Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO9406

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
05-07-2004
Zaaknummer
AWB 03 / 465 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het verzoek om toekenning van studietijd is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 465 AW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van het Academisch Ziekenhuis Maastricht, gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 20 februari 2003

Kenmerk: B03.1.237.

Behandeling ter zitting: 18 maart 2004.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 20 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen een door de adjunct-directeur Behandel en Zorgeenheid genomen besluit van 7 oktober 2002, waarbij het verzoek om toekenning van studietijd is afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiseres op 1 april 2003 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 18 maart 2004, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. C. van der Steen, jurist bij CNV Publieke Zaak.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Leroi, mr. E.G. Doeleman,

A.P. Dansen MHA en drs. P.J. Boon.

II. OVERWEGINGEN.

1. De feiten.

Eiseres is als [functie] verbonden aan de afdeling [afdeling] van het Academisch Ziekenhuis Maastricht (azM). In de loop van 1999 heeft eiseres de wens geuit om zich nader te ontplooien middels de deeltijdopleiding Geestelijke Gezondheidskunde aan de faculteit Gezondheidswetenschappen Maastricht, met een wiskunde voortraject. In dit kader heeft eiseres verzocht om als loopbaankandidaat te worden aangemerkt.

In een schrijven van 16 maart 2000, gericht aan A. Leijten, adjunct-directeur Social Control, heeft [leidinggevende], dagelijks leidinggevende, eiseres aangemeld voor het loopbaantraject. In deze brief, met afschrift aan eiseres, valt onder meer het volgende te lezen:

“Eiseres heeft ons verzocht haar bij u aan te melden als loopbaankandidaat. Dit verzoek is meer in detail ook besproken in het met haar gevoerde jaargesprek december 1999. Hierover is eerder en ook recent overleg geweest met prof. Van den Hout, afdelingshoofd, en tevens met mw. E. Verheijen, personeelsconsulent.

In het bijzonder op grond van het met de personeelsconsulent gevoerde gesprek, en het door die verwoorde relevante azM beleid, hebben we besloten om aan het verzoek van eiseres gehoor te geven, en deze aanmelding bij u in gang te zetten, op de volgende voorwaarden.

Met eiseres is besproken dat nu binnen organisatie en beleid van de afdeling Medische Psychologie geen zicht op of vraag om een functie is die past bij het door haar voorgenomen loopbaantraject. Dat wil zeggen dat de afdeling Medische Psychologie geen nu voorspelbaar belang heeft bij deze studie.

Wel namen we met veel belangstelling kennis van het azM beleid terzake, dat volgens de personeelsconsulent voor dit soort gevallen voorziet in de afdelingsoverstijgende belangen van de azM organisatie als geheel.

De vraag aan u is derhalve om het verzoek van eiseres vanuit dat perspectief te beoordelen.

Onze voorwaarden, zoals met eiseres besproken, zijn dat de kosten van opleiding, zowel in termen van geld als van tijd niet ten laste van de afdeling Medische Psychologie zullen komen, en dat de patiëntenzorg die eiseres conform haar aanstelling verricht niet in het gedrang zal komen.”

De adjunct-directeur Social Control heeft het verzoek ingewilligd en eiseres als loopbaankandidaat bij het Mobiliteitscentrum aangemeld.

In vervolg hierop heeft A.P. Dansen, Zorgmanager Behandel- en Zorgeenheid, L.J.H.M. Brans Brabant, vice-voorzitter van de Raad van Bestuur, bij brief van 14 april 2000, waarvan afschrift aan eiseres, verzocht in te stemmen met een tegemoetkoming in de opleidingskosten van eiseres in het kader van de voorziening Sociaal Beleid en Reorganisatie (flankerend beleid). De vice-voorzitter heeft deze aanvraag vervolgens ter advisering voorgelegd aan de adjunct-directeur. De adjunct-directeur heeft vervolgens op 15 mei 2000 positief geadviseerd en conform de richtlijnen van het budget flankerend beleid voorgesteld de kosten voor de helft te vergoeden. Van deze brief is een afschrift aan eiseres gezonden. De vice-voorzitter van de Raad van Bestuur is vervolgens akkoord gegaan met dit voorstel om de studiekosten voor de helft te vergoeden ten laste van genoemde voorziening.

