Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR4570

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-10-2004
Datum publicatie
26-10-2004
Zaaknummer
03-005338-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft opzettelijk een minderjarige wederrechtelijk van de vrijheid beroofd en beroofd gehouden.

De rechtbank verklaart dat de verdachte niet strafbaar is en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Voorts zal de rechtbank de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen met bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd, nu het door verdachte begane tenlastegelegde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en zij op grond van het voren overwogene van oordeel is, dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist, waarbij de rechtbank mede rekening heeft gehouden met de ernst van het feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/005338-04

Datum uitspraak: 26 oktober 2004

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 oktober 2004 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 24 april 2004 in het arrondissement Maastricht, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft hij toen aldaar opzettelijk genoemde [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] op een fiets zat, stevig vastgepakt en/of die [slachtoffer] een veldweg in geduwd, althans getrokken en/of een of meermalen tegen die [slachtoffer] gezegd: "Luister naar mij, anders ga je eraan. Als je niet meegaat, dan nek ik jou. Niets verdachts doen en als je probeert weg te komen dan... en daarbij een gebaar gemaakt van de keel doorsnijden", hebbende hij, verdachte althans woorden gesproken en/of gebaren gemaakt van dergelijke dreigende aard en/of strekking en aldus genoemde [slachtoffer] gedwongen om met hem, verdachte, mee te fietsen en/of bij hem, verdachte, te blijven.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij op of omstreeks 24 april 2004 in het arrondissement Maastricht, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft hij toen aldaar opzettelijk genoemde [slachtoffer], terwijl die [slachtoffer] op een fiets zat, vastgepakt en die [slachtoffer] een veldweg in geduwd, althans getrokken en tegen die [slachtoffer] gezegd: "Luister naar mij, anders ga je eraan. Als je niet meegaat, dan nek ik jou. Niets verdachts doen en als je probeert weg te komen dan...”, hebbende hij, verdachte, althans woorden gesproken van dreigende aard en/of strekking en aldus genoemde [slachtoffer] gedwongen om met hem, verdachte, mee te fietsen en bij hem, verdachte, te blijven.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het hierboven omschreven feit heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door H.J.Th.M. Corstens, psychiater, een onderzoek naar de geestvermogens/persoonlijkheid van verdachte ingesteld en door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog, een psychologisch onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte. Voorts is door mevr. A. van As-van der Zwan, reclasseringswerkster SPW, een milieuonderzoek ingesteld. Van het door de psychiater en psycholoog ingestelde onderzoek hebben zij, ieder voor zich, een rapport, gedateerd 14 september 2004 respectievelijk 15 september 2004, opgemaakt. Het psychiatrisch rapport vermeldt als beantwoording van de daarin geformuleerde vraagstelling:

...Er is bij betrokkene zowel sprake van een ziekelijke stoornis als een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. In diagnostische zin te omschrijven als een pervasieve ontwikkelingsstoornis, een psychotische stoornis in de zin van imperatieve hallicunaties en zwakzinnigheid...

...Zijn gedragskeuze ten tijde van het tenlastegelegde werd volledig bepaald door de imperatieve hallicunaties waartegen betrokkene geen afdoende verweer had. Het tenlastegelegde kan volledig verklaard worden uit het handelen in opdracht van de hallucinaties...

...Betrokkene heeft op grond van zijn stoornissen geen enkele vrijheid in zijn gedragskeuze gehad en geadviseerd wordt hem dientengevolge als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen...

Het psychologisch rapport vermeldt als beantwoording van de daarin geformuleerde vraagstelling:

...De betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Er is sprake van zwakzinnigheid, van een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO en van een psychotische stoornis NAO...

... De gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis bestonden evenzo ten tijde van het tenlastegelegde...

...De gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis waren van invloed op betrokkene’s gedrag ten tijde van het tenlastegelegde, zodanig dat het tenlastegelegde, voor zover dat bewezen wordt, daaruit verklaard zou kunnen worden...

...De psychotische stoornis ging ten tijde van het tenlastegelegde gepaard met zogenaamde imperatieve hallucinaties, die bestonden uit een stem in het hoofd die betrokkene opdrachten en bevelen gaf. De realiteitsbeleving was op dat moment zeer ernstig gestoord en in die beleving had de betrokkene geen andere mogelijkheid om vrijwel alles te doen wat hem werd opgedragen. Daarnaast is het aan te nemen dat betrokkene’s gedrag werd bepaald door zijn zeer gebrekkige vermogen om de gevolgen daarvan te overzien (vanuit zijn verstandelijke handicap) en om de emotionele reikwijdte te doorvoelen (vanuit zijn sociale handicap).

Indien het tenlastegelegde wordt bewezen is het te adviseren om de betrokkene te beschouwen als ontoerekeningsvatbaar...

