Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO9328

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/375 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2002 heeft verweerder, met toepassing van artikel 19, lid E, van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening van het Bestemmingsplan Brommelen Westbroek’ behorende planvoorschriften juncto artikel 15 van de WRO, (B) vrijstelling verleend van die planvoorschriften ten behoeve van het vestigen van een schildersbedrijf in een bijgebouw van het woonhuis op het perceel (A-straat) 41B te Geulle.

Dit besluit is op 23 oktober 2002 gepubliceerd in voornoemd huis-aan-huisblad.

Aangezien eiser zich met verweerders besluit van 15 oktober 2002 niet heeft kunnen verenigen, heeft hij bij schrijven van 22 november 2002 van zijn gemachtigde –tijdig– bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dat besluit. De gronden van dat bezwaar zijn bij schrijven van 30 december 2002 van de gemachtigde van eiser aangevuld.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AT3266.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2004/2901

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 375 WRO

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[A], wonende te Geulle, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 11 maart 2003.

Kenmerk: 2003/2088.

Behandeling ter zitting: 15 april 2004.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 11 maart 2003 (verzonden op 13 maart 2003), heeft verweerder het namens eiser gemaakte bezwaar tegen zijn –verweerders– besluit van

15 oktober 2002 (verzonden op 22 oktober 2002) ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij schrijven van 19 maart 2003 van zijn gemachtigde bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 11 maart 2003. De gronden van dat beroep zijn bij schrijven van 3 april 2003 van de gemachtigde van eiser nader aangevuld.

Bij schrijven van 7 mei 2003 (verzonden op 8 mei 2003) heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Dat verweerschrift en de door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: de Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Bij schrijven van 13 mei 2003 is dh[B], wonende te [A-straat] 41B te Geulle (hierna te noemen: [B]), in de gelegenheid gesteld om als partij ex artikel 8:26 van de Awb aan het geding deel te nemen, doch van deze gelegenheid heeft [B] geen gebruik gemaakt.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 april 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen. Hij werd bijgestaan door zijn –huidige– gemachtigde, mr. J.P. Geertsema, advocaat te Sittard.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde: drs. R.L.M. Baltesen.

II. OVERWEGINGEN

Eiser is woonachtig op het perceel [A-straat] 43 te Geulle. Aan de, vanaf [A-straat] gezien, linkerkant van dat perceel is het perceel [A-straat] 41B gelegen. Op dat perceel woont [B]. Voornoemde percelen worden van elkaar gescheiden door de [B-straat].

Het perceel [A-straat] 41B te Geulle is gelegen binnen het, ter plaatse vigerende, bestemmingsplan ‘Herziening van het Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’. Dat plan is bij besluit van 1 september 1981 van de raad van de –voormalige– gemeente Geulle vastgesteld en bij besluit van 1 februari 1983 van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg goedgekeurd, waarna het op 4 maart 1983 in werking is getreden.

Blijkens de bij voornoemd bestemmingsplan behorende plankaart rusten –voorzover thans van belang– op het perceel [A-straat] 41B te Geulle de bestemmingen ‘bebouwingsklasse B’ en ‘tuin’.

Op 6 januari 1998 heeft [B] aan verweerder een vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zoals die wet luidde tot 1 januari 2003, gevraagd voor het oprichten van een carport en een berging op het tot ‘tuin’ bestemde gedeelte van het perceel [A-straat] 41B te Geulle. Dat gedeelte bevindt zich aan de, vanaf [A-straat] gezien, rechterkant (zijnde de aan de [B-straat] grenzende kant) van voornoemd perceel.

Verweerder heeft dat bouwplan in strijd geacht met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Herziening van het Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’, in welk kader hij bij besluit van 16 juni 1998 (verzonden op 18 juni 1998) op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna te noemen: de WRO) ten behoeve van dat bouwplan vrijstelling heeft verleend van voornoemd bestemmingsplan. Tevens heeft verweerder bij voornoemd besluit de door [B] aangevraagde bouwvergunning verleend. Tegen dat besluit zijn –naar de rechtbank begrijpt– geen rechtsmiddelen aangewend.

[B] heeft het hierboven nader omschreven bouwplan vervolgens gerealiseerd.

Omstreeks 29 januari 2002 heeft er, naar aanleiding van een klacht van eiser, een controlebezoek plaatsgevonden op het perceel [A-straat] 41B te Geulle. Tijdens dit bezoek is geconstateerd dat door [B] bedrijfsmatige activiteiten (schildersbedrijf) worden ontplooid vanuit de, zich op dat perceel bevindende, berging.

Bij schrijven van 6 februari 2002 (verzonden op 7 februari 2002) is [B] in het kader van een onderzoek naar de mogelijkheid tot legalisering van voornoemde activiteiten in de gelegenheid gesteld om vrijstelling te vragen voor het uitoefenen van een bedrijf in/bij de woning op het perceel [A-straat] 41B te Geulle.

