Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO8722

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-04-2004
Datum publicatie
03-05-2004
Zaaknummer
AWB 03/1359 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verweerder bij brief van 8 augustus 2001 bericht, dat zij op 22 juni 2001 in Marokko is gehuwd met (B) en dat het recht op Anw-uitkering komt te vervallen. Bij die brief heeft zij een kopie van de huwelijksakte gevoegd.

Bij besluit van 3 september 2001 heeft verweerder eiseres meegedeeld, dat haar recht op een nabestaandenuitkering op grond van de Anw op 30 juni 2001 eindigt, aangezien zij is getrouwd. Voorts heeft verweerder meegedeeld, dat tot het eind van augustus 2001 nog ten onrechte Anw-uitkering is betaald tot een bedrag van ƒ 3.700,66 (€ 1.679,29).

Tegen dat besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij brief heeft eiseres verweerder meegedeeld, dat haar huwelijk door de gemeente Geleen niet als wettig is erkend. Eiseres is daarom van mening, dat zij nog steeds moet worden aangemerkt als weduwe met het gevolg dat recht op een Anw-uitkering blijft bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 1359 ANW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[B] te [K], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank

- Vestiging Roermond - , gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 7 augustus 2003.

Kenmerk: MT0115190-6.

Behandeling ter zitting: 12 februari 2004.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 7 augustus 2003 heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaar-schrift van 3 januari 2002 tegen een door verweerder genomen besluit van 20 december 2001 gegrond ver-klaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inge-zonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 12 februari 2004, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoor-digen door mr. A.F.L.B. Metz, medewerker beroepszaken.

II. OVERWEGINGEN.

A. De feiten.

Verweerder heeft eiseres eertijds een weduwenpensioen op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet c.q. een nabestaanden-uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) toe-ge-kend.

Eiseres heeft verweerder bij brief van 8 augustus 2001 bericht, dat zij op 22 juni 2001 in Marokko is ge-huwd met [C] en dat het recht op Anw-uitkering komt te vervallen. Bij die brief heeft zij een kopie van de huwelijks-akte gevoegd.

Bij besluit van 3 september 2001 heeft verweerder eiseres mee-gedeeld, dat haar recht op een na-bestaandenuitkering op grond van de Anw op 30 juni 2001 eindigt, aangezien zij is getrouwd. Voorts heeft verweerder meegedeeld, dat tot het eind van augustus 2001 nog ten onrechte Anw-uitkering is betaald tot een bedrag van ƒ 3.700,66 (€ 1.679,29).

Tegen dat besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij brief van 3 september 2001 heeft verweerder eiseres medegedeeld, dat zij te veel Anw-uitkering heeft ontvangen en dat verweerder van plan is een bedrag van ƒ 3.700,66 van eiseres terug te vor-de-ren. Voorts is verweerder van plan haar een boete van ƒ 225,-- op te leggen, aangezien zij de wijzi-ging in haar persoonlijke omstandig-heden niet binnen vier weken aan verweerder heeft doorgegeven.

Bij besluit van 17 oktober 2001 heeft verweerder de ten onrechte uitbetaalde Anw-uitkering ten bedra-ge van ƒ 3.700,66 (€ 1.697,29) van eiseres teruggevorderd en haar een boete van ƒ 225,-- (€ 102,10) opgelegd. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete heeft verweerder er rekening mee gehouden dat zij de wijziging te laat, maar op eigen initiatief heeft doorgegeven.

Bij brief, bij verweerder ingekomen op 6 december 2001, heeft eiseres verweerder meegedeeld, dat haar huwelijk door de gemeente Geleen niet als wettig is erkend. Eiseres is daarom van mening, dat zij nog steeds moet worden aangemerkt als weduwe met het gevolg dat recht op een Anw-uitkering blijft bestaan. Bij die brief is een uittreksel van het bevolkingsregister gevoegd van 31 oktober 2001.

Bij besluit van 20 december 2001 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij geen aanspraak kan maken op een Anw-uitkering, omdat zij is getrouwd. Daarbij is overwogen dat buitenlandse huwelij-ken, gesloten naar het burgerlijk recht van het betreffende land, en huwelijken, die daarmee in dat land gelijk zijn te stellen, door verweerder als een rechtsgeldig huwelijk worden geaccepteerd. Niet van belang is of dat huwelijk in Nederland bij de burgerlijke stand is geregistreerd.