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in de rapporten gegeven conclusie en maakt deze mitsdien tot de hare.

De verdachte is derhalve niet strafbaar.

De redengeving van de op te leggen maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat zal worden gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met verpleging van overheidswege.

De raadsvrouwe heeft medegedeeld –zakelijk weergegeven- dat zij het met het Openbaar Ministerie eens is dat er een TBS-maatregel opgelegd dient te worden. Zij is van mening dat daarmee kan worden volstaan.

Bij de bepaling van de op te leggen maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij is rekening gehouden met het over verdachte uitgebrachte psychiatrisch rapport van 14 september 2004, opgemaakt door H.J.Th.M. Corstens, alsmede het over verdachte uitgebrachte psychologisch rapport van 15 september 2004, opgemaakt door drs. A.F.J.M. Zwegers.

Het psychiatrisch rapport vermeldt:

...Gezien de conclusie van volledige ontoerekeningsvatbaarheid en het grote recidivegevaar indien de omstandigheden ongewijzigd blijven, in combinatie met de ernst van het delict en de dreiging die er geweest is van een dodelijke afloop, menen wij een langerdurende klinische behandeling te moeten adviseren. Betrokkene dient niet terug te keren in zijn oude milieu. Hij heeft bescherming, dagelijkse ondersteuning, gedegen observatie en een veilige structuur nodig om verder te kunnen herstellen en wederom een veilig evenwicht zonder inadequate agressie-uitingen te kunnen bereiken. Hij dient langerdurend in een klinische omgeving, gericht op behandeling van zwakzinnige/zwakbegaafde psychiatrische patiënten, behandeld en voorbereid te worden alvorens geplaatst te kunnen worden in een beschermde woon- en werkomgeving.

...We denken aan een behandelingsduur van een aantal jaren.

Als behandelinstituut gaat onze gedachte uit naar de TBS-kliniek Boschoord....

Het psychologisch rapport vermeldt:

...De kans dat betrokkene onder invloed van stress opnieuw floride psychotisch wordt is aanzienlijk. Imperatieve hallucinaties kunnen dan leiden tot gedrag zoals de betrokkene thans tenlastegelegd wordt, maar ook tot gedrag waarvan de gevolgen veel ernstiger zijn...

...Om dat te voorkomen zou hij permanent moeten verblijven in een omgeving die is afgestemd op zijn verstandelijke en sociale handicaps, in omstandigheden die voor hem voorspelbaar zijn en waar hij zich veilig kan voelen...

...Het is te voorzien dat inbedding in dergelijke omstandigheden een langdurig proces zal worden, dat op geleide van betrokkene’s functioneren moet plaatsvinden. De kans van slagen is het grootst als men het traject ingaat vanuit een kliniek waarin betrokkene gestabiliseerd is...

...De betrokkene is veel te beperkt om zich aan voorwaarden te kunnen houden en derhalve moet men denken aan een TBS met dwangverpleging. De TBS-kliniek “Hoeve Boschoord” lijkt een goede optie te zijn...

Het gezamenlijk advies, dat tot stand kwam in de eindbespreking waaraan eveneens de milieurapportrice deelnam, luidt dan ook om de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen.

Gezien de inhoud van vorenbedoelde rapporten van H.J.Th.M. Corstens, en drs. A.F.J.M. Zwegers en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen, acht de rechtbank termen aanwezig dit advies op te volgen.

De rechtbank zal de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen met bevel dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd, nu het door verdachte begane tenlastegelegde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en zij op grond van het voren overwogene van oordeel is, dat de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist, waarbij de rechtbank mede rekening heeft gehouden met de ernst van het feit.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [benadeelde partij ] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd. Ter terechtzitting heeft de gemachtigde van de benadeelde partij de vordering tot schadevergoeding geherformuleerd en vastgesteld op een bedrag van € 500,-- aan materiële schade en een bedrag van € 500,-- aan immateriële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht tot een bedrag van € 500,--.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Deze schade wordt door de rechtbank geschat op een bedrag van € 500,--.

Nu verdachte ter zake van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit een maatregel zal worden opgelegd en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer, zijnde de hierna te noemen benadeelde partij, aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b en 282 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert;

- verklaart dat de verdachte NIET strafbaar is en ontslaat hem van alle rechtsvervolging;

- gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij ], [adres benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 1000,-- (zegge: EENDUIZEND euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde partij ] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij ], [adres benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 1000,--, (zegge: EENDUIZEND euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij voormeld bedrag van € 1000,-- heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 1000,-- heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. A.M.A. Eijck, voorzitter, mr. A.M. Schutte en mr. H.M.J. Quaedvlieg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 oktober 2004.