Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO8720

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
03-05-2004
Zaaknummer
04/476 GEMWT VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de heer (B), zijnde de volgens de Gemeentelijke Basisadministratie bekende bewoner van het pand (A)straat 48, gewaarschuwd dat verweerder bij voortduring van overlast veroorzakende activiteiten die verband houden met handel in verdovende middelen (soft-drugs) vanuit voornoemd pand, niet zal schromen toepassing te geven aan de aan verweerder toegekende bevoegdheid om over te gaan tot het treffen van maatregelen in de vorm van sluiting van het pand.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder besloten tot het sluiten van het pand (A)straat 48 te Kerkrade voor de duur van 6 maanden en de tekst van dit besluit aan het pand aan te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 04 / 476 GEMWT VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A] te [B], verzoeker,

en

de Burgemeester van de Gemeente Kerkrade, gevestigd te Kerkrade, verweerder.

Datum bestreden besluit: 2 februari 2004.

Kenmerk: 04u0001414.

Behandeling ter zitting: 20 april 2004.

I. PROCESVERLOOP

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 2 februari 2004 heeft verweerder met toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet het pand aan de [A-straat] 48 te Kerkrade voor de duur van zes maanden gesloten.

Tegen dat besluit is namens verzoeker bij brief van 18 februari 2004 bezwaar gemaakt.

Op 30 maart 2004 is bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek ingekomen tot het treffen van een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoeker gezonden.

De in de loop van de procedure aan het dossier toegevoegde stukken zijn eveneens in kopie aan partijen gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Voormeld verzoek is vervolgens behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van deze recht-bank op 20 april 2004, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. I.P. Sigmond, advocaat te Heerlen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer J. Vreuls en mevr. mr. S. Mulder, ambtenaren der gemeente.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoeker in zijn verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Verzoeker kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden aangemerkt als belanghebbende. Gebleken is uit een overgelegde huurovereenkomst dat verzoeker sinds 1 mei 2002 hoofdhuurder is van het pand [A-straat] 48 te Kerkrade. Met het thans bestreden besluit wordt beoogd te bewerkstelligen dat verzoeker zijn gebruiksrecht van de betreffende woning niet langer kan benutten, weshalve verzoeker in zijn belang wordt getroffen. Ook het spoedeisende belang acht de voorzieningenrechter in voldoende mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoeker een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat hij zonder enig nadeel de beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak zou kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Bij schrijven van 27 november 2003 heeft verweerder de heer [B], zijnde de volgens de Gemeentelijke Basisadministratie bekende bewoner van het pand [A-straat] 48, gewaarschuwd dat verweerder bij voortduring van overlast veroorzakende activiteiten die verband houden met handel in verdovende middelen (soft-drugs) vanuit voornoemd pand, niet zal schromen toepassing te geven aan de aan verweerder toegekende bevoegdheid om over te gaan tot het treffen van maatregelen in de vorm van sluiting van het pand.

Bij schrijven van 16 januari 2004 heeft verweerder de heer [B] medegedeeld gelet op een ingekomen politierapportage en bij het meldpunt binnengekomen klachten, voornemens te zijn de door de heer [B] bewoonde woning met toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet te sluiten aangezien er gedragingen plaatsvinden waardoor de openbare orde rond de woning wordt verstoord. De heer [B] is voorts door verweerder in de gelegenheid gesteld binnen één week na verzending van dit schrijven conform artikel 4:7 van de Awb zijn zienswijze terzake naar voren te brengen. De gemachtigde van de heer [B] heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bij schrijven van 22 januari 2004.

Bij het thans bestreden besluit van 2 februari 2004 heeft verweerder besloten tot het sluiten van het pand [A-straat] 48 te Kerkrade voor de duur van 6 maanden en de tekst van dit besluit aan het pand aan te brengen.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij schrijven van 18 februari 2004 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn nader aangevuld bij schrijven van 8 maart 2004 en 13 april 2004. Bij schrijven van 30 maart 2004 heeft de gemachtigde van verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank.

