Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AP4199

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-05-2004
Datum publicatie
24-06-2004
Zaaknummer
AWB 02 / 809 CSV en AWB 02 / 810 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de namens Libertel Verkoop en Services BV ingediende bezwaarschriften tegen de correctienota’s over de premiejaren 1996 tot en met 2000 ongegrond verklaard, voor zover deze bezwaarschriften betrekking hebben op de correcties met betrekking tot de fietsregeling en de reischeques.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nrs.: AWB 02/809 CSV en AWB 02/810 CSV

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

Vodafone Libertel NV te Maastricht, als rechtsopvolgster van Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV, eiseres

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -GAK Amsterdam Afdeling ARA/pbz-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 1) 29 april 2002

2) 14 mei 2002.

Kenmerk: 1) ARApbz/PW1Wg026141800200101 P52103655

2) ARApbz/BUU Wg026141800120101 P5210285555.

Behandeling ter zitting: 25 juni 2003 en 29 april 2004.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak als eerste genoemde besluit van 29 april 2002 heeft verweerder de namens Libertel Verkoop en Services BV ingediende bezwaarschriften van 25 september 2000 tegen de correctienota’s van 15 augustus 2000 over de premiejaren 1996 tot en met 2000 ongegrond verklaard, voor zover deze bezwaarschriften betrekking hebben op de correcties met betrekking tot de fietsregeling en de reischeques. Bij het in de aanhef van deze uitspraak als tweede genoemde besluit van 14 mei 2002 heeft verweerder de namens Libertel Netwerk BV ingediende bezwaarschriften van 6 oktober 2000 tegen de correctienota’s van 15 september 2000 over de premiejaren 1998 tot en met 2000 ongegrond verklaard.

Tegen de besluiten van 29 april 2002 en 14 mei 2002 is namens eiseres bij brieven van 3 juni 2002 pro forma beroep ingesteld, welke beroepen bij schrijven van 28 juni 2002 nader zijn gemotiveerd.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals de door verweerder ingediende verweerschriften.

De beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank op 25 juni 2003, alwaar namens eiseres is verschenen de heer Th.J.M. van Schendel. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P.T. van Arnhem. De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft op voornoemde zitting het onderzoek gesloten.

Bij beschikking van 8 juli 2003 heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank op grond van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend en de beroepen ter verdere behandeling ex artikel 8:10, tweede lid, van de Awb verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. De beroepen zijn vervolgens gevoegd behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 29 april 2004, alwaar namens eiseres wederom is verschenen de heer Th.J.M. van Schendel, terwijl verweerder zich tijdens deze zitting opnieuw heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.T. van Arnhem.

II. OVERWEGINGEN.

Per 1 januari 2002 zijn in werking getreden de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wsuwi) en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (IWsuwi), Stb. 2001/682. Op grond van artikel 9, eerste lid, van laatstgenoemde wet gaan de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen per die datum over op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat een door het Lisv genomen besluit geldt als een besluit van het UWV. Ingevolge de artikelen 11 en 12 van diezelfde wet treedt het UWV in de onderhavige procedure als verwerende partij in de plaats van (het bestuur van) het Lisv respectievelijk de uitvoeringsinstellingen.

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan: de Raad van Bestuur van het UWV.

II.1. In de maanden april, mei en juni 2000 zijn door looninspecteurs van verweerder looncontroles uitgevoerd bij Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV, welke controles betrekking hadden op de jaren 1995 tot en met 1999. Met betrekking tot de bij Libertel Verkoop en Services BV uitgevoerde controle is door looninspecteur Lauvenberg een rapport uitgebracht, gedateerd 25 mei 2000. Over de bij Libertel Netwerk BV verrichte controle is door dezelfde looninspecteur gerapporteerd in een rapport, gedateerd 30 juni 2000. In beide rapporten wordt melding gemaakt van een tweetal feiten, die voor de onderhavige gedingen van belang zijn.