Bij brief van 3 januari 2002 heeft eiseres tegen voormeld besluit van 20 december 2001 bezwaar gemaakt. Daarbij is aangevoerd, dat de gemeente Sittard-Geleen heeft besloten het huwelijk tussen haar en de heer [C] (vooralsnog) niet te registreren. Reden hiervoor is dat bij de gemeente Sittard-Geleen het vermoeden bestaat dat er sprake is van een schijnhuwelijk. Omdat het huwelijk van eiseres in Nederland niet is geregistreerd, krijgt haar man geen toestemming om zich in Neder-land te vestigen. Ervan uitgaande dat verweerder de gemeentelijke basisadministratie (GBA) volgt,

is eiseres als Nederlandse voor de Nederlandse wet niet gehuwd en heeft ze recht op een Anw-uitkering. Daarom verzoekt zij om een herziening.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld om op het bezwaarschrift te worden gehoord. Zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Bij brief van 11 januari 2002 heeft eiseres nog aangevoerd, dat de Vreemde-lingendienst ervan uitgaat, dat er sprake is van een schijnhuwelijk. Indien de gemeente naar aanlei-ding van het bij de Burgerlijke Stand van Den Haag gevraagde advies ook in tweede instantie besluit de registratie van het huwelijk te weigeren, staat eiseres nog een beroepsmogelijkheid bij de recht-bank open. Mocht de rechter het huwelijk ook als schijnhuwelijk aanmerken, dan is eiseres voor de Nederlandse wet niet getrouwd en heeft zij recht op een nabestaandenuitkering.

Volgens mededeling van eiseres op 5 maart 2002 heeft de gemeente haar huwelijk op 14 februari 2002 geregistreerd. Zij wil nu echter niet meer gehuwd zijn, maar wel haar Anw-uitkering weer ont-vangen. Zij wil pas gehuwd zijn, als haar echtgenoot in Nederland is.

Bij besluit d.d. 22 maart 2002 heeft verweerder voormeld bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Gezien het feit dat het huwelijk volgens het Marokkaanse recht rechtsgeldig tot stand is gekomen en het huwelijk op 14 februari 2002 is ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie, komt verweerder tot de conclusie dat het huwelijk van eiseres met de heer [C] rechtsgeldig is en derhalve grond is voor beëindiging van haar recht op Anw-uitkering.

Het tegen dat besluit ingestelde beroep is door deze rechtbank gegrond verklaard bij uitspraak d.d. 14 mei 2003 onder de overweging dat de brief van eiseres aan verweerder van 6 december 2001 met de mededeling, dat haar huwelijk door de gemeente niet als wettig wordt erkend, door verweerder is uitgelegd als een nieuwe aanvraag voor een Anw-uitkering. De rechtbank was echter van oordeel, dat uit het bezwaarschrift van eiseres blijkt dat zij met deze brief verweerder heeft verzocht om terug te komen van de beslissing van 3 september 2001 en haar met ingang van 30 juni 2001 weer in aanmer-king te laten komen voor een Anw-uitkering. De rechtbank heeft verweer-der vervolgens opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder de gemachtigde van eiseres bij brief van 20 mei 2003 meegedeeld, dat de brief van 6 december 2001 gezien dient te worden als een verzoek om herziening van het besluit van 3 september 2001, en de gemachtigde verzocht feiten of omstan-dig--heden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en destijds evenmin naar voren hadden kunnen worden gebracht.