Namens verzoeker is – onder meer – aangevoerd dat verweerder verzoeker ten onrechte niet op de hoogte heeft gesteld van het voornemen tot sluiten. Hoewel verzoeker volgens zijn gemachtigde niet stond ingeschreven op dat adres, was hij wel degelijk daar woonachtig. Als gevolg van deze gang van zaken is het belang van verzoeker ten onrechte niet meegenomen en is er sprake van onvoldoende weging van belangen, aldus de gemachtigde van verzoeker.

Verder is van de zijde van verzoeker aangevoerd dat inmiddels de huurovereenkomst tussen de heer [B] en verzoeker is beëindigd en derhalve geen noodzaak meer bestaat voor sluiting van het pand.

De gemachtigde van verzoeker is voorts de mening toegedaan dat de wijze en de gronden waarop verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 174a Gemeentewet in strijd is te achten met artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien de maatregel disproportioneel en niet noodzakelijk is.

Verder is namens verzoeker nog naar voren gebracht dat uit de voorhanden zijnde meldingen, zoals die zijn genoteerd door het Meldpunt Drugsoverlast Gemeente Kerkrade, kan worden afgeleid dat er géén sprake was van overlast althans een geringe mate hiervan en deze meldingen dan ook niet ten grondslag hadden kunnen worden gelegd aan het besluit.

De voorzieningenrechter ziet zich – gelet op bovenstaande grieven – allereerst gesteld voor de vraag of verweerder verzoeker terecht niet bij de besluitvorming aangaande het bestreden primaire besluit heeft betrokken.

Gebleken is dat verweerder bij zijn besluitvorming alleen de als zodanig bij verweerder bekende bewoner van het pand, de heer [B], en de eigenaar van het pand, de Bokkerijder Onroerend Goed Exploitatiemaatschappij, heeft betrokken. Verweerder heeft verzoeker niet bij zijn besluitvorming betrokken en als reden hiervoor aangegeven dat ambtshalve bij hem bekend was dat verzoeker niet – meer – woonachtig was op het adres [A-straat] 48 te Kerkrade en zich had laten inschrijven op het adres [B-laan] 2 te Landgraaf.

Uit de voorhanden zijnde gedingstukken, met name het uittreksel van de Gemeentelijke Basisadministratie, en het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat verzoeker met ingang van 18 september 2003 zich heeft laten uitschrijven op het adres [A-straat] 48 te Kerkrade en vanaf die datum woonachtig is op het adres [B-laan] 2 te Landgraaf.

De voorzieningenrechter is voorts gebleken dat tijdens de procedure tot toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet alleen de heer [B] stond ingeschreven op het adres [A-straat] 48 te Kerkrade. Vervolgens maakt de voorzieningenrechter uit de overgelegde huurovereenkomst woonruimte – ingangsdatum 1 oktober 2003 – tussen verzoeker en de heer [B] op dat verzoeker zelf aangeeft op het adres [B-laan] 2 woonachtig te zijn. Eveneens blijkt uit deze huurovereenkomst dat de heer [B] de hele woning aan de [A-straat] 48 huurt, waarbij geen woonruimte is gereserveerd voor verzoeker.

Ook kan uit het proces-verbaal van verhoor van de heer [B] van 10 november 2003 in combinatie met het mutatierapport van 3 februari 2004 worden opgemaakt dat verzoeker niet meer woonde op het adres [A-straat] 48 te Kerkrade.

