Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR5658

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-11-2004
Datum publicatie
15-11-2004
Zaaknummer
96228 /KG ZA 04-473
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Alimentatieplichtige vader dient de door hem ontvangen kinderbijslag in beginsel geheel door te betalen aan de verzorgende ouder. In de onderhavige zaak is dit niet anders nu aangenomen moet worden dat de vader het kind slechts voor een belangrijk deel onderhoudt en niet volledig en voorts op grond van de stellingen moet worden aangenomen dat in de rechterlijk vastgestelde kinderalimentatie het door de man ontvangen kindergeld niet is verdisconteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 11 november 2004

Zaaknummer : 96228 / KG ZA 04-473

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[eiseres],

wonende te [K.],

eiseres,

procureur mr. F.M. van Venrooij-Nieuwenhuis,(toevoeging aangevraagd),

tegen:

[gedaagde],

wonende te [K.],

gedaagde,

procureur mr. J.W.J. Schoonbrood,(toevoeging).

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen: de vrouw, heeft gedaagde, hierna te noemen: de man, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 28 oktober 2004, heeft de vrouw gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar bij de dagvaarding betekende producties nader heeft doen toelichten.

De procureur van de man heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar hierbij overgelegde producties.

Partijen hebben daarna in tweede termijn op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

Partijen zijn echtelieden. Nadat partijen in februari 2003 uit elkaar zijn gegaan, heeft de vrouw onder zaaknummer 83258/S RK 03-551 een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt bij deze rechtbank.

Uit het huwelijk zijn drie kinderen geboren, te weten:

- te [H[kind K.] [datum]: [kind K.];

- te [K.[kind W.]datum] [kind W.] en

- te [K.][kind D.]atum]: [kind D.].

2.2

Op 2 mei 2003 heeft de vrouw in de aanloop naar de echtscheiding verzocht om een aantal voorlopige voorzieningen. Bij beschikking van 25 juni 2003 is beslist op dat verzoek en is bepaald dat de minderjarige kinderen van partijen worden toevertrouwd aan de vrouw, is bepaald dat de man omgang kan hebben met de kinderen van partijen en is bepaald dat de man aan de vrouw voor de verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen met ingang van 25 juni 2003 dient te betalen € 129,-- per maand voor het oudste kind en € 50,-- per maand voor het tweede kind.

2.3

De vrouw werkt op de te Geilenkirchen in Duitsland gelegen NAVO-basis en heeft een eigen inkomen van circa € 1.200,-- netto per maand. Zij ontvangt via haar werkgever ook kinderbijslag. In het echtscheidingsverzoek heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen tot een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen minderjarige kinderen van € 129,-- per maand per kind.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gesteld dat hij slechts draagkracht heeft om voor zijn kinderen totaal € 69,-- per maand aan alimentatie te betalen.

2.4

De vrouw heeft op 27 augustus 2004 van de Familienkasse van de Bundesagentur für Arbeit te Aachen een schrijven ontvangen. In dit schrijven wordt de vrouw medegedeeld dat zij voor haar kind [kind K.] vanaf juli 2003 de maximale kinderbijslag heeft ontvangen conform het Duitse EstG (Einkommensteuergesetz) en dat deze Familienkasse over de periode van juli 2003 tot en met september 2003 alsook over de periode van januari 2004 tot juli 2004 in totaal voor een bedrag van € 853,19 aan kindergeld teveel aan de vrouw heeft uitbetaald. In deze brief deelt de Familienkasse mede dat zij dit heeft vastgesteld aan de hand van uit Nederland ontvangen gegevens, waaruit haar is gebleken dat ook al door de SVB (Sociale Verzekeringsbank) over deze periode betalingen aan kindergeld zijn uitgekeerd (aan de man). De Familienkasse deelt de vrouw mede dat zij is gehouden het bedrag van € 853,19 terug te betalen.

2.5

Nadat partijen uit elkaar zijn gegaan, is de man gaan samenwonen met mevrouw [naam]. [naam] heeft twee nog bij haar en de man inwonende kinderen uit een andere relatie. Deze kinderen, [namen], zijn geboren op [datum] respectievelijk [datum].