Daarop heeft [B] verweerder, middels het daartoe strekkende aanvraagformulier, op 13 februari 2002 verzocht om vrijstelling voor het vestigen van een schildersbedrijf in de berging op het perceel [A-straat] 41B te Geulle. Op voornoemd formulier heeft [B] aangegeven dat de door hem voorgestane bedrijfsactiviteiten bestaan uit het opslaan van verfspullen en gereedschappen en dat de schilderwerkzaamheden zelf bij de klant worden uitgevoerd.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, lid D, van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening van het Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’ behorende planvoorschriften heeft verweerder zijn voornemen om medewerking te verlenen aan de aanvraag om vrijstelling van [B], gepubliceerd in het in zijn gemeente verschijnend huis-aan-huisblad ‘De Geulbode’ van 26 juni 2002. In die publicatie is tevens mededeling gedaan van de mogelijkheid voor belanghebbenden om gedurende de termijn van tervisielegging schriftelijke zienswijzen in te dienen.

Het verzoek om vrijstelling van [B] en verweerders voornemen om dat verzoek te honoreren hebben met ingang van 27 juni 2002 gedurende een termijn van vier weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn heeft niemand gebruik gemaakt van de mogelijkheid om terzake van dat voornemen schriftelijke zienswijzen in te dienen.

Bij besluit van 15 oktober 2002 (verzonden op 22 oktober 2002) heeft verweerder, met toepassing van artikel 19, lid E, van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening van het Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’ behorende planvoorschriften juncto artikel 15 van de WRO, [B] vrijstelling verleend van die planvoorschriften ten behoeve van het vestigen van een schildersbedrijf in een bijgebouw van het woonhuis op het perceel [A-straat] 41B te Geulle.

Dit besluit is op 23 oktober 2002 gepubliceerd in voornoemd huis-aan-huisblad.

Aangezien eiser zich met verweerders besluit van 15 oktober 2002 niet heeft kunnen verenigen, heeft hij bij schrijven van 22 november 2002 van zijn gemachtigde –tijdig– bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dat besluit. De gronden van dat bezwaar zijn bij schrijven van 30 december 2002 van de gemachtigde van eiser aangevuld.

Het bezwaarschrift van eiser is voor advies in handen gesteld van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaarschriften, een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb.

Op 13 februari 2002 heeft ten overstaan van voornoemde commissie een hoorzitting plaatsgevonden, tijdens welke zitting eiser gebruik heeft gemaakt van het aan hem toekomende recht om op zijn bezwaar te worden gehoord. Van die hoorzitting is een verslag opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

De Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaarschriften heeft verweerder op 13 februari 2002 geadviseerd eisers bezwaarschrift ontvankelijk te verklaren en zijn bezwaren ongegrond te verklaren.

Bij het thans bestreden besluit van 11 maart 2003 (verzonden op 13 maart 2003) heeft verweerder op het bezwaarschrift van eiser besloten overeenkomstig het advies van meergenoemde commissie.

Eiser heeft zich met laatstgenoemd besluit evenmin kunnen verenigen, weshalve hij bij schrijven van 19 maart 2003 van zijn gemachtigde –tijdig– bij deze rechtbank beroep heeft ingesteld tegen dat besluit. De gronden van dat beroep zijn bij schrijven van 3 april 2003 van de gemachtigde van eiser nader aangevuld.

In beroep is namens eiser aangevoerd dat de vrijstellingsbepaling van artikel 19, lid E, van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening van het Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’ behorende planvoorschriften verbindende kracht mist, althans buiten toepassing gelaten dient te worden, omdat voornoemd artikel in strijd is met artikel 15 van de WRO, althans het rechtszekerheidsbeginsel.

Voorts is namens eiser in beroep aangevoerd dat hij hinder ondervindt van het in de berging op het perceel [A-straat] 41B te Geulle gevestigde schildersbedrijf en dat die hinder bestaat uit: hinder vanwege verven, schuren, zagen en slijpen, hinder door gooien met steigermateriaal en ladders en hinder van uitlaatgassen van de bestelbus van het schildersbedrijf. Eiser is van mening dat het thans bestreden besluit van 11 maart 2003 zeker op bovenstaande aspecten onvoldoende gemotiveerd is.

Daarnaast betwijfelt eiser of er, zoals verweerder in het thans bestreden besluit stelt, geen sprake is van een meldingplichtig bedrijf op grond van de Wet Milieubeheer.

Volgens eiser is het thans bestreden besluit ook in strijd met de Beleidsnotitie die verweerder hanteert bij het verlenen van vrijstellingen op basis van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening van het Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’ behorende planvoorschriften

Tot slot is namens eiser in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen voorwaarden heeft gesteld met betrekking tot de vastlegging van werktijden, beperking van emissies (geluid, stof, geur) naar de omgeving en wellicht ook de frequentie en plaats van laden en lossen.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of, zoals eiser stelt, de vrijstellingsbepaling van artikel 19, lid E, van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening van het Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’ behorende planvoorschriften in strijd is met artikel 15 van de WRO en mitsdien verbindende kracht mist, althans buiten toepassing gelaten dient te worden.

