uit de ten processe bedoelde pensioen-brieven zijn overeengekomen dat [H.] de gehele verschuldigde premies voor haar rekening zou nemen, geldt het volgende. Nu in dat geval vast staat dat [A.] uiteindelijk de helft van de verschuldigde premies voor zijn rekening moet nemen, had hij als statutair-directeur moeten en kunnen bewerkstelligen dat dat ook gebeurde. Wat er ook zij van de juistheid van [A.]’ stelling dat hij thans zijn aandeel in de pensioenpremies niet meer in mindering kan brengen op de door hem verschuldigde belastingen, dat dient gelet op het vorenover-wogene voor zijn risico te blijven.

3.13. [H.] heeft betwist dat [A.] nog recht heeft op de uitbetaling van vakantie-dagen. Gelet op zijn functie van laatstelijk statutair-directeur van [H.], behoorde het tot zijn verantwoordelijkheid te zorgen dat een deugdelijk administratie werd bijgehouden van het verlof dat werknemers van [H.] tegoed hadden. Op grond van die verplichting acht de rechtbank het op de weg van [A.] liggen om te bewijzen dat hij nog een vordering ten bedrage van € 5.873,-- heeft op [H.] wegens bij het einde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen door [A.] niet opgenomen vakantiedagen. Derhalve zal de rechtbank [A.] tot dat bewijs toelaten.

4. De beslissing

De rechtbank:

In conventie en in reconventie:

laat [A.] toe om door alle middelen rechtens te bewijzen dat:

- in afwijking van de in 2.4 geciteerde tekst partijen zijn overeengekomen dat [H.] de gehele pensioenpremies voor haar rekening zou nemen;

- hij, over de tijd dat hij als statutair-directeur functioneerde, recht had op betaling van overuren

- tussen partijen is overeen-gekomen dat hij ook recht had op de vakantiebijslag over gewerkte overuren

- hij nog een vordering ten bedrage van € 5.873,-- heeft op [H.] wegens bij het einde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen door [A.] niet opgenomen vakantiedagen;

- hij in de jaren 1994 tot en met 2000 terzake van vakantiebijslag terecht een bedrag van in totaal € 3.636,24 heeft ontvangen;

laat [H.] toe om door alle middelen rechtens te bewijzen dat:

- zij in de maanden december 1998, januari 1999 en december 1999 terzake van bijzon-de-re beloning een bedrag van in totaal € 27.881,26 onverschuldigd aan [A.] heeft betaald;

- [A.] geen recht op vergoeding had van de door zijn echtgenote gemaakte reis- en verblijfkosten in verband met het bezoek van vakbeurzen;

bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen worden gehouden in het gerechtsgebouw te Maastricht aan het St. Annadal 1 op een datum en tijdstip als door de rechtbank zal worden bepaald, nadat [A.] en [H.] bij akte hebben opgegeven of getuigen zullen worden voorgebracht, in dat geval onder opgave van het aantal en - zo mogelijk - de personalia van de getuigen;

verwijst de zaak naar de rol van 10 november 2004 teneinde [H.] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten als in 3.5 is bepaald;

verwijst de zaak naar de rol van 10 november 2004 voor akte houdende opgave getuigen aan de zijde van [A.] en [H.], alsmede voor akte houdende verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave aan de zijde van beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Laumen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegen-woordigheid van de griffier.

MT