Verder blijkt uit verklaringen die de heer [B] heeft afgelegd ten tijde van het effectueren van het thans bestreden besluit en welke verklaringen zijn neergelegd in een rapportage van 16 februari 2004 dat hij de enige bewoner van het litigieuze pand was en dat een aantal aangetroffen kledingstukken toebehoorden aan personen die af en toe kortstondig bij hem logeerden. Ter zitting is voorts door de gemachtigde van verweerder verklaard dat bij de sluiting van het pand op 12 februari 2004 en 16 februari 2004 de woning – kort gezegd – een onbewoonde indruk maakte en daarbij geen sporen zijn waargenomen van langer verblijf; ook deed de heer [B] volgens de gemachtigde van verweerder voorkomen alsof de aanwezige verzorgingsartikelen in de badkamer van hem waren.

Gelet op het vorenstaande, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder verzoeker niet als bewoner van het pand [A-straat] 48 hoefde te beschouwen. Verweerder heeft dan ook op goeden gronden verzoeker in eerste instantie niet behoeven te betrekken bij de onderhavige besluitvorming. De door verzoeker ter zitting overgelegde verklaringen, waarin is vermeld dat verzoeker op het adres [A-straat] 48 zou hebben gewoond, acht de voorzieningenrechter – noch afgezien van de objectiviteit van deze verklaringen – te summier en geven naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende blijk dat dit het geval is geweest.

Terzake van het antwoord op de vraag of verweerder in casu bevoegd was op grond van artikel 174a van de Gemeentewet op te treden overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Ingevolge artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet kan de burgemeester besluiten een woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te sluiten, indien door gedragingen in de woning of het lokaal of op het erf de openbare orde rond de woning, het lokaal of het erf wordt verstoord. Blijkens de bewoordingen van het derde lid van dit artikel bepaalt de burgemeester in het besluit de duur van de sluiting en kan hij in geval van ernstige vrees voor herhaling van de verstoring van de openbare orde besluiten de duur van de sluiting tot een door hem te bepalen tijdstip te verlengen. In artikel 174a, vierde lid, van de Gemeentewet is bepaald dat bij de bekendmaking van het besluit belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld binnen een te stellen termijn maatregelen te treffen waardoor de verstoring van de openbare orde wordt beëindigd. Dit laatste is niet van toepassing indien voorafgaande bekendmaking in spoedeisende gevallen niet mogelijk is.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter dat toepassing van de in artikel 174a, eerste lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid niet enkel kan worden gegrond op het bestaan van vrees voor het ontstaan van een verstoring van de openbare orde. Er zal sprake moeten zijn van een situatie waarin de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord en wel in zodanige mate dat een sluiting van de desbetreffende woning te rechtvaardigen is. Deze voorwaarden vloeien voort uit de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit waaraan iedere beperking van grondrechten en derhalve ook de onderhavige, die een beperking inhoudt van het in artikel 10 van de Grondwet neergelegde grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, moet voldoen. Elk besluit tot sluiting zal deugdelijk moeten worden gemotiveerd. Deze motivering zal gegrond moeten zijn op bewijsstukken waaruit duidelijk en overtuigend blijkt dat er van een verstoring van de openbare orde sprake is. Als bewijsstukken kunnen dienen politierapporten en processen-verbaal. Het sluiten van een woning wegens overlast kan alleen dan gerechtvaardigd worden geacht, als de overlast maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen en er geen andere, minder ingrijpende middelen zijn om de overlast in voldoende mate te kunnen bestrijden. Dit impliceert tevens dat het enkele feit dat er sprake is van een strafbaar feit, onvoldoende grond is om de beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer die in de sluiting van de woning is gelegen, te rechtvaardigen.

Op basis van de door verweerder ingezonden stukken, met name de processen-verbaal en de geregistreerde klachten, moet worden vastgesteld dat door de voortdurende verkoop van softdrugs vanuit de woning [A-straat] 48 te Kerkrade de openbare orde rondom de woning wordt verstoord. Op grond van voornoemde stukken kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden vastgesteld dat er vanuit deze woning softdrugs wordt verhandeld.