Artikel 19, lid E, van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening van het Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’ behorende planvoorschriften bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn vrijstelling te verlenen van –voorzover thans van belang– de bestemming tuin als bedoeld in artikel 14 voor het uitoefenen van een bedrijf, ambacht –niet detailhandel zijnde– met dien verstande dat:

1. maximaal 20% van de begane grondvloeroppervlakte van een woning inclusief het bijbehorende bijgebouw tot een maximum van 50 m2 als zodanig mag worden gebruikt;

2. de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt beïnvloed;

3. geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ter plaatse ontstaan of kunnen ontstaan;

4. de Inspecteur van de Volksgezondheid belast met het toezicht op de hygiëne van het milieu ter zake is gehoord.

Artikel 15 van de WRO bepaalt –voorzover thans van belang– in het eerste lid dat bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van de in het plan vervatte regelen bevoegd zijn:

a. van bij het plan aan te geven voorschriften vrijstelling te verlenen;

b. ten opzichte van in het plan omschreven punten nadere eisen te stellen.

Zoals door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State reeds eerder is overwogen (zie

–onder meer– haar uitspraak van 2 juni 1994 (AB 1994/648) en die van 3 juni 1996 (BR 1996/897)), wordt blijkens de wetgeschiedenis met artikel 15 van de WRO beoogd burgemeester en wethouders de bevoegdheid te geven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Uit deze bepaling vloeit voort dat de in een bestemmingsplan vervatte vrijstellingsregeling er slechts toe kan strekken dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van de planvoorschriften en niet van de op de plankaart aangegeven bestemmingen. Een vrijstellingsregeling mag evenmin tot effect hebben dat de bestemming van de grond wordt gewijzigd. Voor het wijzigen van de bestemming op ondergeschikte onderdelen is toepassing van een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 van de WRO het geëigende instrument.

Toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19, lid E, van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’ behorende planvoorschriften ten behoeve van het vestigen van een schildersbedrijf in de berging op het perceel [A-straat] 41B te Geulle, komt er op neer dat de aan een gedeelte van dat perceel toegekende bestemming ‘tuin’ wordt gewijzigd in een bestemming terzake van bedrijven/ambachten. Naar het oordeel van de rechtbank gaat een zodanige wijziging, gelet op voormelde uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, het toepassingsbereik van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO te buiten.

Terzake heeft verweerder ter zitting evenwel gesteld dat niet de bestemming, maar het gebruik van de berging op het perceel [A-straat] 41B te Geulle wordt gewijzigd, doch deze stelling kan hem niet baten. Verweerder heeft [B] immers op grond van artikel 19, lid E, van de bij voornoemd bestemmingsplan behorende planvoorschriften vrijstelling verleend voor het vestigen van een schildersbedrijf in de berging op dat perceel en die bepaling biedt de mogelijkheid om vrijstelling te verlenen van de bestemming tuin.

Ook verweerders, ter zitting geponeerde, stelling dat de hoofdfunctie ‘wonen’ op voornoemd perceel ondanks het thans bestreden besluit gehandhaafd blijft, kan hem niet baten, nu artikel 19, lid E, van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’ behorende planvoorschriften voor het verlenen van vrijstelling op grond van die bepaling niet vereist dat voornoemde functie gehandhaafd blijft. Bovendien doet vorenbedoelde handhaving niets af aan het feit dat de bestemming van de berging op dat perceel wordt gewijzigd.

Gelet op het vorenoverwogene, is de rechtbank van oordeel dat artikel 19, lid E, van de bij het bestemmingsplan ‘Herziening Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’ in strijd is met het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de WRO, weshalve eerstgenoemd artikel verbindende kracht mist. Het thans bestreden besluit van 11 maart 2003 zal dan ook niet in stand kunnen blijven. Het namens eiser ingestelde beroep tegen dat besluit is dan ook gegrond, in welk kader voornoemd besluit dient te worden vernietigd.

De overige, namens eiser aangevoerde, gronden behoeven, gelet op het vorenoverwogene, in dit geding geen bespreking.

Voor de goede orde merkt de rechtbank in dit geding nog op dat het vorenoverwogene niet impliceert dat verweerder niet kan overwegen om [B] voor de door hem voorgestane vestiging van een schildersbedrijf in de berging op het perceel [A-straat] 41B te Geulle op grond van artikel 19 van de WRO vrijstelling te verlenen van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Herziening Bestemmingsplan Brommelen [A-straat]’.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: het Bpb).

De rechtbank kent terzake 2 punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve € 644,-- (2 x 1 x € 322,--).

De door eiser geclaimde andere kosten (zoals –naar de rechtbank begrijpt– reiskosten, frankeerkosten en kopieerkosten) zijn niet met bescheiden onderbouwd en zullen dan ook worden afgewezen.

Van andere, ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende, kosten is niet gebleken.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het namens eiser ingestelde beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 11 maart 2003;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiser;

3. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te betalen door de gemeente Meerssen aan de griffier van de rechtbank Maastricht;

4. bepaalt dat voormelde rechtspersoon aan eiser het door hem voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ten bedrage van € 116,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2004 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 3 mei 2004

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.