Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO9277

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-04-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
AWB 04 / 242 WET VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Per brief is bij verweerder door de CAO-partijen (te weten: Transport en Logistiek Nederland, Goederenvervoer Nederland, Vereniging Verticaal Transport, FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond) registratie aangevraagd van de SOOB-CAO die geldt vanaf 1 januari 2003 tot en met 31 december 2008. Tevens is verzocht om een de bepalingen van deze SOOB-CAO algemeen verbindend te verklaren met ingang van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2008.

Later heeft verweerder bekend gemaakt dat een verzoek tot algemeen verbindend verklaring van de SOOB-CAO is aangevraagd en dat bedenkingen tegen dat verzoek kunnen worden ingediend tot en met 1 december 2003.

Op 24 november 2003 is door belanghebbende namens 23 transportondernemingen die als haar CAO-partij optreden, bij verweerder een bezwaarschrift c.q. verzoek binnengekomen tot dispensatie van de algemeen verbindend verklaring van de SOOB-CAO, gezien het feit dat de CAO-partijen overwegen een eigen bedrijfsfonds-CAO af te sluiten.

Op 1 december 2003 is per faxbrief door mr. Vallenduuk voor – op dat moment – 102 transportondernemingen, waaronder de 23 ondernemingen waarvoor belanghebbende om dispensatie heeft verzocht, een verzoek om (voorlopige) dispensatie van de algemeen verbindend verklaring van de SOOB-CAO gedaan, gezien het feit dat deze ondernemingen onder meer met belanghebbende in onderhandeling zijn over eigen bedrijfsfonds-CAO’s.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 04 / 242 WET VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

L.A.G.Transportbedrijf BV te Geleen, verzoekster,

en

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -Directie Wetgeving Bestuurlijke & Juridische Aangelegenheden-, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum bestreden besluit: 12 februari 2004.

Kenmerk: UAW/2003/92611 21-12; CAO nr. 357.

Behandeling ter zitting: 5 april 2004.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder bepalingen van de CAO Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Beroepsgoederenvervoer over de Weg en de Verhuur van Mobiele Kranen (hierna: SOOB-CAO) algemeen verbindend verklaard, waarbij voor 22 transportonder-nemingen een dispensatie is verleend.

Tegen dat besluit is namens verzoekster (en 33 andere bedrijven) bij brief van 18 februari 2004 bezwaar gemaakt door mr. J.B. Vallenduuk, advocaat te Haarlem.

Op 18 februari 2004 is bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek ingekomen tot het treffen van een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. De door verweerder ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoekster gezonden.

Bij brief van 29 maart 2004 heeft de Landelijke Bedrijfsorganisatie Verkeer zich als belanghebbende gesteld.

De stukken die in de loop van de procedure aan de rechtbank zijn gezonden, zijn in kopie aan de gemachtigden van partijen en belanghebbende verzonden.

Voormeld verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 5 april 2004, alwaar verzoekster is verschenen vertegenwoordigd door mr. R.L.G.J. Eikelboom, bedrijfsjurist, en is bijgestaan door haar gemachtigde mr. Vallenduuk.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. C.M.T. van de Veldt, medewerker van het Ministerie van SZW, en mr. D. Den Hertog, advocaat te ’s – Gravenhage.

De belanghebbende heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer [A], bijgestaan door mr. N. Mastilovic.

II. OVERWEGINGEN.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter stelt vast, dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu namens verzoekster bezwaar is gemaakt tegen verweerders besluit van 12 februari 2004 ter zake waarvan de voorlopige voorziening is gevraagd en de rechtbank Maastricht bevoegd kan worden geacht om van de (mogelijke) hoofdzaak kennis te nemen.

Tot het treffen van een voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld, dat zonder die voorziening het voor de betrokkene uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. In het kader van deze belangenafweging kan worden betrokken een voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter over het geschil in de hoofdzaak. Nu dit oordeel een voorlopig karakter heeft, is dit niet bindend in een mogelijke bodemprocedure.