Uit onder meer het rapport van politie van 13 januari 2004 blijkt dat de aanloop op genoemd pand [A-straat] 48 te Kerkrade enorm is te noemen; gemiddeld wordt het pand volgens de politie door zo’n vijf à tien personen per kwartier bezocht. Ook zijn door de politie in de periode gelegen tussen 1 mei 2002 en 10 februari 2004 veelvuldig personen gecontroleerd die in het bezit waren van een hoeveelheid hennep producten die zij hadden gekocht in het pand [A-straat] 48 te Kerkrade.

Daarnaast zijn op 9 juli 2003 en 10 november 2003 in voornoemde woning door de politie een grote hoeveelheid hennep aangetroffen en in beslag genomen, waarbij verzoeker respectievelijk de heer [B] als verdachte zijn aangemerkt. Deze grote hoeveelheid hennep in de woning duidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op een handelsvoorraad.

Op basis van de politierapporten en de meldingen die bij het meldpunt drugsoverlast gemeente Kerkrade zijn binnengekomen, moet voorlopig oordelend tevens worden gezegd dat de overlast maatschappelijk onaanvaardbare vormen heeft aangenomen. Deze overlast bestaat onder meer uit geluidsoverlast van het komend en gaand gemotoriseerd verkeer, het rondhangen van klanten, het vele malen foutief aanbellen, het betreden van tuinen van omwonenden door klanten, intimiderend gedrag en verbaal geweld jegens omwonenden enzovoort. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het vorenstaande duidt op overlast als bedoeld in artikel 174a van de Gemeentewet.

Nu verweerder terzake van onderhavige woning reeds eerder heeft gelast het strijdige gebruik van de woning te staken en is overgegaan tot effectuering van de aangezegde bestuursdwang, in die zin dat dwangsommen zijn verbeurd, en ook nadien blijkens politiemutaties de overlast is blijven bestaan, moet tevens worden gezegd dat verweerder geen andere minder ingrijpende middelen meer voorhanden had om de overlast in voldoende mate te bestrijden. Verweerder was derhalve naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd over te gaan tot sluiting van de woning [A-straat] 48 te Kerkrade. Verzoekers standpunt dat hij niet wist dat zijn onderhuurder, de heer [B], drugs verhandelde in de woning en hij daarvoor niet verantwoordelijk kan worden geacht, kan daaraan niet afdoen.

De voorzieningenrechter is voorts gebleken dat verweerder beleidsregels heeft opgesteld inzake toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet. Uit deze beleidsregels valt op te maken dat verweerder bij een eerste overtreding van ernstige overlast in de woonomgeving de bewoner(s) een schriftelijke waarschuwing tot toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet stuurt. Bij een tweede overtreding wordt de bewoner(s) door verweerder in een brief op de hoogte gesteld van verweerders voornemen om over te gaan tot tijdelijke sluiting van het pand. Bij constatering van een derde overtreding – zo blijkt uit de beleidsregels – gaat verweerder over tot een tijdelijke sluiting van het pand voor de duur van 6 maanden, waarbij de bewoner(s) 48 uren na de bekendmaking van het besluit op vrijwillige basis maatregelen kan nemen teneinde de woning te sluiten.

De voorzieningenrechter is uit de voorhanden zijnde gedingstukken gebleken dat verweerder in het onderhavige geval de hierboven genoemde stappen om tot toepassing van artikel 174a van de Gemeentewet over te gaan, heeft doorlopen.

Verweerder heeft voorts in navolging van dit beleid bij het thans bestreden besluit de duur van de sluiting bepaald op zes maanden. De voorzieningenrechter acht het door verweerder gehanteerde beleid niet onredelijk.

Gelet op het vorenstaande, ziet de voorzieningenrechter geen reden om te oordelen dat verweerder, na afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het bestreden besluit in de hoofdzaak zou dienen te worden vernietigd. Derhalve is er, gegeven de belangen van partijen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening; het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Op grond van artikel 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2004 door mr. van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. D. Laeven w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 28 apr. 04

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.