[naam] heeft een gering eigen inkomen. Dit ligt beneden de bijstandsnorm voor een alleenstaande.

2.6

De vrouw heeft op grond van het vorenstaande gevorderd bij vonnis:

1. de man te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 853,19, welk bedrag de vrouw dient terug te betalen aan het Duitse Arbeitsamt wegens door de man ontvangen kinderbijslag in Nederland;

2. de man te veroordelen om alle gelden die hem worden uitbetaald ten behoeve van der partijen kinderen, op grond van de Nederlandse kinderbijslagwet of enige andere regelgeving, zonder verrekening met de door hem betaalde of nog te betalen kinderalimentatie, door te betalen aan de vrouw binnen een week na ontvangst, zulks op straffe van een dwangsom van € 50,-- per dag dat hij nalaat de door hem ontvangen en te ontvangen bedragen tijdig aan haar door te betalen;

3. de man te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.7

Ter ondersteuning van haar vordering stelt de vrouw dat zowel het via de Nederlandse Staat als het via de Duitse Staat ontvangen kindergeld hoort bij het kind dan wel diens verzorgende ouder. Dit temeer als hierbij wordt gelet op het feit dat de kinderbijslag die de man heeft ontvangen zijn draagkracht verhoogt en dat hij uit dien hoofde al is gehouden de kinderbijslag door te betalen dan wel een hogere bijdrage te leveren in de kosten van verzorging en opvoeding. Los hiervan betoogt de vrouw dat, mede gelet op het belastingvoordeel dat de man heeft vanwege het betalen van de kinderalimentatie, hij niet zodanige uitgaven voor de kinderen verricht dat dit het behouden van de ontvangen Duitse kindergelden rechtvaardigt. In dit verband wijst de vrouw er nog op dat volgens vaste jurisprudentie de door de niet verzorgende ouder ontvangen kinderbijslag in beginsel voor het volle bedrag aan het kind ten goede behoort te komen, ook als de draagkracht van de tot het betalen van alimentatie verplichte ouder het betalen van een bijdrage niet zou toelaten. In geval die ouder wel draagkracht heeft om alimentatie te betalen dient hij naast het ontvangen bedrag aan kinderbijslag tevens een naar de maatstaf van artikel 1:397 BW te bepalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te betalen.

2.7

De vorderingen worden door de man gemotiveerd weersproken.

De man stelt voorop dat de vrouw de vorderingen niet tegen hem had moeten instellen maar tegen zijn partner, mevrouw [naam]. Zijn partner heeft immers blijkens de van de SVB ontvangen mededelingen en besluiten ter zake het verzoek om kinderbijslag de daaraan voorafgaande aanvragen ingediend en door haar is ook de thans door de vrouw teruggevorderde som ontvangen.

Tegen de vordering voert de man materieel aan dat de voor [kind K.] aan [naam] toegekende en ontvangen kinderbijslag is terug te voeren op het bepaalde in artikel 7 lid 1 onder b Algemene Kinderbijslagwet (AKW), alsmede het bepaalde in lid 4 en lid 10 van deze bepaling, zulks omdat [kind K.] in de zin van deze bepaling moet worden beschouwd als een eigen kind, dat jonger is dan 18 jaren en in belangrijke mate door [naam] wordt onderhouden.

[naam] heeft, omdat [kind K.] niet bij de man en [naam] inwoont, maar wel in belangrijke mate door [naam] wordt onderhouden, op grond daarvan recht op enkelvoudige kinderbijslag, zijnde een bedrag van € 251,52 per kwartaal. De onderhoudsbijdrage, die de man aan de vrouw betaalt op grond van de beschikking in de voorlopige voorzieningenprocedure bedraagt immers € 129,-- per maand. Dit is per kwartaal € 387,--. De in het kader van de AKW getrokken grens ter bepaling of iemand zijn (uitwonend) kind in belangrijke mate onderhoudt ligt bij een bedrag van € 386,-- dat per kwartaal aan kosten van verzorging en opvoeding moet zijn voldaan voor dat kind.