Bij brief van 16 oktober 2000 heeft de adjunct-directeur eiseres medegedeeld dat de aanvraag om vergoeding van studiekosten is goedgekeurd en de tegemoetkoming wordt gebaseerd op 50%. Voorts staat in de brief vermeld: “Voor de omschrijving van het begrip “studiekosten” wordt verwezen naar de Uitvoeringsregeling Scholing en Opleiding van het Rechtspositiereglement academische ziekenhuizen” (uitvoeringsregeling). Ook voor de terugbetalingsregeling wordt hiernaar verwezen.

Bij brief van 1 mei 2001 heeft eiseres verzocht om een toekenning van studietijd conform artikel 3.1 van de CAO Academische Ziekenhuizen (CAO-AZ).

Deze CAO-AZ vervangt sedert 2001 het Rechtspositiereglement Academische Ziekenhuizen (RRAZ) met de in brief van 16 oktober 2000 genoemde uitvoeringsregeling.

Bij brief van 8 mei 2001 heeft de dagelijks leidinggevende aan eiseres bericht dat hij het verzoek van eiseres inbrengt in het managementteam, met de aantekeningen dat het een voorstel betreft van de kant van eiseres om herziening van de met eiseres bestaande afspraken, dat het niet gaat om een correctie omdat eiseres onvoldoende was geïnformeerd en dat de bestaande afspraak van toepassing blijft namelijk dat de kosten van de opleiding in geld en tijd niet ten laste van de afdeling komen en dat de patiëntenzorg conform de aanstelling niet in het gedrang komt.

Bij schrijven van 14 augustus 2001 heeft de dagelijks leidinggevende aan eiseres medegedeeld dat eiseres’ verzoek na overleg in het managementteam en met de zorgmanager wordt afgewezen. De redenen van deze afwijzing zijn reeds mondeling aan eiseres medegedeeld en hebben samengevat te maken met het afgeronde karakter van de destijds gemaakte afspraken, het misverstand in de brief van 1 mei 2001 omtrent de CAO-AZ, en de praktische last die toekenning van studietijd voor de afdeling zou betekenen. Dit betekent dat de oorspronkelijke afspraken van maart 2000 ongewijzigd van toepassing blijven.

Bij brief van 2 oktober 2001 heeft eiseres aangegeven zich niet in de afwijzing te kunnen vinden. Aangevoerd is onder meer dat in de brief van 16 maart 2000 (de rechtbank leest: 16 oktober 2000) wordt verwezen naar de uitvoeringsregeling, in welke regeling staat vermeld dat de kosten en tijdsbeslag van de scholing voor de helft voor rekening van de werknemer komen, tenzij daarover aanvullende afspraken zijn gemaakt. Artikel 3 van de CAO-AZ wordt binnen het azM verschillend geïnterpreteerd. Eiseres verzoekt om duidelijkheid en om alsnog toekenning van studietijd.

Bij primair besluit van 7 oktober 2002 heeft de adjunct-directeur eiseres medegedeeld dat op basis van de CAO-AZ eiseres een bedrag als tegemoetkoming in de studiekosten is toegekend. Met eiseres is tevens afgesproken dat de studie geheel in eigen tijd gevolgd zou worden. Daarbij is tevens afgesproken dat eiseres haar werktijd gedurende haar studie mag vervullen in een weekrooster van 4 x 9 uren. De reden dat eiseres geen studietijd tijdens werktijd wordt verleend is gebaseerd op het feit dat er binnen de afdeling naar verwachting geen functie beschikbaar zal komen die aansluit bij haar studie. De loopbaanperspectieven zullen dan ook met grote zekerheid gericht moeten zijn op buiten de afdeling. Op grond hiervan is de tegemoetkoming in de kosten van de studie meer een voorrecht dan een recht en hoeft de 50/50 regel niet toegepast te worden. Momenteel wordt bovenstaande redenatie door de Vereniging Academische Ziekenhuizen (VAZ) getoetst.