De voorzieningenrechter is van oordeel, dat aan het vereiste van de spoedeisendheid is voldaan.

De feiten

Per brief van 2 september 2003 is bij verweerder door de CAO-partijen (te weten: Transport en Logistiek Nederland, Goederenvervoer Nederland, Vereniging Verticaal Transport, FNV Bondgenoten en CNV Bedrijvenbond) registratie aangevraagd van de SOOB-CAO die geldt vanaf 1 januari 2003 tot en met 31 december 2008. Tevens is verzocht om een de bepalingen van deze SOOB-CAO algemeen verbindend te verklaren met ingang van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2008.

Op 6 november 2003 heeft verweerder bekend genaakt dat een verzoek tot algemeen verbindend verklaring van de SOOB-CAO is aangevraagd en dat bedenkingen tegen dat verzoek kunnen worden ingediend tot en met 1 december 2003.

Op 24 november 2003 is door belanghebbende namens 23 transportondernemingen die als haar CAO-partij optreden, bij verweerder een bezwaarschrift c.q. verzoek binnengekomen tot dispensatie van de algemeen verbindend verklaring van de SOOB-CAO, gezien het feit dat de CAO-partijen overwegen een eigen bedrijfsfonds-CAO af te sluiten.

Op 1 december 2003 is per faxbrief door mr. Vallenduuk voor – op dat moment – 102 transportondernemingen, waaronder de 23 ondernemingen waarvoor belanghebbende om dispensatie heeft verzocht, een verzoek om (voorlopige) dispensatie van de algemeen verbindend verklaring van de SOOB-CAO gedaan, gezien het feit dat deze ondernemingen onder meer met belanghebbende in onderhandeling zijn over eigen bedrijfsfonds-CAO’s.

Bij (fax)brieven van 1, 8, 18, en 22 december 2003 heeft mr. Vallenduuk laten weten dat in de brieven met name genoemde bedrijven niet langer om dispensatie verzoeken.

Bij brief van 23 december 2003 hebben de SOOB-CAO partijen gereageerd op de bedenkingen c.q. verzoeken om dispensatie (stuk B-17). Kort samengevat komt de reactie neer op de vaststelling dat er geen inhoudelijke reactie kan worden gegeven nu er nog geen sprake is van bedrijfs-CAO’s. Voorts worden er kanttekeningen geplaatst bij de respresentativiteit van de betrokken werknemers-organisaties. Ook wordt opgemerkt een groot aantal bedrijven van de 102 die dispensatie vragen aangesloten zijn bij de SOOB-CAO partijen en daarom al geen dispensatie kunnen krijgen.

Bij besluit van 12 februari 2004 heeft verweerder besloten tot algemeen verbindend verklaring van bepalingen van de SOOB-CAO. Ten aanzien van het verzoek om dispensatie heeft verweerder bij brief van 12 februari 2003 belanghebbende en mr. Vallenduuk met betrekking tot het verzoek om dispensatie van de 22 ondernemingen (voorheen 23) waarvoor zowel belanghebbende als door mr. Vallenduuk om dispensatie is verzocht, medegedeeld dat tot 15 maart 2004 de algemeen verbindend verklaring op hen niet van toepassing zal zijn, teneinde partijen de gelegenheid te geven informatie te verschaffen over de structuur van de bedrijfs-CAO’s en de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen. Uitdrukkelijk wordt overwogen dat geen dispensatie kan worden verleend aan bedrijven die nog in onderhandeling zijn en waar nog geen sprake is van een rechtsgeldige bedrijfs-CAO.

Bij brief van 13 februari 2004 heeft mr. Vallenduuk bezwaar gemaakt tegen het niet verlenen van dispensatie voor de (50) bedrijven die nog in onderhandeling zijn. Niet zorgvuldig is dat er geen adequate termijn is gegeven voor het afhandelen en aanmelden van de bedrijfs-CAO’s.

Aangekondigd wordt dat bedoelde CAO’s binnen een week zullen worden aangemeld.