Op grond van het bepaalde in artikel 7 AKW alsook de strekking daarvan stelt de man dat het de kennelijke bedoeling van de wetgever is dat een verzekerde (in casu de man dan wel zijn nieuwe partner) recht heeft op kinderbijslag voor een eigen kind dat jonger is dan 18 jaren en dat door een verzekerde in de zin van de AKW, zoals in de onderhavige zaak het geval is, in belangrijke mate wordt onderhouden. In dit geval houdt dit in dat tegenover het bedrag ad € 129,-- per maand dat hij aan alimentatie betaalt een bedrag van € 251,52 per kwartaal staat waarop hij recht heeft zonder dat hij dit aan de verzorgende ouder hoeft door te betalen.

In het licht hiervan kan volgens de man de stelling van de vrouw dat de man de door de vrouw (volgens de Duitse autoriteiten) ten onrechte ontvangen kinderbijslag dient terug te betalen omdat zij daar zelf niet toe in staat is, niet opgaan. Ook moet op grond hiervan de stelling van de vrouw worden verworpen dat zij thans schade lijdt als zij dat bedrag moet terug betalen. Zij heeft immers van de man over die periodes telkens een bedrag van € 129,-- per maand ontvangen aan kinderalimentatie.

De man wijst de vrouw er verder nog op dat de vrouw van de Duitse overheid op grond van bestaande Europese regelgeving inzake samenloop aanvullende kinderbijslag voor [kind K.] kan ontvangen van € 55,-- per maand. Dit naast en op de Duitse kinderbijslag ad € 154,-- per maand per kind die zij voor [kind W.] en [kind D.] ontvangt. In deze zaak is er sprake van samenloop nu de man in Nederland woont en werkt en de vrouw in Duitsland werkt en in Nederland woont. In dergelijke gevallen is er in het woonland een voorrangsrecht op kinderbijslag en is er aanvullend recht op kinderbijslag in Duitsland indien de kinderbijslag in het land van het voorrangsrecht lager is. Dit is in de onderhavige zaak volgens de man aan de orde.

3. De beoordeling

3.1

De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang bij de door de vrouw ingestelde vorderingen aanwezig, gelet op het belang dat er voor de vrouw speelt in dit geschil met haar man, wanneer daarbij tevens wordt rekening gehouden met het feit dat die vorderingen verband houden met de kosten van verzorging en opvoeding en in verband daarmee mede zijn ingesteld in het belang van der partijen minderjarige kinderen die hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben.

3.2

Het verweer van de man dat de vrouw niet hem, maar diens partner ter zake haar vordering in deze procedure had moeten betrekken, verwerpt de voorzieningenrechter. Het in dit kader door de man gevoerde betoog dat het minderjarige kind [kind K.] in de zin van artikel 7 lid 1 sub b AKW moet worden beschouwd als een eigen kind dat jonger is dan 18 jaar en dat in belangrijke mate door [naam] wordt onderhouden is immers innerlijk tegenstrijdig met de stelling van de man waarin hij heeft aangegeven dat de man € 129,00 per maand aan kinderalimentatie voor [kind K.] aan de vrouw voldoet. Nu de man in dit kader heeft gesteld dat [naam] de kinderbijslag voor [kind K.] heeft aangevraagd, dat [naam] deze ook van de SVB heeft ontvangen en de man deze feiten koppelt aan zijn betaalplicht ter zake de voor [kind K.] vastgestelde alimentatie aan de vrouw, maakt die omstandigheid naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, dat aan de hiertoe door de vrouw opgeworpen stelling dat [naam] en de man materieel gezien als een geheel moeten worden gezien, gewicht moet worden toegekend. In geval de man de kinderbijslag had aangevraagd en daarbij had aangevoerd dat hij zijn uitwonende kind [kind K.] in belangrijke mate (met een minimaal bedrag van € 386,-- per kwartaal) zou onderhouden, had de SVB de kinderbijslag in dat geval immers rechtstreeks aan de man overgemaakt en had de SVB van die betaling mededeling gedaan aan de Duitse instelling, waardoor ook in dat geval de door de man ontvangen kinderbijslag zou zijn gekort op de kinderbijslag die de vrouw via haar werkgever van de Duitse instelling ontvangt.

