Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR4655

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-10-2004
Datum publicatie
27-10-2004
Zaaknummer
96009 / KG ZA 04-447
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Art. 22 juncto 25 Vo-B1

Nederlandse rechter niet bevoegd in zake een gevorderde medewerking tot levering van een in België gelegen onroerende zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 21 oktober 2004

Zaaknummer : 96009 / KG ZA 04-447

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[eiseres],

[R.]e te [R.],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 5 oktober 2004,

procureur mr. B.W.A. Muurmans;

tegen:

[gedaagde],

wonende te [M.],

gedaagde,

procureur mr.B.R.M. de Bruyn.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen: de vrouw, heeft gedaagde, hierna te noemen: de man, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 14 oktober 2004, heeft de vrouw gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar de aan de dagvaarding gehechte en nog twee ter terechtzitting overgelegde producties nader heeft doen toelichten.

De man heeft zijn procureur mondeling verweer laten voeren.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

Partijen zijn ex-echtelieden. Hun huwelijk is op 16 juli 2004 ontbonden door inschrijving van de tussen hen gegeven echtscheidingsbeschikking van 7 juli 2004.

Partijen waren in gemeenschap van goederen gehuwd. In de echtscheidingsbeschikking is de verdeling van de gemeenschap van goederen bevolen.

2.2

In de gemeenschap van goederen valt de partijen in eigendom toebehorende echtelijke woning. Deze is gelegen aan de [adres]. Tussen partijen staat vast dat deze woning tegen een bedrag van € 230.000,-- aan de vrouw moet worden toegescheiden.

2.3

Stellende dat de man zich bereid heeft verklaard om mee te werken aan de overdracht van de woning aan de vrouw, doch hierop is teruggekomen door nadere eisen te stellen en in dat kader te verlangen dat na de overdracht de overwaarde geheel aan hem wordt uitgekeerd,

vordert de vrouw de man bij dit kort geding vonnis te bevelen om binnen twee dagen na betekening alle medewerking te verlenen teneinde de woning met aanhorigheden, staande en gelegen aan de [adres] ten name van de vrouw te stellen of te doen stellen, althans deze aan de vrouw te leveren uitgaande van een waarde van € 230.000,-- en met bepaling dat de overwaarde als hiervoor bedoeld bij de transporterende notaris in depot blijft totdat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de – volledige – verdeling van de huwelijksgemeenschap, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag dat de man na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, althans te bepalen dat de vrouw als vertegenwoordiger van de man de akte van levering van voornoemde woning zal ondertekenen, althans te bepalen dat dit vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van levering van voormelde woning aan de vrouw, een en ander met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

2.4

De vordering wordt door de man weersproken. Hij stelt voorop dat volgens hem de Nederlandse rechter in deze zaak geen rechtsmacht toekomt.

Inhoudelijk stelt de man dat hij graag aan de overdracht meewerkt, maar niet inziet, nu er tussen de man en vrouw nauwelijks nog iets is te verrekenen, dat na overdracht van de woning een bedrag bij de notaris in depot moet blijven. Er ligt immers geen verrekenvordering voor, zodat er ook anderszins geen enkele noodzaak is om een bedrag in depot te houden.

Er is ook geen spoedeisend belang meer. Door betaling, door de man, van achterstallige hypotheekrente is de dreiging van de bank om de woning te gelde te maken immers van tafel.

Een en ander betekent volgens de man dat bij overdracht de overwaarde aan hem dient te worden uitgekeerd.

3. De beoordeling

De voorzieningenrechter volgt de man in zijn stelling dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is in deze zaak te beslissen.

Het gaat in deze kwestie tussen partijen immers om overdracht van eigendom van een onroerende zaak die is gelegen te [R.] in België. Nu in de sinds 1 maart 2002 van kracht zijnde Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000, betreffende rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( Vo-BI) in artikel 22 is bepaald (aanhef): 'ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd: (onder 1) voor zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen: de gerechten van de lidstaat waar het onroerend goed gelegen is' en in artikel 25 van deze Verordening nog is bepaald: 'Het gerecht van een lidstaat waarbij een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 22 een gerecht van een andere lidstaat bij uitsluiting bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd', volgt uit dit alles dat de Nederlandse voorzieningenrechter onbevoegd is over deze vordering van de vrouw te oordelen.

De door de vrouw ingestelde vordering ziet immers op overdracht van het zakelijke c.q. goederenrechtelijke recht dat de man heeft op de te [R.] in België gelegen echtelijke woning van partijen. Dit betekent op grond van de zojuist aangehaalde bepaling van Vo-BI dat, indien partijen daaromtrent geen overeenstemming bereiken, partijen hun geschil alleen maar aan de Belgische rechter kunnen voorleggen en dat de onderhavige voorzieningenrechter zich onbevoegd moet verklaren.

Op grond van het vorenstaande moet tevens geconcludeerd worden dat de vrouw de man nodeloos in deze procedure heeft betrokken en dat zij dus de proceskosten van dit geding dient te dragen.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Verklaart zich onbevoegd met betrekking tot de door de vrouw ingesteld vordering;

veroordeelt de vrouw in de proceskosten tot aan dit vonnis gerezen en aan de zijde van de man begroot op € 695,--, zijnde € 241,-- aan vast recht en € 454,-- voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Casparie, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/