In de eerste plaats wordt in de rapporten door looninspecteur Lauvenberg opgemerkt, dat de fietsregeling, die beide werkgeefsters voor hun werknemers kennen, geen loon in natura betreft, maar loon in geld. Deze regeling houdt in, dat werknemers, die per fiets naar hun werk komen, op kosten van hun werkgeefster een fiets kunnen aanschaffen (tegemoetkoming tot fl. 1.000,-- incl. BTW), in welk geval de tegemoetkoming in de kosten voor woon-werkverkeer vervalt. Bij het loon van de werknemer, die gebruik maakt van de fietsregeling, wordt een bedrag van fl. 150,-- geteld. Nu de aankoopnota’s van de fietsen echter niet op naam van de werkgeefsters zijn gesteld maar op naam van de werknemers, zijn de fietsen volgens looninspecteur Lauvenberg niet door de werkgeefsters verstrekt. Er is derhalve geen sprake van loon in natura, maar van loon in geld, zodat correcties van de premielonen noodzakelijk zijn.

In de tweede plaats heeft looninspecteur Lauvenberg in de loonrapporten opgemerkt, dat ING reischeques ter beschikking heeft gesteld aan het personeel van Libertel in verband met het feit dat ING eind 1999 haar belang in Libertel heeft teruggebracht en de betreffende aandelen aan de beurs zijn genoteerd. Afhankelijk van de duur van het dienstverband op 29 september 1999 heeft het personeel reischeques ontvangen ter waarde van fl. 2.000,--, fl. 4.000,-- en fl. 6.000,--. Ondanks het feit dat de reischeques door ING aan de werknemers zijn verstrekt, dienen zij als voordeel uit dienstbetrekking te worden aangemerkt, omdat alleen personen in dienst van Libertel in aanmerking zijn gekomen voor deze reischeques. Ook in verband hiermee zijn correcties van de premielonen noodzakelijk.

Bij brief van 21 juni 2000 heeft verweerder Libertel Verkoop en Services BV een afschrift van het rapport van 25 mei 2000 van looninspecteur Lauvenberg doen toekomen en haar meegedeeld voornemens te zijn ambtshalve correctienota’s op te leggen. Hierop is namens voornoemde vennootschap bij schrijven van 13 juli 2000 gereageerd. Deze reactie is vervolgens voorgelegd aan looninspecteur Lauvenberg, die ter zake een aanvullend rapport heeft uitgebracht, gedateerd 26 juli 2000. De looninspecteur heeft in de reactie geen aanleiding gezien een ander standpunt in te nemen ten aanzien van de voorgenomen correcties. Het aanvullend rapport is in afschrift naar de gemachtigde van Libertel Verkoop en Services BV gezonden. Deze gemachtigde heeft bij schrijven van 11 augustus 2000 nog een nadere reactie naar verweerder gestuurd.

Bij brief van 20 juli 2000 heeft verweerder Libertel Netwerk BV een afschrift van het rapport van 30 juni 2000 van looninspecteur Lauvenberg doen toekomen en haar eveneens meegedeeld voornemens te zijn ambtshalve correctienota’s op te leggen. Hierop is namens voornoemde vennootschap bij brieven van 10 en 11 augustus 2000 gereageerd. Deze brieven zijn vervolgens voorgelegd aan looninspecteur Lauvenberg, die ter zake eveneens een aanvullend rapport heeft uitgebracht, gedateerd 25 augustus 2000. De looninspecteur heeft in de reactie geen aanleiding gezien een ander standpunt in te nemen ten aanzien van de voorgenomen correcties. Het aanvullend rapport is in afschrift naar de gemachtigde van Libertel Netwerk BV gezonden.

Op 15 augustus 2000 heeft verweerder aan Libertel Verkoop en Services BV correctienota’s opgelegd over de jaren 1996 tot en met 2000 en op 15 september 2000 aan Libertel Netwerk BV correctienota’s over de jaren 1998 tot 2000.

