Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR4517

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-10-2004
Datum publicatie
25-10-2004
Zaaknummer
90922/HA RK 04-24
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gewezen echtgenoten, beiden bestuurders van een stichting, verzoeken op de voet van art. 2:298 BW in afzonderlijke, gevoegde procedures over en weer het ontslag van de ander als bestuurder van de stichting. De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid hun geschiktheid, om de exploitatie van de door de stichting gedreven onderneming voort te zetten, aan te tonen door middel van het opstellen van een bedrijfsplan. Op basis daarvan beoordeelt de rechtbank wie van de gewezen echtgenoten als bestuurder dient te worden ontslagen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 298
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2005/25 met annotatie van M.P. Nieuwe Weme
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 5 oktober 2004

Zaaknummers : 90922 / HA RK 04-24 en 91291 / HA RK 04-30

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven in de gevoegde zaken van:

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

procureur mr. H.E. Menger;

tegen:

[naam],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

procureur mr. G.J.J.A. van Zeijl;

en

[naam],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

procureur mr. G.J.J.A. van Zeijl;

tegen:

1. [naam],

wonende te [woonplaats],

2. [naam],

wonende te [woonplaats],

verweerders,

procureur mr. H.E. Menger.

1. Het verloop van de procedure

Zaaknummer 90922:

De procureur van verzoeker, verder te noemen: vader [B.], heeft bij de griffie van deze rechtbank een verzoek ingediend, daartoe strekkende dat de rechtbank op de voet van artikel 2:298 van het Burgerlijk Wetboek een stichtingsbestuurder zal ontslaan.

Daarop heeft de rechtbank een datum en tijdstip voor de mondelinge behandeling van het verzoek bepaald en bepaald dat vader [B.] verweerster, verder te noemen: [C.], tegen die dag en dat tijdstip dient op te roepen bij exploot, dan wel aangetekend schrijven.

[C.] heeft bij procureur een verweerschrift ingediend en daarbij tevens een tegenverzoek gedaan, zulks onder overlegging van producties.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden. Ter terechtzitting hebben partijen

- bij monde van hun procureur - hun standpunt nader toegelicht.

Zaaknummer 91291:

De procureur van verzoekster, verder te noemen: [C.], heeft bij de griffie van deze recht-bank een verzoek ingediend, daartoe strekkende dat de rechtbank op de voet van artikel 2:298 van het Burgerlijk Wetboek een tweetal stichtingsbestuurders zal ontslaan.

Daarop heeft de rechtbank een datum en tijdstip voor de mondelinge behandeling van het ver-zoek bepaald en bepaald dat [C.] verweerders, verder respectievelijk ook te noemen: vader en zoon [B.], tegen die dag en dat tijdstip dient op te roepen bij exploot, dan wel aangetekend schrijven.

Vervolgens heeft de mondelinge behandeling van het verzoekschrift plaatsgevonden. Ter terechtzitting hebben partijen

- bij monde van hun procureur - hun standpunt nader toegelicht.

Zaaknummers 90922 en 91291:

De rechtbank heeft vervolgens te kennen gegeven voornemens te zijn in beide zaken een deskundigen-bericht te gelasten en partijen verzocht een voorstel te doen omtrent de persoon van de deskundige.

Vervolgens heeft de rechtbank een deskundige benaderd met het verzoek een begroting op de stellen van de kosten van een deskundigenbericht. Omdat partijen hebben aangegeven dat zij het begrote voorschot niet konden en wilden betalen, heeft de rechtbank een voortzetting van de behande-ling ter zitting gelast.

Met instemming van partijen heeft de rechtbank ter voortgezette behandeling bepaald dat ieder der partij-en in de gelegenheid zou worden gesteld haar geschiktheid om de exploitatie van de stichting voort te zetten aan te tonen door middel van het opstellen van een exploitatieplan.

De rechtbank heeft bepaald dat partijen uiterlijk op 30 september 2004 hun plannen bij de rechtbank zouden kunnen indienen en dat de rechtbank vervolgens een beschikking zou geven.