Bij brief van 16 februari 2004 heeft verweerder mr. Vallenduuk er op gewezen dat, gezien het feit dat op 12 februari 2004 er nog geen afgesloten en aangemelde rechtsgeldige bedrijfs-CAO’s waren, het verzoek om dispensatie voor de (50) betrokken bedrijven niet is gehonoreerd. Een en ander kan pas bij de volgende algemeen verbindend verklaring aan de orde komen.

Bij faxbrief van 18 februari 2004 heeft mr. Vallenduuk namens verzoekster en 46 andere bedrijven bezwaar aangetekend tegen de weigering dispensatie te verlenen bij beslissing van 12 februari 2004. Er is sprake van een onverhoedse afwijzing.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaar wordt verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam LJN-nummer AO1968. Voorts wordt aangevoerd dat in vrijheid rechtsgeldig afgesloten COA’s dienen voor te gaan op de algemeen verbindend verklaarde CAO. Verzoekster heeft tijdig bedenkingen ingediend met het oog op de nog te sluiten bedrijfs-CAO.

Wederom wordt aangekondigd dat de eigen bedrijfs-CAO’s op de kortst mogelijke termijn zullen worden aangemeld.

Het verzoekschrift is van gelijke strekking.

In het verweerschrift wordt ten aanzien van de ontvankelijkheid opgemerkt dat – gezien de jurisprudentie ter zake van het besluit tot algemeen verbindend verklaring van CAO-bepalingen – er sprake is van een algemeen verbindend voorschrift en dat de weigering dispensatie te verlenen een open, in abstracto omschreven groep betreft, zodat een dergelijk besluit te kenmerken is als een algemeen verbindend voorschrift.

Ten aanzien van het materiële geding wordt – kort samengevat – aangevoerd dat dispensatie-verlening op grond van de regelgeving alleen zou kunnen geschieden als er sprake is van een reeds bestaande rechtsgeldige bedrijfs-CAO. In casu is van een dergelijke CAO geen sprake.

De beoordeling

De voorzieningenrechter dient in dit geding allereerst te beoordelen of het verzoek ontvankelijk kan worden geacht.

De volgende bepalingen en het navolgende beleid zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter relevant.

Artikel 1:3 lid 1 Awb

Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 8:2 Awb

Geen beroep kan worden ingesteld tegen:

a. een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel,

b. een besluit, inhoudende de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, en

c. een besluit, inhoudende de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel.

Artikel 2 lid 1 en 2 Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (Wet AVV)

1. Onze Minister kan bepalingen van eene collectieve arbeidsovereenkomst, die in het geheele land of in een gedeelte des lands voor eene - naar zijn oordeel belangrijke - meerderheid van de in een bedrijf werkzame personen gelden, in het geheele land of in dat gedeelte des lands algemeen verbindend verklaren. Deze bepalingen zijn dan, behalve in de gevallen door Onzen Minister uitgezonderd, binnen dat gebied verbindend voor alle werkgevers en werknemers ten aanzien van arbeidsovereenkomsten, die naar den aard van den arbeid, waarop zij betrekking hebben, onder de collectieve arbeidsovereenkomst vallen of zouden vallen, hetzij deze arbeidsovereenkomsten op het tijdstip, waarop de werking der verbindendverklaring aanvangt, reeds gesloten zijn, hetzij zij daarna gesloten worden.

2. De verbindendverklaring geschiedt, behoudens voor fondsen, die uit hun aard een meer permanent karakter dragen en ten aanzien waarvan een langer tijdvak kan gelden, voor een tijdvak van ten hoogste twee jaren. Het tijdstip, waarop de werking der verbindendverklaring eindigt, kan daarbij niet later worden gesteld dan het vroegste tijdstip, waarop de collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij ingevolge het bij die overeenkomst bepaalde, hetzij ingevolge artikel 19 der Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst zou kunnen eindigen.

Toetsingskader Algemeen Verbindend Verklaring cao-bepalingen (Besluit van 2 december 1998, Stcrt. 1998, nr. 240, zoals gewijzigd bij besluit van 5 september 2001, Stcrt. 2001, nr. 173 en besluit van 14 juni 2002, Stcrt. 2002, nr. 114.)