Bij brieven van 25 september 2000 is namens Libertel Verkoop en Services BV bezwaar gemaakt tegen de correctienota’s van 15 augustus 2000 en bij brieven van 6 oktober 2000 namens Libertel Netwerk BV bezwaar tegen de correctienota’s van 15 september 2000. Naar aanleiding van de ingediende bezwaren heeft op 12 april 2002 een hoorzitting plaatsgevonden, waarop de bezwaren mondeling zijn toegelicht.

II.2. Bij het thans bestreden besluit van 29 april 2002 heeft verweerder de bezwaren tegen de correctienota’s van 15 augustus 2000 ongegrond verklaard, voor zover deze bezwaren gericht zijn tegen de correcties met betrekking tot de fietsregeling en de reischeques. Bij het thans eveneens bestreden besluit van 14 mei 2002 heeft verweerder ook de bezwaren tegen de correctienota’s van 15 september 2000 ongegrond verklaard.

Aan deze besluiten ligt in de eerste plaats verweerders standpunt ten grondslag, dat de fietsregeling een vergoedingsregeling betreft en geen verstrekking van loon in natura. Nu er een wezenlijk verschil is tussen het verstrekken of het vergoeden van een fiets en de van toepassing zijnde regeling ter zake helder is, is er bovendien geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel, noch van strijd met het vertrouwensbeginsel.

In de tweede plaats is verweerder van oordeel, dat de door ING ter beschikking gestelde reischeques tot het premieplichtig loon in de zin van artikel 4 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) behoren, aangezien de door Libertel geboden administratieve ondersteuning van zodanige aard is geweest, dat hiermee is voldaan aan de door de Centrale Raad van Beroep geformuleerde vereisten van bemoeienis. Bovendien is verweerder van oordeel, dat in casu sprake is van een ter beschikking stellen van reischeques door ING als onderdeel van het concern, waartoe Libertel behoorde. Nu de Hoge Raad in zijn arrest van 1 november 2000 heeft beslist, dat over een dergelijk voordeel al premie verschuldigd is, wanneer het voordeel met medeweten van de werkgever wordt verstrekt en Libertel administratieve ondersteuning heeft geboden aan de feitelijke verstrekking, is in ieder geval aan dit vereiste van medeweten voldaan.

II.3. Eiseres kan zich met voornoemde standpunten van verweerder niet verenigen en heeft daartegen als rechtsopvolgster van Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV bij brieven van 3 juni 2002 beroep doen instellen. Deze beroepen zijn bij schrijven van 28 juni 2002 aangevuld met de gronden waarop zij berusten. Deze gronden komen – zakelijk weergegeven – op het volgende neer:

- Ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad kan een voordeel slechts tot het premieplichtig loon in de zin van artikel 4, eerste lid, van de CSV worden gerekend, indien het voordeel in opdracht en voor rekening van de werkgever is verstrekt, dan wel het voordeel binnen een concernverband met medeweten van de werkgever door een andere concernmaatschappij is verstrekt en dat voordeel niet aan de werkgever is doorberekend. Nu in ieder geval sedert 7 januari 1998 Libertel en ING geen vennootschappen zijn die tot hetzelfde concern behoren, aangezien op die datum het belang van ING in Libertel is teruggebracht naar 38,5 %, welk belang op 30 maart 1998 verder is teruggebracht tot 30 % en bij de beursgang in juni 1999 nog verder is verminderd, en wel tot 7,5 %, kunnen de door ING aan de werknemers van Libertel verstrekte reischeques niet tot het premieplichtig loon worden gerekend.