Bij brief van 24 juni 2003 heeft de gemachtigde van eiseres aangevoerd, dat het huwelijk tussen eiseres en de heer [C] eerst met ingang van 14 februari 2002 is ingeschreven in de GBA, zodat eerst vanaf die datum gesproken kan worden van een huwelijk, gelet op de strekking van artikel 16 van de Anw. Voorts is artikel 16, derde lid, van belang. Voor het bestaan van een huwelijk is tevens noodzakelijk dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hiervan is in casu geen sprake ge-weest, met het gevolg dat het in strijd is met de bedoeling van de wet om de nabestaandenuitkering in te trekken. De bedoeling van de wetgever was immers dat een weduwe geen recht kon doen gelden op Anw-uitkering op het moment dat er sprake is van een nieuwe partner die zorgt voor het levens-onder-houd. De wetgever heeft overduidelijk willen aansluiten bij andere wettelijke bepalingen in de diverse regelingen. Nu de heer [C], omdat hij geen verblijfsvergunning voor Nederland ver-krijgt, niet kan samenwonen met eiseres en evenmin in haar levensonderhoud kan voorzien, is er sprake van een onbillijkheid van overwegende aard, als eiseres thans niet in aanmerking wordt gebracht voor een Anw-uitkering. Het bezwaar dat door eiseres werd gemaakt tegen het besluit van 3 september 2001, welk bezwaar tijdig werd ingediend, dient dan ook te worden gehonoreerd.

B. Het besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaar-schrift van 3 januari 2002 gegrond ver-klaard vanwege de onjuiste motivering van de beschikking van 20 december 2001. Deze beschikking wordt herroepen. Het verzoek van eiseres om herziening wordt afgewezen.

Het besluit van 3 september 2001 is rechtens onaantastbaar geworden. De door eiseres aangevoerde argumenten in de beroepsprocedure en in de brief van 24 juni 2003 van de gemachtigde van eiseres leveren geen nieuw feit of veranderde omstandigheid op in de zin van artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan ver-weer-der zou moeten terugkomen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 3 september 2001.

C. Het beroep.

In beroep is namens eiseres aangevoerd, dat verweerder heeft gehandeld in strijd met de bepalingen van de Awb door eiseres niet in de gelegenheid te stellen haar bezwaar nader toe te lichten tijdens een hoorzitting. In het bestreden besluit is ten onrechte aangegeven, dat eiseres en/of haar gemach-tigde in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord doch van die gelegenheid geen gebruik is gemaakt. Verweerder handhaaft het besluit van 3 september 2001, dat door verweerder als onaan-tast-baar wordt beschouwd. Opmerkelijk is dat dit een ander standpunt is dan ingenomen bij beslissing van 22 maart 2002, in welke beslissing immers een inhoudelijke visie wordt gegeven naar aanleiding van het besluit van 20 december 2001. Aan de beslissing van 3 september 2001 kleven wel degelijk dusdanige gebreken, dat die beslissing niet in stand kan worden gelaten. Feitelijk was dit ook de achter-liggende gedachte bij het nemen van de beslissing van 22 maart 2002. Ten onrechte is ver-weerder van oor-deel dat onder meer de feiten en omstandigheden die aangevoerd zijn bij brief van 24 juni 2003 en tijdens de behandeling van het eerdere beroepschrift onvoldoende zijn om tot een andere beslissing te komen als genomen bij besluit van 3 september 2001, welke beslissing immers gebaseerd werd op onjuiste feiten.

D. Het verweer.

In het verweerschrift heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld, dat terecht is afgezien van het houden van een hoorzitting, nu eiseres op 15 januari 2002 schriftelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik te willen maken van de gelegenheid te worden gehoord. Daarbij verwijst verweerder naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) d.d. 6 september 2002 (USZ 2002/310).

Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat, mocht het bepaalde in artikel 7:2 van de Awb met zich meebrengen dat na een vernietiging van een beslissing op bezwaar in beginsel wederom gehoord dient te worden, eveneens op goede gronden is afgezien van het horen van eiseres. Ver-weerder kon immers in alle redelijkheid verwachten dat opnieuw horen tot niet meer dan een herhaling van reeds naar voren gebrachte bezwaren zou leiden. In zijn uitspraak van 6 november 2002 (RSV 2003/38) heeft de CRvB overwogen, dat in dergelijke gevallen van het horen mag worden afgezien.

Overigens is eiseres niet in haar belangen geschaad. In de brief van 24 juni 2003 is slechts een her-haling gegeven van de reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren.