In het verlengde van deze overweging ligt dat indien aan de hand van hetgeen hierna nog wordt overwogen moet worden geoordeeld dat de visie van de vrouw als juist moet worden gekwalificeerd, de vorderingen van de vrouw toegewezen moeten worden.

3.3

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de bepaling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van der partijen minderjarige kinderen, die de man (op grond van de in de voorlopige voorzieningenprocedure op 25 juni 2003 genomen beschikking) heeft te voldoen voor de kinderen die bij de vrouw verblijven, ingevolge artikel 1:397 BW en artikel 1:404 BW is vastgesteld aan de hand van enerzijds de behoefte van de kinderen aan een bijdrage en anderzijds de draagkracht van de man.

In zijn uitspraak van 4 november 1966, NJ 1967,35 heeft de Hoge Raad al uitgemaakt dat aan de kinderbijslagwetgeving ten grondslag ligt het beginsel dat de kinderbijslag ten goede behoort te komen aan het betrokken kind. In zijn uitspraak van 3 november 1995, NJ 1996,350 (ook weergegeven in FJR-1995-11 pagina 257) heeft de HR aanvullend bepaald: 'Dit neemt evenwel niet weg dat in het kader van deze maatstaf de aan hem –en niet aan de vrouw – betaalde kinderbijslag in zoverre als een element van eigen aard moet worden beschouwd dat zij in beginsel voor het volle bedrag aan het kind ten goede behoort te komen, ook als de draagkracht van de man overigens geen bijdrage als voormeld zou toelaten. Een andere oplossing zou niet stroken met de parlementaire geschiedenis van de hier van belang zijnde bepalingen van de AKW. Indien de draagkracht van de man zulks toelaat, zal de man naast het bedrag van de kinderbijslag tevens een naar de maatstaf van artikel 1:197 BW te bepalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding hebben te betalen. Daarbij verdient opmerking dat met de aan het kind reeds ten goede komende kinderbijslag bij de bepaling van diens behoefte rekening moet worden gehouden. Het voorgaande brengt mee dat het bedrag van de kinderbijslag in beginsel door de man moet worden doorbetaald. Uitzonderingen zijn evenwel niet uitgesloten, waarbij hier in het bijzonder aan de volgende twee gevallen moet worden gedacht. In de eerste plaats zal de man de kinderbijslag kunnen behouden, indien zijn bijdrage reeds de volledige behoefte van het kind dekt in dier voege dat de kosten van verzorging en opvoeding volledig te zijnen laste komen. In de tweede plaats zal hij dit uiteraard mogen doen als in de door de rechter vastgestelde bijdrage blijkens diens uitspraak het bedrag van de kinderbijslag reeds volledig begrepen is'.

Op grond van de stelling van de man dat hij (met zijn nieuwe partner) [kind K.] voor een belangrijk deel onderhoudt, volgt dat diens kosten van verzorging en opvoeding niet volledig te zijnen laste komen en dus daarin geen grond gelegen kan zijn dat de man dan wel diens partner de voor [kind K.] ontvangen kinderbijslag zou kunnen behouden.

De voorzieningenrechter is ten aanzien van het zojuist weergegeven tweede criterium voorshands van oordeel dat, gezien het tijdstip waarop de alimentatiebeschikking is genomen (25 juni 2003) en dat de besluiten/mededelingen van de SVB aan de partner van de man ter zake de toegekende en niet toegekende kinderbijslagen zien op het 3e en 4e kwartaal van 2003 en het 1e kwartaal van 2004, er in deze zaak niet vanuit gegaan kan worden dat in de op 25 juni 2003 gegeven beschikking het bedrag van de kinderbijslag reeds volledig begrepen is.