- Met betrekking tot de fietsregeling wordt primair het standpunt ingenomen, dat deze regeling een beloning in natura behelsde. Bedoeld is, dat de werknemers zelf een fiets konden uitzoeken, maar dat de aanschaf plaatsvond voor rekening van de werkgeefster. De regeling leidde tot het materiële eindresultaat dat de werkgeefster een voor haar rekening en binnen het kader van haar fietsregeling aangeschafte fiets in eigendom verstrekte aan haar werknemers. Het feit dat de nota op naam stond van de werknemer en niet op die van de werkgeefster wettigt niet de conclusie dat daardoor geen sprake meer is van loon in natura, maar van loon in geld. Puur uit pragmatisme is voor deze uitvoeringsvorm gekozen.

- Subsidiair wordt een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, aangezien er geen rechtvaardiging is voor een afwijkende behandeling van de onderhavige situatie en het geval dat de aankoopnota wel op naam staat van de werkgever.

- Meer subsidiair beroept eiseres zich op het vertrouwensbeginsel, aangezien uit de “Handleiding loonbelasting, premies volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen” (uitgave 1998) niet ondubbelzinnig blijkt, dat een aankoopnota op naam van de werknemer aan toepassing van de regeling in de weg staat.

II.4. In dit geding zal de rechtbank, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, hebben te beoordelen of verweerder de bestreden besluiten terecht en op goede gronden heeft genomen. Daarbij ligt allereerst de vraag voor of verweerder met juistheid heeft geoordeeld dat de fietsregeling aanleiding geeft de premielonen te corrigeren, aangezien er geen sprake is van loon in natura en in dezen noch het gelijkheidsbeginsel noch het vertrouwensbeginsel is geschonden. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder op goede gronden heeft geoordeeld, dat over de waarde van de reischeques, die ING voor de werknemers van Libertel ter beschikking heeft gesteld, premies zijn verschuldigd, aangezien in casu sprake is van loon in de zin van artikel 4, eerste lid, van de CSV.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

II.5. In artikel 8, eerste lid, van de CSV is bepaald, dat niet in geld genoten loon in aanmerking wordt genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, met dien verstande dat voorzover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing. Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de CSV kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot de waardering van aanspraken en van ander niet in geld genoten loon.

In de jaren 1996 tot en met 2000, welke voor het onderhavige geding relevant zijn, zijn op basis van artikel 8, tweede lid, van de CSV nadere regels gesteld met betrekking tot het door een werkgever verstrekken of ter beschikking stellen van een fiets aan zijn werknemers ten behoeve van het woon-werkverkeer. Deze regels welke in artikel 6 van de desbetreffende ministeriële regelingen waren opgenomen, houden het volgende in: de waarde van een voor woon-werkverkeer verstrekte of ter beschikking gestelde fiets wordt gesteld op fl. 150,-, onderscheidenlijk nihil, mits de catalogusprijs niet hoger is dan fl. 1.500,-- (fl. 1.600,-- in het jaar 2000) inclusief omzetbelasting én in de drie voorafgaande jaren aan de werknemer geen fiets is verstrekt of ter beschikking is gesteld.

De fietsregeling, die Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV in de jaren 1996 tot en met 2000 kenden, houdt het volgende in. Werknemers kunnen eenmaal per vijf jaar een fiets kopen, indien deze fiets voor het woon-werkverkeer wordt gebruikt. De waarde van de fiets mag maximaal fl. 1.500,-- bedragen. De kosten van de fiets worden door de werkgeefsters tot een bedrag van fl. 1.000,--. vergoed.

Ten aanzien van de grieven van eiseres dat de fietsregeling geen loon in geld betreft maar loon in natura, en dat mocht deze zienswijze niet worden gevolgd, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel eraan in de weg staan over de gehele aan de werknemers verstrekte vergoeding premie te heffen, overweegt de rechtbank het volgende.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel, dat de fietsregeling van voornoemde vennootschappen geen loon in natura betreft, maar loon in geld. De vennootschappen verstrekten aan hun werknemers geen fiets in eigendom. De vennootschappen betaalden aan de werknemers slechts een bepaald bedrag in geld ter gehele of gedeeltelijke vergoeding van de aanschaf door de werknemers van een fiets voor het woon-werkverkeer. Hetgeen van de kant van eiseres is aangevoerd om aan te geven dat materieel sprake is van loon in natura kan hieraan niet afdoen. De rechtbank kan het standpunt van verweerder billijken, dat deze wenst vast te houden aan een strikte uitvoering van de relevante regelgeving, zulks in verband met de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid.