Partijen hebben ieder op 30 september 2004 een dergelijk plan aan de rechtbank doen toekomen.

2. Het geschil

Zaaknummers 90922 en 91291:

2.1 Nu beide zaken hetzelfde onderwerp betreffen, gedeeltelijk ook aanhangig zijn tussen dezelfde partijen en de zaken aan elkaar verknocht zijn, zal de rechtbank de verzoekschriften gevoegd behandelen.

2.2 In de beide zaken gaat het om het volgende. Op 23 december 1985 is in [woonplaats] opge-richt de stichting Stichting [W.], feitelijk gevestigd te [woonplaats] op het terrein van de [J.]-haven aan de [weg], verder te noemen: de stichting. Volgens artikel 2 van de statuten heeft de stichting ten doel de winterberging van en onderhoud aan pleziervaartuigen en het verrichten of doen verrichten van al hetgeen daarmede in de ruimste zin verband houdt. Partijen zijn allen bestuurslid van de stichting. Artikel 5 lid 1 van de statuten bepaalt dat het lidmaatschap van het bestuur eindigt door overlijden, door een verklaring van in staat van faillissement, door aanvraag van surséance van betaling, door onder curatelestelling alsmede ten slotte door ontslag door de rechtbank. Partijen zijn de enige bestuurders van de stichting.

2.3 Vader [B.] is op 25 januari 1991 toegetreden tot het bestuur van de stichting, en wel in de functie van voorzitter; [C.] is op 16 oktober 1997 tot het bestuur van de stichting toege-treden, en wel in de functie van secretaris/penningmeester.

2.4 Tussen de (voormalige) echtelieden, [C.] en vader [B.], zijn huwelijksproblemen gerezen op grond waarvan deze rechtbank bij beschikking van 12 november 2003 tussen hen de echtscheiding heeft uitgesproken. Gelijktijdig met het ontstaan van de ontwrichting van het huwelijk tussen hen, zijn er ook in het bestuur van de stichting fricties ontstaan.

2.5 Daarbij kwam volgens vader [B.] het functioneren van [C.] ter discussie te staan. Aanvanke-lijk spitste de onenigheid zich volgens hem toe op het feit dat [C.] eigenwijs was en zich als een “verlicht koningin” opstelde.

2.6 Vader [B.] is - zakelijk weergegeven - van mening dat [C.] zich door haar opstel-ling schuldig heeft gemaakt aan wanbeheer. Dat oordeel is volgens hem gebaseerd op een tweetal feiten. Ten eerste kon volgens hem op geen enkele wijze binnen het bestuur met haar worden samenge-werkt. [C.] wekte steeds de indruk een financieel voordeel te willen behalen uit de ge-claimde boedelverdeling, terwijl hij meermalen heeft laten weten dat het stichtingsvermogen in de verdeling geen rol kon spelen. Ten tweede was [C.] - die de onderhandelingen daarover voerde met de gemeente [woonplaats] - in het kader van een moge-lijke onteigening door de gemeente [woonplaats] bereid met die gemeente te onderhandelen over het verdwijnen van de onderneming van de stichting uit de [J.]-haven, terwijl vader [B.] had laten weten op geen enkele wijze te willen aansturen op het verdwijnen van de stichting uit de [J.]-haven.

2.7 [C.] trad volgens vader [B.] ook in toenemende mate solistisch op en verschafte aan de overige bestuursleden geen enkel inzicht in de dagelijkse gang van zaken. Zij was ook intern doende de zaken naar haar hand te zetten. De druppel die volgens vader [B.] de em-mer deed overlopen was zijn constatering dat [C.] grepen in de kas had gedaan, hetgeen door [C.] zou zijn bevestigd. [C.] heeft volgens vader [B.] ook nog eigen-dom-men van de stichting – een boot met bijbehorende trailer(s) – weggevoerd.

2.8 Vader [B.] heeft op grond van het vorenstaande verzocht dat de rechtbank [C.] als bestuurder van de stichting ontslaat, met veroordeling van [C.] in de kosten van deze procedure.

2.9 Het verzoek wordt door [C.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar het verweer-schrift en het verhandelde ter zitting.

2.10 [C.] heeft harerzijds ook een verzoek ingediend waaraan zij het volgende ten grond-slag heeft gelegd. Volgens haar hebben vader en zoon [B.], afzonderlijk, dan wel gezamenlijk in strijd met het bepaalde in artikel 2:8 BW gehandeld en daarmee in strijd met de statuten, het-geen volgens [C.] rechtvaardigt dat zij worden ontslagen, subsidiair worden geschorst als bestuurder van de stichting. Dat handelen heeft allereerst daarin bestaan dat zij samen, zonder [C.]’ medeweten en zonder dat met haar te hebben overlegd, [C.] heb uitgeschre-ven uit het register bij de Kamer van Koophandel, zulks terwijl de statuten van de stichting bepa-len dat een bestuurder slechts kan worden ontslagen door een besluit van het bestuur. Boven-dien heeft in dat verband geen vergadering plaatsgevonden, en is dan ook geen behoorlijke oproe-ping voor een vergadering verstuurd en is ook niet met de vereiste meerderheid van stemmen een besluit genomen, noch is buiten de vergadering om op een rechtsgeldige wijze een besluit tot stand gekomen.

2.11 [C.] stelt dat vóór haar aantreden als bestuurslid er bij de stichting op alle vlakken een absolute wanorde heerste en de zaken er slecht voor stonden en dat het enkel aan haar is te danken dat de stichting nieuw leven in ingeblazen. Zij, en alleen zij, heeft daartoe de noodza-kelijke contacten onderhouden met diverse derden en met dezen onderhandeld namens de stichting. Zonder haar inspanningen zou de stichting al lang geen bestaansrecht meer hebben gehad, zodat het aan haar is te danken dat de stichting nog zoveel waarde vertegenwoordigt als zij doet. Vader en zoon [B.] hebben echter volgens [C.] een geheel ander doel voor ogen staan: zij willen hun eigen zakken vullen, en bij een te ontvangen vergoeding in verband met de onteigening, de stichting opdoeken en het resterende vermogen, dan wel schadevergoe-ding, in hun zak steken. Dat is echter in strijd met de ideële doelstelling van de stichting (artikel 13 lid 4 van de statuten) en met het bepaalde in artikel 2:285 lid 3 BW jo. artikel 2:7 BW.

2.12 Sinds augustus 2003 wordt het haar, naar zij stelt, voorts onmogelijk gemaakt om de administratie te verzorgen.

2.13 Ontslag, dan wel schorsing van vader en zoon [B.] is volgens [C.] ook in het belang van de stichting, omdat dat de weg voor haar vrijmaakt om verder te onderhandelen met de gemeente [woonplaats] in de kwestie van de schadeloosstelling in verband met de onteigening. Zij heeft deze onderhandelingen ook steeds gevoerd en is van mening dat zij daartoe ook over de vereiste kwaliteiten beschikt. Zij wil alles in het werk stellen om op een andere locatie de doelstellingen van de stichting te verwezenlijken.

2.14 Ook de steeds slechter wordende gezondheidstoestand van vader [B.] maakt volgens [C.] dat zij behoorlijk “in het zadel” moet worden geholpen; zoon [B.] is niet capabel om de stichting te bestu-ren. Daarbij komt dat het volgens de boekhouder van de stichting - een zekere [naam] - sedert het ver-trek van [C.] financieel zeer slecht gaat met de stichting.

2.15 [C.] heeft op grond van het vorenstaande verzocht dat de rechtbank:

primair: vader en zoon [B.] als bestuurders van de stichting ontslaat;

subsidiair: (in ieder geval hangende het onderzoek), schorst;

meer subsidiair: een voorziening treft, inhoudende dat [C.] bij uitsluiting van de andere bestuursle-den bevoegd zal zijn om inzake de kwestie van de onteigening van de [J.]-haven een adequate minnelijke regeling met de gemeente [woonplaats] te treffen, dan wel - indien naar haar inzicht nodig - de geëigende gerechtelijke wegen te bewandelen, althans die voorziening te treffen, die de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.16 Het verzoek wordt door vader en zoon [B.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar het verhandelde ter zitting.

3. De beoordeling

3.1 Zoals uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard, blijkt dat zij het er over eens zijn dat het belang van de stichting voorop dient te staan, zodat haar continuïteit, dat wil zeggen de exploitatie van de door haar gedreven onderneming, dient te worden gewaarborgd, zij het op de huidige locatie, dan wel, in ver-band met een eventuele onteigening, elders. Met het oog op het garanderen van het voortbestaan van de stichting is derhalve van belang - nu partijen het erover eens zijn dat verdere samenwerking als bestuur-ders niet meer mogelijk is - dat diegene van par-tijen als bestuurder van de stichting de onderneming verder exploiteert die daartoe, gebaseerd op bedrijfseconomische overwegingen, het beste in staat is. In dat ver-band is onder andere van belang de (in het verleden gebleken) capaciteiten van de diverse bestuurders, de aard van de in het verleden verrichte werkzaamheden en wijze waarop die zijn verricht, en het feit of de bestuur-der beschikt over de nodige diploma’s, dan wel beschikt over diploma’s die van nut zijn bij de exploitatie.

3.2 Ten einde die vraag te kunnen beantwoorden heeft de rechtbank, met instemming van partijen be-paald, dat partijen hun geschiktheid daartoe zouden kunnen aantonen door middel van het opstellen van een exploitatieplan.

3.3 Na bestudering van de door partijen overgelegde exploitatieplannen, komt de rechtbank tot het oor-deel dat [C.] de meest aangewezene is om de exploitatie van de stichting voort te zetten. Anders dan het plan van [B.], is het plan van [C.] uitvoerig onderbouwd. Zij heeft, door onder andere een uitgebreide cijfermatige onderbouwing, een duidelijke uiteenzetting gegeven van haar plannen met de stichting, hoe die verwezenlijkt kunnen worden en wat de baten en lasten van de diverse plannen zijn. Verder heeft zij blijk gegeven van voorzichtig ondernemerschap en vooruitziende blik, doordat zij bij het schetsen van de diverse scenario’s ook het scenario heeft betrokken dat de onderneming van de stichting zou moeten worden verplaatst als gevolg van een onteigening. Dat alles ontbreekt in het door [B.] opgestelde plan. Ten slotte komen [C.] plannen en de cijfermatige onderbouwing daarvan de rechtbank niet onrealistisch voor.

3.4 Het vorenoverwogene brengt met zich dat het verzoek in de zaak met nummer 90922 moet worden afgewezen en dat het verzoek in de zaak met nummer 91291 dient te worden toegewezen. In de zaak met nummer 90922 onder veroordeling van vader [B.] en in de zaak met nummer 91291 onder veroordeling van vader en zoon [B.] als de in het ongelijk gestelde partijen. Nu de zaken vrijwel hetzelfde geschil tot onderwerp hebben en, behalve ten aanzien van verschuldigd vast recht, voor [C.] in de zaak met nummer 91291 niet wezenlijk tot extra kosten heeft geleid, zal de rechtbank de door [C.] ten behoe-ve van haar procureur gemaakte kosten slechts eenmaal berekenen en die kosten bij helfte delen over beide procedures.

4. De beslissing

De rechtbank:

Zaaknummer 90922:

wijst het verzochte af;

veroordeelt [B.] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [C.] begroot op € 241,-- aan vastrecht en € 390,-- voor salaris procureur;

Zaaknummer 91291:

ontslaat vader en zoon [B.] als bestuurders van de stichting;

veroordeelt vader en zoon [B.] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [C.] begroot op € 241,-- aan vastrecht en € 390,-- voor salaris procureur;

bepaalt dat de griffier deze beschikking zal inschrijven in het register waarin de stichting is ingeschreven, als en wanneer deze beschikking in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Groen, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordig-heid van de griffier.

MT