Bij brief van 15 november 2002 is namens eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Daarbij is aangevoerd dat eiseres op grond van de CAO-AZ recht heeft op minstens 50% tegemoetkoming in studietijd. Haar studie is een logische en relevante studie in relatie tot haar werk en werkomgeving.

Eiseres en haar gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 17 januari 2003 op het bezwaar te worden gehoord door de Bezwaarcommissie Awb azM (hierna: bezwarencommissie). Bij die gelegenheid is onder meer naar voren gebracht niet relevant is dat er binnen de afdeling geen perspectief is.

De bezwarencommissie heeft verweerder op 6 februari 2003 geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren omdat -kortweg- niet is gebleken dat eiseres is medegedeeld dat de verleende studiefaciliteiten zijn toegekend op basis van bestaand (flankerend) beleid zodat eiseres er vanuit mocht gaan dat de studiefaciliteiten aan haar zijn verleend op grond van de CAO-AZ.

2. Het besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, ongegrond verklaard.

Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat de dagelijks leidinggevende eiseres van meet af aan zowel mondeling als schriftelijk heeft medegedeeld dat binnen de afdeling geen zicht op of vraag naar een functie is die past bij het door eiseres voorgenomen loopbaantraject. Met eiseres is nimmer de afspraak gemaakt dat er faciliteiten in tijd zouden worden verleend en evenmin heeft eiseres hiertegen destijds bezwaar gemaakt.

3. Het beroep.

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aangevoerd dat eiseres met verweerder nooit de afspraak heeft gemaakt dat zij haar studie in eigen tijd zou volgen. Een dergelijke afspraak zou ook in strijd zijn met het bepaalde in de CAO-AZ. Een loopbaankandidatuur is altijd afdelingsoverstijgend. Overigens worden er jaarlijks op haar afdeling en op andere afdelingen vacatures opengesteld, waarin de opleiding die eiseres volgt als opleidingseis wordt gesteld.

Gevorderd wordt een gegrondverklaring van het beroep met vernietiging van het bestreden besluit. Verzocht wordt te bepalen dat een nieuw besluit wordt genomen en een kostenveroordeling van verweerder.

4. De beoordeling.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 3.1, lid 2, van de CAO-AZ heeft de medewerker er recht op scholing en opleiding te volgen voor de uitoefening van een andere functie dan die welke hij uitoefent, als dat past in zijn loopbaanvooruitzicht en daarover afspraken zijn gemaakt in het jaargesprek bedoeld in artikel 3.3.1.

Ingevolge artikel 3.1, lid 7, van de CAO-AZ komen de kosten en het tijdsbeslag van de scholing bedoeld in lid 2, voorzover deze daadwerkelijk en in redelijkheid tot de opleiding kunnen worden gerekend, voor de helft voor rekening van de medewerker, tenzij in het jaargesprek hierover een aanvullende afspraak is gemaakt.

Daarnaast voert verweerder het volgende lokale beleid:

In de Beleidsbrief Personele Uitvoering worden onder het hoofdstuk “Opleidingen” drie soorten opleidingen onderscheiden, waaronder ontplooiingsopleidingen teneinde in individuele loopbaantrajecten ontwikkeling mogelijk te maken. In de voorziening Sociaal Beleid en Reorganisatie is een bedrag van ƒ 500 000,- uitgetrokken voor ontplooiingsopleidingen. Aanvragen voor ontplooiingsopleidingen dienen door het decentrale management ingediend te worden bij de adjunct-directeur Social Control.

Tijdens onder andere jaargesprekken kunnen individuele opleidingswensen kenbaar gemaakt worden.