Het beroep dat eiseres heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel faalt. De verstrekking van een fiets kan niet gelijk worden gesteld met het geven van een gehele of gedeeltelijke vergoeding voor de aanschaf van een fiets. Nu er geen sprake is van gelijke gevallen, is er geen aanleiding om de regeling, die in de in het geding zijnde jaren in artikel 6 van de ministeriële regelingen, gebaseerd op artikel 8 van de CSV, was opgenomen op overeenkomstige wijze toe te passen op verstrekte vergoedingen voor door werknemers aangeschafte fietsen voor het woon-werkverkeer.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. De rechtbank is van oordeel, dat nu in de door eiseres aangehaalde tekst uit de “Handleiding loonbelasting, premies volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen” uitdrukkelijk wordt gesproken van het verstrekken van een fiets, daaraan niet een gerechtvaardigd vertrouwen kon worden ontleend, dat het aldaar gestelde ook van toepassing is op een gehele of gedeeltelijke vergoeding van de kosten van een door een werknemer gekochte fiets. Het feit dat in voornoemde handleiding niet met zoveel woorden staat vermeld, dat de regeling niet van toepassing is op het verstrekken van een vergoeding, maakt zulks niet anders.

De rechtbank is dan ook van oordeel, dat verweerder terecht geconcludeerd heeft, dat over de gehele vergoedingen, die in de jaren 1996 tot en met 2000 zijn verstrekt voor door de werknemers aangeschafte fietsen voor het woon-werkverkeer, premies verschuldigd zijn voor de sociale werknemersverzekeringen.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de bestreden besluiten, voor zover daarbij is beslist op de bezwaren inzake de fietsregeling, de rechterlijke toets kunnen doorstaan en derhalve in zoverre in stand kunnen worden gelaten.

II.6. Met betrekking tot de reischeques overweegt de rechtbank het volgende.

In artikel 4, eerste lid, van de CSV is bepaald, dat loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking wordt genoten.

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de CSV kan verweerder, onder goedkeuring van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bepalen, dat een bedrag aan fooien en dergelijke prestaties van derden niet tot het loon behoort. In artikel 4 van het op artikel 7, tweede lid, van de CSV gebaseerde Fooienbesluit 2002 is bepaald, dat voor premiebetalingstijdvakken welke gelegen zijn vóór 1 januari 2002 - hetgeen in casu het geval is - het besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 21 december 1989, nr. 8920774, van toepassing blijft. In artikel 1 van laatstgenoemd besluit is bepaald, dat fooien en dergelijke prestaties van derden, indien in dit besluit niet anders is bepaald, niet tot het loon worden gerekend, voor zover bij het bepalen van het aan de werknemer rechtens toekomende loon met het ontvangen van deze fooien of dergelijke prestaties van derden geen rekening is gehouden.

Tussen partijen is niet in geschil, dat als de reischeques aangemerkt moeten worden als “dergelijke prestaties van derden” in de zin van artikel 1 van het besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 21 december 1989, deze reischeques ingevolge voornoemd besluit niet tot het loon moeten worden gerekend.

Verweerder is echter van oordeel, dat de reischeques als loon uit dienstbetrekking in de zin van artikel 4 van de CSV moeten worden beschouwd. In de verweerschriften van 30 juli 2002 heeft verweerder ter nadere onderbouwing van zijn in de bestreden besluiten ingenomen standpunt, dat voldaan is aan de door de Centrale Raad van Beroep geformuleerde vereisten van bemoeienis, gewezen op de uitspraak van 20 april 2000 van de Centrale Raad van Beroep (USZ 2000/168). Volgens verweerder kan uit deze uitspraak worden afgeleid, dat nu de reischeques door ING met medeweten en medewerking van Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV zijn verstrekt als een vorm van beloning voor geleverde inspanningen, deze reischeques zijn aan te merken als loon uit dienstbetrekking. Daarnaast heeft verweerder in voornoemde verweerschriften zijn standpunt, dat er sprake is van het verstrekken van een voordeel binnen een concernverband, als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2000, verder onderbouwd door erop te wijzen, dat ING vanaf de oprichting van Libertel NV een (meerderheids)belang in Libertel NV heeft (gehad).

Tijdens de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank op 29 april 2004 heeft de gemachtigde van verweerder verweerders eerder ingenomen standpunten in die zin genuanceerd, dat verweerder thans van oordeel is, dat het enkele feit, dat een voordeel gerelateerd is aan een dienstbetrekking en met medeweten en medewerking van desbetreffende werkgever is verstrekt, nog niet maakt, dat het voordeel als loon uit dienstbetrekking kan worden aangemerkt. Verweerder blijft echter volgens de gemachtigde van oordeel, dat in casu sprake is van het verstrekken van een voordeel binnen concernverband. In dit verband heeft de gemachtigde ook een beroep gedaan op de uitspraak van 25 september 2003 van de Centrale Raad van Beroep (RSV 2004/12), aangezien de situatie, waarop deze uitspraak betrekking heeft, vergelijkbaar is met die waarvan in het onderhavige geding sprake is.

Ten aanzien van de grief van eiseres dat de reischeques niet als loon in de zin van artikel 4 van de CSV kunnen worden beschouwd, nu ING enerzijds en Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV anderzijds ten tijde van de verstrekking van de reischeques niet tot hetzelfde concern behoorden, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop, dat met betrekking tot hetgeen onder het begrip “loon” in artikel 4 van de CSV moet worden verstaan, naar haar oordeel bepalend is hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 1 november 2000, 361 (RSV 2001/13) ter zake heeft overwogen, te weten:

Indien een werknemer in de zin van artikel 2 van de CSV in verband met zijn

dienstbetrekking een voordeel geniet van een ander dan die werkgever in de zin

van artikel 3 van de CSV, is – behoudens indien en voor zover sprake is van fooien

en dergelijke prestaties van derden welke op grond van artikel 7 van de CSV in

verbinding met artikel 1 van het Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van

21 december 1989, nr. 8920774 (het Fooienbesluit), tot het loon behoren – slechts

sprake van premieplichtig loon in de zin van artikel 4 van de CSV indien dat voordeel

wordt verstrekt in opdracht van en voor rekening van die werkgever. Met laatstbedoelde

situatie moet echter op één lijn worden gesteld een geval als het onderhavige waarin

binnen een concern het voordeel met medeweten van de werkgever wordt verstrekt

door een andere concernmaatschappij dan die waarbij de werknemer in

dienstbetrekking is en dat voordeel niet aan de werkgever wordt doorberekend.

Gelet op deze overwegingen, onderschrijft de rechtbank dan ook het nadere standpunt van verweerder, zoals dat tijdens de zitting van 29 april 2004 door zijn gemachtigde is verwoord, dat alleen de omstandigheid, dat de reischeques met medeweten en bemoeienis van de beide werkgeefsters zijn verstrekt als een vorm van beloning voor geleverde inspanningen, nog niet maakt, dat deze reischeques tot het loon in de zin van artikel 4 van de CSV kunnen worden gerekend.