2. Bereik van het instrument

[…]

Tegen een genomen avv-besluit is geen beroep mogelijk op grond van het overgangsrecht ten aanzien van artikel 8:2, aanhef, onder a en b, van de Algemene wet bestuursrecht. Indien cao-partijen in hun cao een dispensatiebepaling hebben opgenomen en daarvoor avv hebben aangevraagd en verkregen kan door ondernemingen die via avv aan de cao zijn gebonden een beroep op deze dispensatiebepaling worden gedaan.

[…]

3. De procedure

[…]

Bedenkingen in verband met een eigen rechtsgeldige ondernemings- of subsectorcao worden normalerwijze niet aan de Stichting van de Arbeid voorgelegd maar direct gehonoreerd (zie paragraaf 6.2).

[…]

6. Avv-beleid

Avv kan volgens de Memorie van Toelichting (MvT) van de Wet AVV geweigerd worden om gegronde redenen. De MvT vermeldt, niet limitatief, de volgende voorbeelden van algemene gronden voor weigering van avv.

1. in strijd met het recht (zie hiervoor);

2. in strijd met het algemeen belang;

3. te grote benadeling van de rechtmatige belangen van derden in de betrokken bedrijfstak of daarbuiten.

De vaststelling en uitvoering van het avv-beleid berust derhalve op een belangenafweging waarbij de maatschappelijke ontwikkelingen en opvattingen van de centrale werkgevers- en werknemersorganisaties betrokken worden. In het vervolg van deze paragraaf worden deze gronden nader toegelicht:

[…]

6.2 Te grote benadeling van de rechtmatige belangen van derden

[…]

Op schriftelijke mededeling van bedenkingen tegen AVV wordt dispensatie van het AVV-besluit verleend aan werkgevers die direct (niet door AVV) gebonden zijn aan een andere rechtsgeldige CAO. Dispensatie wordt eenmalig verleend, automatisch geldend bij iedere volgende aanmelding van de eigen rechtsgeldige ondernemings- of subsector- CAO met betrekking tot opvolgende AVV-verzoeken van de betreffende bedrijfstak-CAO of bedrijfstak-CAO’s. Hieraan is de voorwaarde verbonden dat sprake blijft van een eigen rechtsgeldige ondernemings- of subsector-CAO. De automatische dispensatie blijft gelden tot 1 jaar na het verstrijken van de einddatum van de eigen rechtsgeldige CAO. (Komt een dergelijke opvolgende CAO tot stand na het verstrijken van deze periode, dan dienen opnieuw bedenkingen ingediend te worden om opnieuw in aanmerking te komen voor automatische dispensatie). Bedenkingen in verband met een eigen rechtsgeldige ondernemings- of subsector-CAO, ingediend buiten de periode van tervisielegging, worden gehonoreerd door deze te beschouwen als zijnde bedenkingen tegen het eerstvolgende verzoek tot AVV van de toepasselijke CAO-bepalingen. Gedispenseerde CAO’s zullen in een dictum in het AVV-besluit worden genoemd. […].

Het begrip besluit omvat wat genoemd wordt een besluit van algemene strekking, zoals algemeen verbindende voorschriften. Onder een algemeen verbindend voorschrift dient te worden verstaan een naar buiten werkende voor de daarbij betrokkenen bindende (algemene) regel, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent (Derde tranche Awb, 23 700, nr. 3, pag. 105). In dit verband is van belang het zogenoemde verknooptheidcriterium. Dit houdt in dat een besluit dat op zichzelf beschouwd geen zelfstandige normstelling bevat zodanig met een algemeen verbindend voorschrift verknoopt is, dat het daarvan niet los kan worden gezien, zodat sprake is van een samenspel van algemeen verbindende voorschriften. Een verknoopt besluit is aldus niet appellabel.

Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat niet betwist wordt dat het besluit tot algemeen verbindend verklaring van de betreffende SOOB-CAO-bepalingen als zodanig geen zelfstandige rechtsnorm bevat, althans dat het rechtsgevolg is gelegen in de afbakening van de groep betrokkenen, namelijk dat verzoekster en de 33 (voorheen 46) andere bedrijven behoren tot de door de algemeen verbindend verklaring gebonden werkgevers, en tot gevolg heeft dat de betreffende CAO-bepalingen het karakter van algemeen verbinden voorschrift krijgen.

Verzoekster verzet zich blijkens het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting kortom niet tegen de algemeen verbindend verklaring van artikelen van de zogenoemde SOOB-CAO als zodanig, maar tegen het niet verlenen van een dispensatie aan haarzelf en 33 andere transportbedrijven, dat in de algemeen verbindend verklaring ligt besloten.

Aangevoerd wordt – kort samengevat – dat het niet verlenen van dispensatie dient te worden aangemerkt als een appellabel besluit in de zin van de algemene wet bestuursrecht, daartoe is verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam.

Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat het voorliggende besluit, gezien de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (vgl. AB 1999/16), een algemeen verbindend voorschrift inhoudt. Dit besluit valt aldus in beginsel binnen de reikwijdte van artikel 8:2 Awb en is derhalve niet vatbaar voor bezwaar en beroep.

Voorts ziet de voorzieningenrechter zich voor de vraag gesteld of bedoeld besluit niet tevens een primaire beslissing inhoudende een weigering bevat waartegen, gelet op het bepaalde in artikel 7:1 Awb, bezwaar dient te worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld.

Van een situatie vergelijkbaar met die welke door de rechtbanken Amsterdam en Almelo zijn beoordeeld is hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake, omdat in beide gedingen sprake was van een aangemelde rechtsgeldige CAO. De voorzieningenrechter merkt op dat vast staat dat verzoekster noch de overige 33 bedrijven op enig moment in de procedure inzake het verzoek om dispensatie onder de werking van een eigen aangemelde rechtsgeldige bedrijfs-CAO vielen.

Uit artikel 2 lid 1 Wet AVV en het Toetsingkader AVV vloeit voort dat betrokkenen gebonden zijn aan het algemeen verbindend voorschrift, tenzij er sprake is van een eigen aangemelde rechtsgeldige bedrijfs-CAO. Als er sprake is van een aangemelde rechtsgeldige bedrijfs-CAO dient te worden vastgesteld of de contractanten voldoen aan de eisen die het Toestingskader AVV aan hen stelt. Betrokkenen worden door verweerder in de gelegenheid gesteld hem daaromtrent te informeren. Voldoet men aan de normen wordt de dispensatie verleend.

Uit artikel 2 lid 1 Wet AVV en het Toetsingkader AVV vloeit tevens voort dat als er geen sprake is van een aangemelde rechtsgeldige eigen bedrijfs-CAO er geen besluit kan worden genomen over het al dan niet verlenen van (voorlopige) dispensatie. De betrokkenen die geen eigen rechtsgeldige bedrijfs-CAO heeft, valt daardoor automatisch onder de algemeen verbindend te verklaren CAO. Gezien het Toetsingskader AVV is op deze situatie geen uitzondering mogelijk.

De voorzieningenrechter overweegt dat er in de situatie van verzoekster in wezen sprake is van een situatie vergelijkbaar met het niet in behandeling nemen van een aanvraag, terwijl verzoekster in de gelegenheid is gesteld te voldoen aan de gestelde eis(en).

De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat er in het geval van verzoekster er geen besluit omtrent de dispensatie is genomen, omdat het niet kan worden genomen. Evenmin is er geweigerd een besluit te nemen.

Het besluit tot algemeen verbindend verklaren van bepalingen van de SOOB-CAO bevat aldus geen primair besluit als bedoeld in art. 1:3 Awb j° art. 7.1 Awb j° art. 8:1 Awb, zodat geen bezwaar of beroep mogelijk is.

Op grond van het boevenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Op grond van artikel 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

Verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. H.J.O. Martens in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2004 door mr. Martens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. van Binnebeke w.g. Martens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 7 mei 2004

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.