Verweerder heeft geweigerd eiseres faciliteiten in tijd toe te kennen. Volgens verweerder is geen sprake van een opleiding c.q. scholing als bedoeld in artikel 3.1 van de CAO-AZ, maar van specifiek azM-beleid als bedoeld in de voorziening Sociaal Beleid en Reorganisatie, waarbij de met eiseres gemaakte afspraak doorslaggevend is.

Van de kant van eiseres is daartegen ingebracht dat eiseres er vanuit mocht gaan dat wel sprake is van een opleiding als bedoeld in artikel 3.1 van de CAO-AZ, zodat eiseres op grond van artikel 3.1, lid 7, van de CAO-AZ recht heeft op studietijd.

De rechtbank constateert dat in het primaire besluit is opgemerkt dat de studiefaciliteiten zijn verleend gebaseerd op artikel 3.1, lid 7, van de CAO-AZ. De rechtbank is evenwel van oordeel dat hieruit niet voortvloeit dat eiseres aanspraak heeft 50% tegemoetkoming in studietijd.

In artikel 3.1, lid 7, van de CAO-AZ is immers bepaald dat de 50/50 regel niet geldt indien hierover in het jaargesprek een aanvullende afspraak is gemaakt. Niet is gebleken dat deze aanvullende afspraken met eiseres zijn gemaakt. Wel is eiseres ingelicht dat de afdeling geen belang heeft bij de studie van eiseres. Nu met eiseres geen loopbaanvooruitzichten zijn gemaakt en evenmin afspraken hierover in het jaargesprek, heeft eiseres geen recht scholing en opleiding te volgen als bedoeld in artikel 3.1, lid 2, van de CAO-AZ.

Om eiseres tegemoet te komen, is eiseres aangemeld als loopbaankandidaat bij het mobiliteitscentrum. Dit, op basis van een apart van de CAO voorziening bestaand azM-beleid, gefinancierd uit een apart budget, te weten het budget flankerend beleid. De rechtbank is van oordeel dat omtrent deze aanmelding geen onduidelijkheid kan bestaan. Uit de stukken blijkt immers dat verweerder vanaf het begin heeft aangegeven dat het azM-beleid van toepassing is. Overigens heeft eiseres in haar brief van 2 oktober 2001 opgemerkt dat de aanmelding als loopbaankandidaat is gerealiseerd in het perspectief van het azM-beleid. Deze bewoordingen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden opgevat dan dat eiseres ermee bekend was dat louter het azM-beleid speelde. Voorts staat vast dat eiseres nimmer bedenkingen heeft geuit tegen het in de stukken neergelegde verzoek op basis van het azM-beleid.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder voor de invulling van dit azM-beleid voor wat betreft het toekennen van studiekosten aanknoopt bij de CAO-AZ, hetgeen bovenstaande constatering verklaart. De vraag dringt zich vervolgens op of verweerder ten aanzien van de studietijd niet eveneens had dienen aan te knopen bij de CAO-AZ.

Het azM-beleid is een beleid van verweerder welke in gunstige zin afwijkt van de CAO in die zin dat medewerkers die niet in aanmerking komen voor een opleiding c.q. scholing als bedoeld in artikel 3.1, lid 2, van de CAO-AZ toch kunnen worden geholpen aan faciliteiten. Verweerder heeft bij de invulling van het azM-beleid een discretionaire bevoegdheid. Ten aanzien van het door verweerder gebruik maken van bovenvermelde bevoegdheid is van belang dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit(onderdeel). Verweerders besluit terzake dient dezerzijds dan ook te worden gerespecteerd, tenzij gezegd moet worden dat verweerder bij de uitoefening van die bevoegdheid in strijd heeft gehandeld met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daarbij dient de rechtbank zich, gelet op artikel 3:4 tweede lid van de Awb, te beperken tot de vraag of sprake is van zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