Met betrekking tot het standpunt van verweerder, dat in casu sprake is van het ter beschikking stellen van een voordeel binnen concernverband, merkt de rechtbank op, dat voor de vraag of de reischeques als loon in de zin van artikel 4 van de CSV kunnen worden aangemerkt, bepalend is of ING enerzijds en Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV anderzijds op het moment van de verstrekking van de reischeques dan wel ten tijde van de beursgang, welke de aanleiding vormde voor het ter beschikking stellen van de reischeques, tot hetzelfde concern behoorden. De rechtbank is van oordeel, dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt, dat zulks het geval is en heeft daartoe het volgende in aanmerking genomen.

Het begrip “concern”, dat door de Hoge Raad in het arrest van 1 november 2000 wordt gehanteerd, wordt in dat arrest niet nader omschreven. Het is een term die in de praktijk wordt gebruikt voor een groep juridisch zelfstandige ondernemingen onder een centrale leiding. Degene die de centrale leiding uitoefent – de moedermaatschappij – kan beslissende zeggenschap uitoefenen over de aan die zeggenschap onderworpen ondernemingen – de dochtermaatschappijen. De beslissende zeggenschap van de moederonderneming kan berusten op aandelenbezit, overeenkomst of louter feitelijke factoren, zoals de aanwezigheid van dubbelfuncties of een personele unie op beleidsniveau binnen de verschillende ondernemingen.

Gelet op hetgeen onder het begrip “concern” moet worden verstaan, is de rechtbank van oordeel, dat het feit dat ING bij de oprichting van Libertel NV meerderheidsaandeelhoudster was van deze vennootschap, die op haar beurt in het bezit was van alle aandelen van Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV, nog niet maakt, dat deze ondernemingen ook op een later tijdstip nog steeds als concernvennootschappen kunnen worden aangemerkt. Daarvoor is noodzakelijk dat ING ook op dat moment beslissende zeggenschap kan uitoefenen over Libertel NV en via deze onderneming over Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV. In het beroepschrift is gesteld, dat ING ten tijde van de beursgang 30 % en ten tijde van het verstrekken van de reischeques 7,5 % van de aandelen van Libertel NV bezat, zodat van een beslissende zeggenschap van ING op die momenten geen sprake was. Door verweerder zijn geen andere omstandigheden gesteld, waaruit een dergelijke zeggenschap anderszins kan worden afgeleid, en de rechtbank is hiervan ook niet gebleken. Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan, dat ING, Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV ten tijde van de beursgang dan wel ten tijde van het ter beschikking stellen van de reischeques tot hetzelfde concern behoorden.

Met betrekking tot de uitspraak van 25 september 2003 van de Centrale Raad van Beroep, waarop de gemachtigde van verweerder tijdens de zitting van 29 april 2004 een beroep heeft gedaan, merkt de rechtbank allereerst op, dat deze uitspraak niet onherroepelijk is, nu daartegen cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld. Daarnaast is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel, dat de situatie, waarvan in deze uitspraak sprake is, niet vergelijkbaar is met die in het onderhavige geval.

De uitspraak van 25 september 2003 heeft betrekking op de uitbetaling door een stichting aan de werknemers van een groep ondernemingen van een deel van de opbrengst van de verkoop door deze stichting van de aandelen van deze groep ondernemingen. Deze uitbetaling is door de Centrale Raad van Beroep aangemerkt als loon in de zin van artikel 4 van de CSV, aangezien zich met betrekking tot deze werknemers volgens de Raad een situatie voordoet, die in rechtens relevante zin gelijk kan worden gesteld met de omstandigheden waarin de werknemers, bedoeld in het arrest van 1 november 2000 van de Hoge Raad verkeerden. Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep maakten de groep ondernemingen en de stichting ten tijde van het verstrekken van de betalingen weliswaar geen deel uit van hetzelfde concern, maar kan niet worden voorbijgegaan aan de nauwe verbondenheid die tussen de stichting en de groep ondernemingen heeft bestaan.

