Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO9302

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
AWB 04 / 514 WRO VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Blijkens een aanvraag van 29 januari 2002 van de gemeente Schinnen (vergunninghouder) is aan verweerder verzocht om medewerking inzake de aanleg van een nieuw sportveld en een evenemententerrein aan de (A-weg) te Puth.

Vervolgens heeft verweerder na ontvangst van de op 12 februari 2004 afgegeven verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten van Limburg (GS) het thans bestreden besluit van 17 februari 2004 genomen, waarbij de gevraagde aanlegvergunning, respectievelijk op de voet van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 04 / 514 WRO VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

1) [A], wonende te Puth,

2) [B], wonende te Puth,

3) [C], wonende te Puth,

4) [D], wonende te Puth,

5) [E1] en [E2], wonende te Puth,

6) [F1] en [F2], wonende te Puth,

7) [G], wonende te Puth,

8) [H], wonende te Puth,

9) [I], wonende te Puth,

10) [J], wonende te Puth,

allen verzoekers,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Schinnen, gevestigd te Schinnen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 17 februari 2004.

Kenmerk: 2003/153.

Behandeling ter zitting: 27 april 2004.

I. PROCESLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 17 februari 2004 heeft verweerder vrijstelling ex artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor aanlegwerkzaamheden en een aanlegvergunning verleend voor de uitbreiding van het sportpark Puth met een voetbalveld en een evenemententerrein aan het kruispunt [A-straat] en [B-straat] te Puth, kadastraal bekend gemeente Schinnen, sectie G, nummer 740.

Tegen dit besluit is namens verzoekers bij schrijven van 22 maart 2004 bij verweerder een bezwaarschrift ingevolge de Awb ingediend. De gronden van bezwaar zijn nader aangevuld bij schrijven van 8 april 2004.

Bij schrijven van eveneens 8 april 2004 heeft de gemachtigde van verzoekers zich tevens gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met het verzoek ter zake van voormeld besluit een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoekers gezonden. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 27 april 2004, alwaar verzoekers zijn verschenen bij gemachtigde mevr. mr. J.M.E. Kessels, advocaat te Venlo en werkzaam voor het Bureau Rechtshulp Venlo. Tevens is in persoon verschenen verzoeker sub 5, de heer [E1]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer H.H. Christophe en mr. A.S.J.M. Jeurissen.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt, dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voor-lopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van verzoekers ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of verzoekers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.

Blijkens artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Vast staat dat verzoekers woonachtig zijn in de omgeving van de aanlegwerkzaamheden. De voorzieningenrechter is van oordeel – gelet op een ter zitting overgelegde overzichtskaart van de woonkern Puth – dat verzoekers sub 7, sub 8 en sub 10 niet als belanghebbende kunnen worden beschouwd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht opgemerkt dat de woningen van deze verzoekers op geruime afstand liggen van het betreffende terrein en dat deze verzoekers vanuit hun woning geen zicht hebben op dit terrein. Nu deze verzoekers onvoldoende belang hebben bij de verzochte voorlopige voorziening, dient hun verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De voorzieningenrechter acht de overige verzoekers, die woonachtig zijn aan de [A-straat] en de [C-straat], vooralsnog ontvankelijk in hun verzoek. De voorzieningenrechter gaat er wel vanuit dat verweerder bij het nemen van zijn beslissing op bezwaar de ontvankelijkheid van verzoekers sub 5 en sub 6 aan een nader onderzoek onderwerpt, nu er ten aanzien van deze verzoekers onduidelijkheid bestaat over het zicht dat zij hebben vanaf hun achterterrein op het aan te leggen voetbalveld en evenemententerrein.

Gelet op de omstandigheid dat de vergunninghouder, zijnde verweerders gemeente, voornemens is op korte termijn een aanvang te (doen) maken met de aanlegwerkzaamheden, acht de voorzieningenrechter voorts ook de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekers sub 1 tot en met sub 6 en sub 9 een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel de beslissing op bezwaar kunnen afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak zou kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Blijkens een aanvraag van 29 januari 2002 van de gemeente Schinnen (vergunninghouder) is aan verweerder verzocht om medewerking inzake de aanleg van een nieuw sportveld en een evenemententerrein aan de [A-straat] te Puth.

Niet in geding is dat voornoemd plan in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Buitengebied”; de van kracht zijnde bestemming van het desbetreffende perceel (“Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarde”) laat geen recreatieve doeleinden en sportvoorzieningen toe. Dit impliceert dat voor de uitvoering van het plan vereiste aanlegvergunning slechts kan worden verleend met toepassing van artikel 19 van de WRO.