Dit alles bijeengenomen en in onderling verband gezien, leidt ertoe dat zolang in de aanhangige echtscheidingsprocedure geen bodembeslissing ter zake de door de vrouw verzochte bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding voor der partijen minderjarige kinderen is genomen, de vorderingen van de vrouw toegewezen moeten worden en dit alleen nog anders kan zijn indien, nu het in feite om een geldvordering gaat, de vorderingen nog zouden kunnen stranden in verband met de criteria die gelden voor het kunnen toewijzen van een in kort geding gevorderde geldsom.

3.4

Voor het kunnen toewijzen van een geldvordering in kort geding is in de regel vereist dat:

a. het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is;

b. er sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is geboden;

c. bij de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico onder ogen is gezien.

Anders gezegd: indien in een kort geding met grote mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat de man het gevorderde bedrag aan de vrouw verschuldigd is en indien de kans dat de vrouw door de uitslag in de bodemprocedure genoopt zal worden dit bedrag terug te betalen, hoogst onwaarschijnlijk moet worden geacht, staat in beginsel verder niets de toewijzing van een geldvordering in kort geding in de weg. Daarbij wordt aangenomen dat een schuldeiser in beginsel een spoedeisend belang heeft bij betaling van een opeisbare en niet voor serieuze betwisting vatbare geldsom en dat, naarmate de toewijsbaarheid van de vordering waarschijnlijker wordt, het restitutierisico zal afnemen en dit bij onbestreden vorderingen zelfs niet aanwezig wordt geacht.

3.4.1

Op grond van hetgeen onder 2.4 is vermeld en van hetgeen daartoe hierboven onder 3.3 is overwogen moet er vanuit gegaan worden dat het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is.

Op grond van hetgeen ter zake het spoedeisend belang hierboven onder 3.1 alsmede onder 3.3 ter zake de door de man aan de vrouw terug te betalen geldsom is overwogen, mede nog gezien de opvattingen van de man ter zake de vordering, heeft in deze zaak te gelden dat er sprake is van onverwijlde spoed.

De man heeft met betrekking tot een eventueel aanwezig restitutierisico niets naar voren gebracht. Nu gelet op de gronden die tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom hebben geleid het niet voor de hand ligt dat in de aanhangige bodemprocedure ter zake de in dit geding ingestelde hoofdvordering alsook ter zake de tweede vordering die ziet op het telkens doorbetalen van de via de SVB te ontvangen bedragen aan kinderbijslag anders zal worden beslist, dienen de vorderingen van de vrouw te worden toegewezen.

3.4.2

De bij de tweede vordering gevorderde dwangsommen zal de voorzieningenrechter beperkt toewijzen en te dien aanzien bepalen dat de man, indien hij niet maandelijks overgaat tot doorbetaling van de door hem of zijn partner te ontvangen kinderbijslag voor der partijen minderjarige kinderen de man in dat geval meer dan in totaal een bedrag van € 750,-- per maand aan dwangsommen kan verbeuren.

3.5

Met het oog op het bepaalde in artikel 237 Rv zal de voorzieningenrechter de kosten van deze procedure tussen partijen compenseren als hierna in het dictum zal worden bepaald.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

1. veroordeelt de man om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw te vergoeden een bedrag van € 853,19, welk bedrag de vrouw dient terug te betalen aan het Duitse Arbeitsamt wegens door de man ontvangen kinderbijslag in Nederland;

2. veroordeelt de man om alle gelden die hem worden uitbetaald ten behoeve van der partijen kinderen, op grond van de Nederlandse kinderbijslagwet of enige andere regelgeving, zonder verrekening met de door hem betaalde of nog te betalen kinderalimentatie, door te betalen aan de vrouw binnen een week na ontvangst, zulks op straffe van een dwangsom van € 50,-- per dag dat hij nalaat de door hem ontvangen en te ontvangen bedragen tijdig aan haar door te betalen; bepaalt met betrekking tot eventueel te verbeuren dwangsommen dat de man per maand dat hij nalaat de doorbetalingen te doen niet meer dan in totaal voor een bedrag van € 1.500,-- aan dwangsommen kan verbeuren.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen;.

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Casparie, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD