Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AR3094

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
01-10-2004
Zaaknummer
03-005329-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op aan een verstandelijk zeer beperkte jongen, die na ontucht gepleegd te hebben met een vijfjarig meisje, dit meisje met een sleepkabel heeft trachten te wurgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/005329-04

Datum uitspraak: 1 oktober 2004

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de minderjarige

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in het “Het Keerpunt”,

Pater Kustersweg 8, Cadier en Keer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2004.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 20 april 2004 te [V.] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], geboren op 2 oktober 1998, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] heeft meegenomen althans meegelokt en/of vervolgens heeft getracht die [slachtoffer] met behulp van een sleepkabel, in elk geval met een daarop gelijkend voorwerp, te wurgen en daartoe die sleepkabel, althans dat daarop gelijkend voorwerp, om de hals althans keel van die [slachtoffer] heeft gedaan en (vervolgens) met kracht die sleepkabel, althans dat daarop gelijkend voorwerp, heeft aangetrokken en/of vervolgens die [slachtoffer] in het water heeft gegooid althans geduwd terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 20 april 2004 te [V.] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer], geboren op 2 oktober 1998, van het leven te beroven, met dat opzet een sleepkabel, in elk geval een daarop gelijkend voorwerp, om de hals althans keel van die [slachtoffer] heeft gedaan en (vervolgens) met kracht die sleepkabel, in elk geval dat daarop gelijkend voorwerp, aangetrokken en/of vervolgens die [slachtoffer] in het water heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 20 april 2004 te [V.], met [slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het uittrekken van de broek en/of de maillot en/of de onderbroek van die [slachtoffer] en/of vervolgens het boven op die [slachtoffer] gaan liggen en/of het kussen van die [slachtoffer];

3.

hij op of omstreeks 16 april 2004 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bromfiets van het merk Vespa, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar bromfiets], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde betreft feiten die buiten Nederland zijn gepleegd. Nu verdachte Nederlander is en bedoelde feiten misdrijven betreffen waarop door het land waar deze zijn begaan, straf is gesteld, is de officier van justitie ten aanzien daarvan ontvankelijk in de vervolging.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 20 april 2004 te [V.], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer], geboren op 2 oktober 1998, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] heeft meegelokt en vervolgens heeft getracht die [slachtoffer] met behulp van een sleepkabel te wurgen en daartoe die sleepkabel om de hals van die [slachtoffer] heeft gedaan en vervolgens met kracht die sleepkabel heeft aangetrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 20 april 2004 te [V.], met [slachtoffer], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het uittrekken van de broek en de maillot en de onderbroek van die [slachtoffer] en vervolgens het boven op die [slachtoffer] gaan liggen en het kussen van die [slachtoffer];

3.

hij op 16 april 2004 in de gemeente Maastricht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bromfiets van het merk Vespa, toebehorende aan [eigenaar bromfiets].

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De nadere overweging ten aanzien van het bewijs

De rechtbank heeft bij haar beraadslaging aangaande de bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde onder meer overwogen dat de verdachte de sleepkabel, waarmee hij [slachtoffer] heeft getracht te wurgen, reeds uit het karretje heeft gepakt en meegenomen vóórdat hij met haar het bergje opliep en ontucht met haar pleegde. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte toen al van plan was [slachtoffer] te verwurgen nadat hij ontucht met haar zou hebben gepleegd

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 primair:

Poging tot moord.

Feit 2:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Feit 3:

Diefstal.

De strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van verdachte is door de gedragsdeskundigen drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/neuropsycholoog, en mevrouw G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater, een onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte ingesteld. Van dat onderzoek hebben genoemde psycholoog en psychiater ieder voor zich een rapport opgemaakt, respectievelijk gedateerd op 13 augustus 2004 en 7 augustus 2004, welke rapporten vermelden -zakelijk weergegeven- als conclusie dat de verdachte ten tijde van het plegen van de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze hem slechts in sterk verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel met de in deze rapporten gegeven conclusies en maakt deze mitsdien tot de hare. Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten 1 primair, 2 en 3 zal worden veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een gesloten setting.

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde en heeft, kort gezegd, de rechtbank in overweging gegeven de gevorderde maatregel in een voorwaardelijke vorm op te leggen, onder de bijzondere voorwaarde, dat de verdachte zal worden verpleegd in een open setting.

De redengeving van de op te leggen maatregel

Het voormelde rapport van drs. A.F.J.M. Zwegers houdt voorts in, dat:

“De betrokkene is een verstandelijk zeer beperkte jongen. Er wordt voldaan aan de diagnostische criteria van lichte zwakzinnigheid. (….) De betrokkene volgt (….) onderwijs dat goed is afgestemd op zijn verstandelijke beperkingen. Daarbuiten, in zijn woonomgeving, zal hij echter veelvuldig met die beperkingen worden geconfronteerd en zal hij het gevoel hebben dat hij niet kan voldoen aan de eisen die aan hem gesteld worden. Binnen de directe omgeving van het gezin zal de betrokkene vermoedelijk nog wel kunnen rekenen op veiligheid, begrip en tolerantie, hoewel hij ten aanzien daarvan ook de boosheid van zijn ouders benadrukt. In betrokkene’s beleving is die boosheid voor een belangrijk deel te herleiden tot de vijandigheid waarmee het gezin wordt benaderd. Ook de betrokkene zelf lijkt het contact met de wereld buiten het gezin vooral als vijandig te ervaren. Hij anticipeert daarop, is angstig en voelt zich onveilig. Uiteraard wordt dit door betrokkene’s verstandelijke beperkingen versterkt. (….) Daarnaast is het denkbaar dat de betrokkene door zijn verstandelijke beperkingen wordt buitengesloten, geminacht of misbruikt. In elk geval zal eenieder zich kunnen voorstellen dat de interactie met een omgeving, die geen rekening houdt met zijn verstandelijke handicap, bij de betrokkene frustratie en boosheid oproept. Overigens komt het ook in de beschermende schoolsituatie voor dat de betrokkene agressief wordt en bedreigingen uit. (….) Het is opmerkelijk dat de betrokkene die boosheid benoemt, maar geenszins de oorsprong daarvan lijkt te kennen. (….)

Wanneer de betrokkene omtrent het ten laste gelegde verklaart, ontstaat de indruk dat hij zijn motieven tot handelen deels verzwijgt en ook deels in een sociaal wenselijke richting heeft bijgesteld. (….). Ook geeft de betrokkene geen antwoord op de vraag met welke bedoeling hij het meisje meenam, terwijl men (….) welhaast moet uitgaan van een seksueel motief. De betrokkene verklaarde meermaals dat hij boos was toen hij het meisje meenam. Het is goed mogelijk dat hij de herkomst van de boosheid die in hem was, niet kende en dat het gedrag dat daaruit voortkwam in eerste instantie dan ook nog ongericht was, dat wil zeggen: noch voor hemzelf, noch voor anderen herkenbaar als agressie. Het meenemen van het meisje is vermoedelijk aanvankelijk in betrokkene’s beleving doelloos geweest, terwijl hij zijn boosheid wel bewust registreerde. Waarschijnlijk werd vervolgens ook de seksuele prikkeling bewust geregistreerd en in handelen omgezet. Maar daarbij ontstaat dan een vermenging met agressie. (….)

Ook zonder dat de psychodynamiek ten aanzien van het ten laste gelegde volkomen helder is, mag aangenomen worden dat betrokkene’s gevoelens van onvolwaardigheid worden opgebouwd door interactie met zijn omstandigheden die eisen aan hem stellen waaraan hij, door zijn verstandelijke handicap, niet kan voldoen. Tevens is aan te nemen dat dit leidt tot accumulatie van boosheid. Op enig moment ontstaat er dan ontlading van woede. Dat moment zal bepaald worden door de mate van boosheid die is opgebouwd en door de aanwezigheid van prikkels die een explosie kunnen uitlokken. (….)

Het spreekt voor zich dat dergelijke ontladingen van opgebouwde woede gevaarlijk kunnen zijn, met name in situaties waarin de betrokkene niet fysiek begrensd kan worden.

Er is sprake van een gedragsstoornis en van een verstandelijke handicap (...). Betrokkene’s gebrekkige ontwikkeling gaat gepaard met een beperkt normbesef, een gebrekkig motief om impulsen te beheersen en verstoring bij de interpretatie van de realiteit. (....) Vermoed wordt dat seksuele prikkeling ten tijde van het ten laste gelegde als “trigger” fungeerde. (...)

De vermenging van sexualiteit en geweld vormt in algemene zin, vanuit welke psychodyna-mische achtergrond dan ook, een buitengewoon risicovol scenario voor toekomstig delictge-drag, zeker in ongekanaliseerde vorm zoals bij de betrokkene. Er is bij betrokkene ook agressief gedrag te voorzien los van seksuele prikkeling. Zolang het dagelijkse leven leidt tot opstapeling van woede, kan men explosieve ontladingen van agressie verwachten. (....)

Om gevaarlijk gedrag te voorkomen zal de betrokkene langdurig moeten verblijven in een omgeving die is afgestemd op zijn verstandelijke handicap (….) en waar hij zich volwaardig en veilig kan voelen. (….). Gelet op het gevaar zal de bedoelde situatie, zeker in aanvang, voldoende beveiliging moeten bieden. (….).

Indien het tenlastegelegde wordt bewezen adviseert rapporteur, gelet op het recidivegevaar, de beperkte mogelijkheden om dat gevaar buiten een beveiligde omgeving af te wenden en het belang voor betrokkene’s verdere ontwikkeling, om de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op te leggen. Betrokkene zou bij voorkeur geplaatst moeten worden in een inrichting voor zwakzinnigen die voldoende mogelijkheden tot beveiliging biedt.”