De rechtbank is van oordeel dat het verweerder in gevallen waarin niet aan de toelatingscriteria als genoemd in artikel 3.1 lid 2 van de CAO is voldaan, vrijstaat voor wat betreft de studiekosten aan te knopen bij de CAO-AZ. Ten aanzien van de studietijd is hiervan afgezien en wel om de reden dat met eiseres in het begin afspraken zijn gemaakt, te weten dat de opleiding niet ten laste van de afdeling mag komen. Gelet op de stukken is de rechtbank van oordeel dat verweerder hierin duidelijk is geweest en dat niet gebleken is dat verweerder hierop op enig moment is teruggekomen dan wel anderszins toezeggingen jegens eiseres heeft gedaan.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan eiseres geen studietijd wordt verleend.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat bij eiseres verwarring is ontstaan omdat in de brief van 16 oktober 2000 melding is gemaakt van de CAO-AZ, kan redelijkerwijs niet worden volgehouden dat bij eiseres op basis van deze brief het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de aanmelding zou zijn gebaseerd op de CAO-AZ. In deze brief wordt immers uitsluitend voor wat betreft een begripsomschrijving verwezen naar de CAO-AZ. Wel acht de rechtbank de vermelding van de CAO-AZ in het primaire besluit van 7 oktober 2002 ongelukkig. Echter, gelet op alle feiten en omstandigheden alsmede hetgeen overigens in het besluit van 7 oktober 2002 staat vermeld, kan ook op grond hiervan niet worden volgehouden dat eiseres er vanuit mocht gaan dat aan haar studietijd zou worden toegekend.

De rechtbank concludeert dat van de kant van verweerder van meet af aan duidelijk is aangegeven dat het azM-beleid van toepassing is. Er is dan ook geen sprake van opleiding c.q. scholing als bedoeld in artikel 3.1, lid 2, van de CAO-AZ. Verweerder was dan ook niet gehouden om uitvoering te geven aan artikel 3.1, lid 7, van de CAO waarin de 50/50 regel is neergelegd. Weliswaar heeft verweerder in de periode daarna zelf enige onduidelijkheid geschapen, echter niet zodanig dat op basis daarvan moet worden aangenomen dat eiseres er in gerechtvaardigd vertrouwen vanuit mocht gaan dat het azM-beleid niet (meer) aan de orde was c.q. voor de studietijd moet worden aangeknoopt bij artikel 3.1, lid 7, van de CAO-AZ.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is niet onderbouwd en dient hierom te falen.

Het verzoek van eiseres in haar brief van 1 mei 2003 is terecht aangemerkt als een verzoek om terug te komen op eerder gemaakte afspraken. Van de kant van verweerder is, na overleg, besloten dit verzoek niet in te willigen. Het verzoek dient te worden beoordeeld in het kader van het azM-beleid.

Ook hier is sprake van een terughoudende toetsing.

De rechtbank acht het standpunt van verweerder dat in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding wordt gezien om eiseres nochtans, in afwijking van de gemaakte afspraken, wel studietijd toe te kennen, niet onredelijk. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat met eiseres nooit de afspraak is gemaakt dat er faciliteiten in geld noch in tijd zouden worden verleend. Aan de omstandigheid dat eiseres op enig moment wel studiekosten zijn verstrekt, kan eiseres geen recht op studietijd ontlenen. De studiekosten dienen immers veeleer als een voorrecht te worden beschouwd.

De aanmelding op zich als loopbaankandidaat in het kader van het lokale beleid betekent evenmin dat eiseres recht heeft op faciliteiten. Daarbij is ter zitting namens verweerder uiteengezet dat de toekenning van de gevraagde studietijd in geld neerkomt op een aanzienlijk bedrag en dat rekening dient te worden gehouden met precedentwerking.

De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder niet in redelijkheid tot het oordeel is kunnen komen om eiseres geen faciliteiten in tijd toe te kennen.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. van Neer

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2004 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. I. van Neer w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:23 april 2004

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.