Hetgeen namens eiseres is aangevoerd kan niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden op grond waarvan verweerder gehouden is terug te komen van de rechtens onaan-tastbaar geworden beslissing van 3 september 2001. Evenmin is de beslissing van 3 september 2001 onmiskenbaar onjuist. Er is dus geen sprake van een situatie waarin verweerder in redelijkheid niet mag weigeren de rechtens onaantastbaar geworden beslissing te herzien. Het had op de weg van eiseres gelegen tijdig bezwaar te maken tegen de beslissing van 3 september 2001.

E. De beoordeling.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig alge-meen rechtsbeginsel.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of ver-anderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

Artikel 4:6 van de Awb verplicht een belanghebbende, die buiten het geval van bezwaar of beroep wenst dat het bestuursorgaan terugkomt van het voor hem ongunstige standpunt, ingenomen bij de beslissing op een eerdere aanvraag, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te noemen die tot een gunstiger resultaat kunnen leiden. Indien zulks wordt nagelaten kan het bestuursorgaan volstaan met een afwijzing van het herhaalde verzoek onder verwijzing naar de eerdere beschikking. De bepaling hangt samen met het feit dat een beschikking waartegen geen rechtsmiddel is ingesteld onherroepelijk wordt. Aan het beginsel dat zo een beslissing formele rechtskracht heeft zou afbreuk worden gedaan, wanneer men de beschikking langs een omweg zou kunnen aantasten door het bestuursorgaan te vragen terug te komen van die beschikking door het indienen van een nieuwe aan-vraag. De aanvrager is gehouden de nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in zijn aan-vraag te vermelden. Het moet daarbij gaan om nieuwe feiten of omstandigheden die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven. Het bestuursorgaan is dan ver-plicht de betekenis daarvan te onderzoeken en te motiveren waarom de aangevoerde nieuwe feiten of omstandigheden niet tot een andere uitkomst kunnen leiden. Voldoende is dat de als nieuw aange-voerde feiten of omstandigheden bij de vorige beschikking niet bekend waren. Nieuwe argumenten zijn op zichzelf geen nieuwe feiten. Zij hadden eerder naar voren gebracht moeten worden. Steunen de nieuwe argumenten echter op nieuwe feiten en omstandigheden dan is het artikel wel van toe-pas-sing.

Uit de jurisprudentie komt naar voren dat een weigering om terug te komen van een rechtens onaan-tastbaar geworden besluit dient te worden geëerbiedigd, tenzij aan het eerdere besluit dusdanige gebreken kleven of zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken. Het ligt op de weg van de betrokkene die van het bestuursorgaan verlangt dat het terugkomt van een rechtens onaantastbaar geworden besluit om feiten of omstandigheden aan te dragen, die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht dan wel om de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.

Verweerder hanteert ter zake het volgende beleid.

De SVB acht zich bevoegd om in het voordeel van de betrokkene terug te komen van een eerder besluit, zelfs als tegen dit besluit geen rechtsmiddelen meer openstaan. De bevoegd-heid is van discretionaire aard, waarbij voor de toepassing van belang is of de SVB het eerder besluit onmiskenbaar onjuist moet achten. Van een onjuiste beslissing als gevolg van een fout van de SVB is sprake als de SVB op basis van de gegevens die ten tijde van de toekenning beschikbaar waren of die bij een normaal onderzoek van de SVB beschikbaar zouden zijn geweest de uitkering correct had kunnen vaststellen aan de hand van de toen geldende wetgeving en beleidsregels, en de belanghebbende alle relevante informatie tijdig heeft verstrekt.

Bij besluit van 3 september 2001 heeft verweerder eiseres meegedeeld, dat haar recht op een nabe-staandenuitkering op 30 juni 2001 is geëindigd, aangezien zij is getrouwd. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd de mededeling van eiseres van 8 augustus 2001, dat zij op 22 juni 2001 in Marokko is ge-huwd met [C], en de bij die mededeling gevoegde huwelijks-akte.

Tegen dat besluit heeft eiseres geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij brief, bij verweerder ingekomen op 6 december 2001, heeft eiseres verweerder meegedeeld, dat haar huwelijk door de gemeente Geleen niet als wettig is erkend, zodat zij nog steeds moet worden aangemerkt als weduwe met het gevolg dat recht op een Anw-uitkering is blijven bestaan.