Op 14 november 2002 heeft de gemeenteraad van verweerders gemeente besloten om de vrijstellingsprocedure ex artikel 19a, vierde lid, van de WRO op te starten ten behoeve van de aanleg van een voetbalveld met evenemententerrein. Het plan is vervolgens ter inzage gelegd met ingang van 12 december 2002. Binnen de daartoe gestelde termijn van vier weken zijn door – onder meer – verzoekers bedenkingen ingediend tegen het plan.

Vervolgens heeft verweerder na ontvangst van de op 12 februari 2004 afgegeven verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten van Limburg (GS) het thans bestreden besluit van 17 februari 2004 genomen, waarbij de gevraagde aanlegvergunning, respectievelijk op de voet van artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan is verleend.

Verzoekers hebben zich met dit besluit niet kunnen verenigen en hebben hiertegen een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Blijkens het gestelde in het bezwaarschrift komen de grieven van verzoekers op het volgende neer:

? verzoekers zijn van mening dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoende gemotiveerd is, niet gedateerd is en niet blijkt wie de opsteller van het stuk is;

? verzoekers zijn voorts van oordeel dat zowel GS als verweerder niet voldoende hebben aangetoond dat in het onderhavig geval sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk en economische belang, welke aantasting van de thans aanwezige natuurwaarden toestaat;

? verzoekers stellen dat verweerder niet voldoende aandacht heeft besteed aan de vraag of ontheffing van de Flora- en faunawet (Ffw) noodzakelijk is;

? verzoekers vragen zich voorts af of de compensatie-overeenkomst tussen de provincie Limburg en de verweerders gemeente voldoende zekerheid biedt aan derden om naleving van de compensatie af te dwingen.

Vervolgens hebben verzoekers de voorzieningenrechter van de rechtbank doen verzoeken terzake van het besluit van 17 februari 2004 een voorlopige voorziening te treffen. Verzocht is het besluit te schorsen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van Gedeputeerde Staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijke of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, danwel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

De raad van de gemeente Schinnen heeft de vrijstellingsbevoegdheid aan verweerder gedelegeerd zodat verweerder bevoegd was het onderhavige besluit te nemen.

Aan het gestelde in artikel 19 van de WRO is naar het (voorlopig) oordeel van de voorzieningenrechter derhalve voldaan.

In artikel 19a van de WRO staat de procedure vermeld die verweerder moet volgen alvorens hij de vrijstelling kan verlenen. Niet bestreden is, dat verweerder deze procedure op juiste wijze heeft gevolgd.

Beoordeeld dient allereerst te worden of het thans bestreden besluit is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing.

De wetgever heeft ervoor gekozen niet te bepalen wat de vorm dient te zijn van de ruimtelijke onderbouwing. Gelet op de parlementaire geschiedenis alsmede gelet op de onder artikel 19 van de WRO (oud) gevormde jurisprudentie, kunnen bij een meer ingrijpend project zowel qua omvang, als qua inhoud zwaardere eisen worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing. Uit de parlementaire geschiedenis valt voorts af te leiden dat de ruimtelijke onderbouwing in beginsel dient te zijn gebaseerd op eigen ruimtelijk beleid. Daarbij is de vorm niet bepalend.

Verweerder heeft in een notitie genaamd “Ruimtelijke onderbouwing aanleg voetbalveld en evenemententerrein Puth” de ruimtelijke onderbouwing van het litigieuze plan weergegeven.

De voorzieningenrechter is (voorlopig) van oordeel dat het bestreden besluit voorzover dat betrekking heeft op de aanleg van het voetbalveld, is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. In de hiervoor genoemde notitie is in voldoende mate aangegeven waarom juist op die plek aan de rand van de bebouwing van Puth en aansluitend aan het bestaande sportveld een tweede sportveld dient te worden gerealiseerd. Aangegeven is – onder andere – dat het aanleggen van een nieuw voetbalveld past in het gemeentelijk (ruimtelijk) beleid met betrekking tot centralisatie van sportvoorzieningen. Daarnaast is ingegaan op de ruimtelijke effecten van het plan op de directe omgeving.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat ten aanzien van het evenemententerrein een goede ruimtelijke onderbouwing ontbreekt. Voornoemde notitie gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor het merendeel over de aanleg van het nieuwe voetbalveld en niet over het evenemententerrein. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk gemaakt waarom er een dergelijk evenemententerrein naast het nieuw te realiseren sportterrein moet komen; er is bovendien onvoldoende uitgekristalliseerd wat voor een soort evenementen op dit terrein gaan plaatsvinden in combinatie met de (ruimtelijke) effecten daarvan op de omgeving, waarbij met name ook gedacht moet worden aan het waarborgen van de belangen van dieren.