Het voormelde rapport van mevrouw Broekman houdt voorts in, dat:

“Onderzochte is een intellectueel op zwakzinnig niveau functionerende pre-puber die onvoldoende zicht heeft op zijn problematiek. Er is sprake van een slecht gestructureerde persoonlijkheidsontwikkeling waarin intelligentie, driften, emoties en gedrag zwak zijn geïntegreerd. (….). De ontwikkelingsgeschiedenis overziende, is er bij onderzochte een persoonlijkheidsfactor in het spel, welke het antisociale gedrag toont en dat in de anamnese inmiddels meervoudig voorkomt. De wortels van zijn verstoord verlopen persoonlijkheids-ontwikkeling lijken (voornamelijk) in de constitutie van onderzochte te zijn gelegen, in de opvoedingssituatie en in het gegeven dat onderzochte chronisch werd overvraagd wegens zijn beperkingen in de diverse ontwikkelingslijnen. (….).

Bij onderzochte is sprake van een antisociale gedragsstoornis (conduct disorder), waaraan zwakke cognitieve toerusting (retardatie) en pedagogische verwaarlozing ten grondslag liggen met als belangrijke kenmerken biologische onrijpheid, gestoorde impulsregulatie en lacunaire gewetensvorming. Er is aldus sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Uit het onderzoek is gebleken dat deze stoornis van zijn geestvermogens van invloed was op het gedragspatroon van onderzochte ten tijde van het hem ten laste gelegde. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedt zijn gedragskeuzen (….). Onderzochte laat blijken te weten dat zijn antisociale activiteiten niet geoorloofd zijn. Omdat zijn impulsen als gevolg van zijn gebrekkige afweermechanismen niet afgewend kunnen worden, ontstaat controleverlies en neemt hij het recht in handen de ander onheus te bejegenen, met het onderhavige ten laste gelegde delictgedrag tot gevolg. (….) Rapporteur gaat uit van het standpunt dat het tenlastegelegde, indien bewezen, voortvloeit uit impulsie-ve drijfveren en uit de dadendrang bij een in wezen zich sterk onzeker voelende, zich moeten bewijzende pre-adolescent. Dieperliggend bestaat onvermogen op adequate wijze met primaire behoeften (macht, agressie en seksuele impulsen) om te gaan en zijn eigen ontwikkeling op deze punten gunstig te beïnvloeden, gebaseerd op emotionele en sociale scheefgroei. (….).

In zijn reactiestijl toont onderzochte een handelingspatroon waarin de gevoelens en impulsen niet afdoende kunnen worden afgeweerd en vervolgens worden uitgeleefd in de buitenwereld. Bij het afwegen van motieven tot handelen laat onderzochte de (emotionele) gevolgen van zijn gedrag voor anderen buiten beschouwing. Het intrinsieke motief tot impulsbeheersing is bij hem zeer gebrekkig. De gestoorde impulsregulatie en de zwakke gewetensvorming vergemakkelijken daarbij in feite de stap naar het antisociale gedrag. De recidivekans is onbehandeld erg groot. (….).

Onderzochte zou in een omgeving moeten verkeren waarin hij voortdurend wordt gestructureerd en gestimuleerd tot een positieve ontwikkeling. Een consequent verblijf, voor langere tijd binnen een beschermde en strak gestructureerde omgeving, in casu een inrichting voor jeugdigen afgestemd op zijn cognitieve beperkingen en prikkelarm voor antisociale activiteiten, is voor onderzochte geïndiceerd, teneinde de recidivekans te minimaliseren en zijn verdere persoonlijkheidsontwikkeling optimaal te stimuleren.

Rapporteur is van mening dat criteria voor een niet vrijblijvende maatregel zijn bereikt, alleen al om te voorkomen dat onderzochte, door het ontbreken van een consequent pedagogisch kader verder zal afglijden. Gezien de opstelling van onderzochte, de sterke neiging tot externaliseren en bagatelliseren en het gebrek aan empathisch vermogen, is de kans op recidive, onbehandeld, reëel aanwezig.

Als juridisch kader adviseert rapporteur de rechtbank de behandeling van onderzochte middels een onvoorwaardelijk PIJ-kader te doen plaatsvinden omdat naar inzicht van rapporteur enkel hiermee voldoende garantie voor behandeling van langere termijn wordt gegeven. (….).”

Gezien de inhoud van vorenbedoelde rapporten en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen acht de rechtbank termen aanwezig het door de beide gedragsdeskundigen gegeven advies op te volgen. De rechtbank is op grond van het vorenstaande nadrukkelijk van oordeel dat een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen onder voorwaarden onvoldoende garanties biedt voor een adequate behandeling en bescherming van de maatschappij.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 27, 45, 77s, 77gg, 247, 289 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte deswege strafbaar;

- legt op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;

- adviseert deze maatregel ten uitvoer te leggen in een inrichting met gesloten setting, toegerust voor de behandeling van zwakzinnigen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. E.W.A. van den Berg, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. W.E. Elzinga, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2004.