Bij besluit van 20 december 2001 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij geen aanspraak kan maken op een Anw-uitkering, aangezien zij is getrouwd. Bij brief van 3 januari 2002 heeft eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om op het bezwaarschrift

te worden gehoord. Zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

Verweerder heeft de op 6 december 2001 bij verweerder ingekomen brief van eiseres naar aanleiding van de door deze rechtbank gewezen uitspraak van 14 mei 2003 alsnog opgevat als een verzoek om terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit van 3 september 2001.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het door eiseres tegen het besluit van 20 december 2001 ingediende bezwaar-schrift van 3 januari 2002 alsnog gegrond ver-klaard vanwege de onjuiste moti-vering van het besluit van 20 december 2001 en dat besluit herroepen. Het verzoek van eiseres om herziening is daarbij afgewezen, aan-gezien niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb op grond waarvan ver-weer-der zou moeten terugkomen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 3 september 2001.

In beroep heeft eiseres aangevoerd, dat in het bestreden besluit ten onrechte is aangegeven, dat eiseres en/of haar gemach-tigde in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord doch van die gelegenheid geen gebruik is gemaakt.

De rechtbank overweegt dienaangaande, dat eiseres op 11 januari 2002 op het desbetreffende formulier heeft aangegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om op haar bezwaar d.d. 3 januari 2002 te worden gehoord.

Voor zover eiseres in beroep heeft doen betogen, dat zij naar aanleiding van de gegrondverklaring van haar beroep nogmaals door verweerder had moeten worden gehoord, overweegt de rechtbank het volgende. In een geval als het onderhavige, waarbij een beslissing op bezwaar door de rechtbank is vernietigd, mag verweerder bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar onder omstandig-heden ook buiten de gevallen, genoemd in artikel 7:3 van de Awb, van het horen afzien. Dat zal met name het geval zijn, indien in redelijkheid kan worden verwacht, dat het opnieuw horen van eiseres tot niet meer zal kunnen leiden dan een herhaling van de reeds eerder naar voren gebrachte bezwaren.

In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat een dergelijke situatie zich voordoet. Eiseres is overigens door verweerder in de gelegenheid gesteld nader te reageren naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank, hetgeen haar gemachtigde ook bij brief van 24 juni 2003 heeft gedaan.

Voorts is in beroep aangevoerd, dat verweerder ten onrechte van oor-deel is dat de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om tot een andere beslissing te komen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met hetgeen zij in bezwaar en (eerder) beroep als-mede bij brief van 24 juni 2003 naar voren heeft gebracht geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen, die verweerder hadden moeten nopen terug te komen van het rechtens onaantastbare besluit d.d. 3 september 2001.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat hetgeen eiseres heeft aangevoerd met name neerkomt op een andere interpretatie dan verweerder hanteert van artikel 16, eerste lid, van de Anw, waarin is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt, indien de nabestaande in het huwelijk treedt.

Hetgeen in dat kader is aangevoerd kan echter niet beschouwd worden als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bij de wet bedoeld en in de jurisprudentie nader omschreven.

In dit verband verwijst de rechtbank naar de vaste rechtspraak, zoals nogmaals verwoord in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 juni 1999 (USZ 1999/232), waarin de Centrale Raad vaststelt dat sprake is van duurzaam gescheiden leven, indien ten aanzien van een gehuwde man en vrouw de toestand is ontstaan, dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één hunner, als bestendig is bedoeld.

Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval.

In de onderhavige zaak is geen sprake van een door één van de beide partners gewilde verbreking. De ontstane situatie is enkel te herleiden tot de met de immigratie van de echtgenoot van eiseres verband houdende controles en de in dat verband bestaande bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand om onder bepaalde omstandigheden te weigeren buitenlandse aktes in te schrijven. Dit gegeven brengt met zich mee dat ieder huwelijk in het buitenland risico’s met zich meebrengt die voor rekening van betrokkenen dienen te blijven. In casu zijn deze risico’s ingetreden.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie, dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen wei-ge-ren om terug te komen van het rechtens onaan-tastbaar geworden besluit d.d. 3 september 2001.

Evenmin is de evidente onjuistheid van dat besluit door eiseres aangetoond.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiseres voor ongegrond moet worden gehouden.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier

en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2004 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:15 april 2004

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.