Het ontbreken van de ruimtelijke onderbouwing van het evenemententerrein is naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zich zelf beschouwd voldoende reden om het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter merkt voorts op dat dit een gebrek is dat in beginsel in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld.

Uit onderzoeken die zijn uitgevoerd door Grontmij, die verweerder ter voorbereiding van het besluit heeft laten verrichten, is gebleken dat in het plangebied bijzondere diersoorten aanwezig zijn – te weten patrijs, geelgors en das – welke soorten eveneens staan vermeld op de provinciale Natuurcompensatieregeling. Op grond van deze laatste regeling mag de aanleg van de terreinen alleen plaatsvinden indien er bij deze aanleg: a) sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, b) er geen andere locatie mogelijk is waarbij geen natuurwaarden verloren gaan en c) er voldoende compensatie van de verloren gegane natuurwaarden plaatsvindt.

Anders dan verzoekers is de voorzieningenrechter van oordeel dat voor wat betreft het aan te leggen voetbalterrein er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang. Van de zijde van verweerder is in voldoende mate aangetoond dat deze uitbreiding met een extra voetbalveld noodzakelijk is voor de voetbalsport binnen verweerders gemeente in combinatie met de centrale ligging die de woonkern Puth in deze gemeente inneemt. De voorzieningenrechter is voorts gebleken dat voetballen een belangrijke plaats inneemt in het lokale verenigingsleven. Daarnaast kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter de voetballerij maatschappelijk gezien niet op één lijn worden gesteld met de golfsport, zodat een verwijzing naar de jurisprudentie dienaangaande niet opgaat.

Het zwaarwegend maatschappelijk belang van het evenemententerrein is niet, althans onvoldoende, door verweerder aangetoond. Ook dit is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een punt dat is te herstellen in bezwaar.

Ten aanzien van verzoekers stelling dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties, merkt de voorzieningenrechter op dat ter zitting gebleken is dat verweerder wel heeft gekeken naar de mogelijkheid om twee voetbalvelden op het bestaande voetbalterrein naast elkaar aan te leggen. Uit de voorhanden zijnde gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verweerder nader onderzoek heeft ingesteld naar andere locaties elders binnen de woonkern Puth of de gemeente Schinnen. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek het standpunt hebben kunnen innemen dat er geen alternatieven zijn voor de uitbreiding van het voetbalterrein. Een en ander geldt eveneens voor het aanleggen van het evenemententerrein.

Met betrekking tot de grief van verzoekers dat verweerder in het geheel niet heeft nagegaan of ontheffing dient te worden verleend op grond van het bepaalde in artikel 75 van de Flora- en faunawet, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de voorzieningenrechter staat vast dat op het terrein waar de aanlegwerkzaamheden zijn gepland, onder andere de das voorkomt, zijnde een diersoort die genoemd is in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en is aangewezen als diersoort van communautair belang die strikt beschermd moet worden. Nu op grond van artikel 75, vijfde lid, van de Flora- en faunawet voor de das een ontheffing moet worden aangevraagd en verkregen en vast staat dat dit ten tijde van het nemen van het thans bestreden besluit niet is gebeurd, is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig voorbereid en berust dit besluit in zoverre op een gebrekkige motivering.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gestart mag worden met de aanlegwerkzaamheden, voordat alle hiervoor genoemde gebreken zijn opgeheven. Indien dit het geval is, kan verweerder c.q. vergunninghouder zich opnieuw wenden tot de voorzieningenrechter met het verzoek om opheffing van de hierna opgelegde schorsing (artikel 8:87 van de Awb).

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die verzoekers in verband met de behandeling van het onderhavige verzoek redelijkerwijs hebben moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit pro-ceskosten bestuursrecht (Bpb). De voorzieningenrechter kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het verzoekschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Op grond van de artikelen 8:75, 8:82 en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

1. verklaart verzoekers sub 7, sub 8 en sub 10 niet-ontvankelijk in hun verzoek;

2. wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van de overige verzoekers toe in dier voege dat het bestreden besluit van 17 februari 2004 wordt geschorst;

3. bepaalt dat aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,-- wordt vergoed door de gemeente Schinnen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers be-groot op € 644,-- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Schinnen aan verzoekers.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2004 door mr. van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. D. Laeven w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 10 mei 2004

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.