De rechtbank is van oordeel, dat tussen ING enerzijds en Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV anderzijds niet een zelfde nauwe verbondenheid heeft bestaan als waarvan in voornoemde uitspraak sprake is. In dit verband merkt de rechtbank op, dat vorenbedoelde stichting in 1985 is opgericht in het kader van de verzelfstandiging van de groep ondernemingen in kwestie, vanaf dat tijdstip tot aan de verkoop op 29 oktober 1998 alle aandelen heeft gehouden van de groep, volgens haar statuten onder meer tot doel had de belangen van de (gewezen) werknemers van de groep te behartigen, welk doel na de aandelenverkoop is uitgebreid met het verstrekken van uitkeringen aan (gewezen) werknemers, en dat de stichting met het doen van de betalingen laatstgenoemde doelstelling heeft verwezenlijkt en nadien geen andere doelstellingen heeft verwezenlijkt. Tegenover deze omstandigheden staat in het onderhavige geval slechts, dat ING vanaf de oprichting van Libertel NV in 1995 tot 7 januari 1998 - welk tijdstip ruim gelegen is vóór de beursgang die de aanleiding vormde voor het verstrekken van de reischeques – een meerderheid van de aandelen van Libertel NV heeft gehouden. De verbondenheid die tussen ING, Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV heeft bestaan, is dan ook van een andere orde dan die welke tussen vorenbedoelde stichting en de groep ondernemingen heeft bestaan, zodat in casu voor een gelijkstelling met de situatie, bedoeld in het arrest van 1 november 2000 van de Hoge Raad, geen aanleiding is.

Nu niet is komen vast te staan, dat ING, Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV ten tijde van de beursgang dan wel ten tijde van het ter beschikking stellen van de reischeques tot hetzelfde concern behoorden en het beroep van verweerder op de uitspraak van 25 september 2003 van de Centrale Raad van Beroep niet kan worden gehonoreerd, is de rechtbank van oordeel, dat verweerder de reischeques, die door ING aan de werknemers van Libertel Verkoop en Services BV en Libertel Netwerk BV zijn verstrekt, ten onrechte heeft aangemerkt als loon in de zin van artikel 4 van de CSV. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de reischeques derhalve te beschouwen als prestaties van derden in de zin van artikel 7 van de CSV. Ingevolge artikel 1 van het besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 21 december 1989 moeten deze reischeques niet tot het loon worden gerekend, zodat verweerder ten onrechte correctienota’s heeft opgelegd met betrekking tot deze reischeques.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel, dat de bestreden besluiten voor zover daarbij is beslist op de bezwaren met betrekking tot de reischeques, niet in stand kunnen blijven vanwege strijd met artikel 4 en artikel 7, tweede lid, van de CSV jo artikel 4 van het Fooienbesluit 2002 en artikel 1 van het besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 21 december 1989.

II.7. De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien de beroepen kunnen worden aangemerkt als samenhangende zaken, worden deze ingevolge artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de toepassing van artikel 2 van dit Besluit beschouwd als één zaak.

De rechtbank kent 1 punt toe voor de indiening van de beroepschriften, 1 punt voor de verschijning ter zitting op 25 juni 2003 en 0,5 punt voor de verschijning ter zitting op 29 april 2004, waarbij 1 punt een waarde heeft van € 322,--. De rechtbank bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x € 322,-- x 1 = € 805,--.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten, voor zover daarbij is beslist op de bezwaren met betrekking tot de reischeques, en verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

2. draagt verweerder op om in zoverre met inachtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eiseres;

3. bepaalt dat aan eiseres de door haar betaalde griffierechten ten bedrage van 2 x € 218,-- = € 436,-- wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 805,-- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door voornoemde rechtspersoon aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens als voorzitter en mr. H.J.O. Martens en mr. M.C.A.E. van Binnebeke als leden, in tegenwoordigheid van H. Fokke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2004.

w.g. H. Fokke w.g. M. Span-Henkens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 19 mei 2004

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.