Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO7692

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
16-04-2004
Zaaknummer
AWB 04 / 408 WRO VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij haar uitspraak van 2 februari 2004 heeft de voorzieningenrechter het namens (A) c.s. ingediende verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, omdat de ruimtelijke onderbouwing van het onderhavige bouwplan van vergunninghoudster, een te beperkte zekerheid biedt omtrent de planologische invulling van de voormalige kleuterschool locatie aan de (A)straat te Born, zodat die onderbouwing niet als goed gekwalificeerd kan worden. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat de zijdens verzoeker ter zitting van 29 januari 2004 gegeven toelichting op het ontwerp bestemmingsplan ‘(A)straat’ en hetgeen daarin is vermeld, niet met bescheiden is onderbouwd. In dat kader heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de studie die ten grondslag ligt aan het stedenbouwkundig plan dat voor voornoemde locatie is opgesteld, geen onderdeel uitmaakt van voornoemd bestemmingsplan en dat die studie ook niet in het geding is gebracht, waardoor zij voorshands niet kan beoordelen of de zijdens verzoeker gegeven toelichting op het ontwerp bestemmingsplan ‘(A)straat’ correct is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 04 / 408 WRO VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:87 van de Algemene wet bestuursrecht van:

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sittard-Geleen, gevestigd te Sittard, verzoeker.

Toepassing van artikel 8:87 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 2 februari 2004 (verzonden op 4 februari 2004) in het geding tussen:

1. [A] en

2. [B],

beiden wonende te Born,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sittard-Geleen, gevestigd te Sittard.

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 12 november 2003 (verzonden op 25 november 2003) heeft verzoeker met gebruikmaking van de door hem bij dat besluit op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna te noemen: de WRO) verleende vrijstelling van het bestemmingsplan ‘Kern Born’ aan Mulleners Vastgoed B.V. (hierna te noemen: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, zoals die wet luidde tot 1 januari 2003, verleend voor het bouwen van 7 woningen en 8 appartementen op de voormalige kleuterschool locatie aan de [A]straat te Born, overeenkomstig de bij dat besluit behorende gewaarmerkte bescheiden en onder de in dat besluit nader genoemde voorwaarden.

Tegen voornoemd besluit hebben [A] en [B] (hierna –gezamenlijk– te noemen: [A c.s.]) bij schrijven van 30 december 2003 respectievelijk 5 januari 2004 van hun

–gemeenschappelijke– gemachtigde bij verzoeker bezwaar gemaakt tegen zijn besluit van

12 november 2003.

Bij schrijven van 15 januari 2004 van hun gemachtigde hebben [A c.s.] zich tevens tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend met het verzoek om terzake van voornoemd besluit een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: de Awb) te treffen.

Vergunninghoudster heeft bij schrijven van 21 januari 2004 –desgevraagd– aan de voorzieningenrechter van deze rechtbank te kennen gegeven dat zij als partij in de zin van artikel 8:26 van de Awb aan het geding terzake van voornoemd verzoek wenst deel te nemen.

Het verzoek om voorlopige voorziening van [A c.s.] is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 29 januari 2004.

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde uitspraak is het, op 15 januari 2004 door [A c.s.] gedane, verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, in dier voege dat verzoekers besluit van 12 november 2003 (verzonden op 25 november 2003) wordt geschorst tot zes weken na de datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Op 16 maart 2004 heeft de in verweerders gemeente functionerende Commissie voor bezwaar, beroep en klachten (hierna te noemen: de Commissie) verzoeker geadviseerd de –afzonderlijke– bezwaarschriften van [A c.s.] ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

Bij schrijven van 17 maart 2004 heeft verzoeker zich tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend met het verzoek om de bij uitspraak van 2 februari 2004 (verzonden op 4 februari 2004) getroffen voorlopige voorziening op te heffen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zijn [A c.s.] en vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld om als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt.

De zijdens verzoeker ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van [A c.s.] en aan vergunninghoudster gezonden. De inhoud van die stukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 8:87, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening kan opheffen of wijzigen. De in deze bepaling neergelegde mogelijkheid tot wijziging of opheffing van een reeds getroffen voorlopige voorziening kan, gelet op het systeem van de wet, doorgaans slechts dan in beeld komen indien er sprake is van een wijziging van feiten en/of omstandigheden nà de datum waarop die voorziening is getroffen doch vóór de datum waarop op het bezwaar of beroep is beslist, dan wel indien er sprake is van feiten en/of omstandigheden die eerst nà de datum waarop de voorziening is gegeven, doch vóór de datum waarop op het bezwaar of het beroep is beslist bekend zijn geworden, doch, waren zij eerder bekend geweest, wellicht niet tot het treffen van een voorziening, dan wel tot het treffen van een andere voorziening hadden geleid.

Indien derhalve de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb heeft getroffen en vervolgens een verzoek tot opheffing of wijziging van die voorziening krijgt voorgelegd, dan wel overweegt ambtshalve tot opheffing of wijziging over te gaan, oordeelt hij niet over uitsluitend dezelfde feiten en/of omstandigheden die hem hebben gebracht tot de getroffen voorlopige voorziening, maar oordeelt hij over een ander respectievelijk gewijzigd feitencomplex in relatie tot die eerder door hem getroffen voorlopige voorziening. Meer in het bijzonder dient hij te beoordelen of er nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn en zo ja, of deze aanleiding geven tot het opheffen of wijzigen van die voorziening.

Bij haar uitspraak van 2 februari 2004 heeft de voorzieningenrechter –voorzover thans van belang– het namens [A c.s.] ingediende verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, omdat de, ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO vereiste, ruimtelijke onderbouwing van het onderhavige bouwplan van vergunninghoudster, een te beperkte zekerheid biedt omtrent de planologische invulling van de voormalige kleuterschool locatie aan de [A]straat te Born, zodat die onderbouwing niet als goed gekwalificeerd kan worden. De voorzieningenrechter heeft daartoe –onder meer– overwogen dat de zijdens verzoeker ter zitting van 29 januari 2004 gegeven toelichting op het ontwerp bestemmingsplan ‘[A]straat’ en hetgeen daarin is vermeld, niet met bescheiden is onderbouwd. In dat kader heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de studie die ten grondslag ligt aan het stedenbouwkundig plan dat voor voornoemde locatie is opgesteld, geen onderdeel uitmaakt van voornoemd bestemmingsplan en dat die studie ook niet in het geding is gebracht, waardoor zij voorshands niet kan beoordelen of de zijdens verzoeker gegeven toelichting op het ontwerp bestemmingsplan ‘[A]straat’ correct is.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 2 februari 2004 getroffen voorlopige voorziening, heeft verzoeker gesteld dat het onderhavige bouwplan van vergunninghoudster thans is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, omdat –naar de rechtbank begrijpt– vorenbedoelde studie feitelijk aan de ruimtelijke onderbouwing van voornoemd bouwplan is toegevoegd en daardoor onderdeel is gaan uitmaken van die onderbouwing.

Meergenoemde studie is, blijkens de thans in het geding gebrachte stukken, verricht door Plangroep Heggen B.V., die de resultaten van die studie heeft neergelegd in een rapport van 3 oktober 2000.

Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat de voorlopige voorziening waarvan verzoeker thans opheffing verzoekt, is getroffen op 2 februari 2004, is de voorzieningenrechter van oordeel dat die studie niet aangemerkt kan worden als een omstandigheid/feit op basis waarvan, zoals hierboven is overwogen, de in artikel 8:87, eerste lid, van de Awb neergelegde mogelijkheid tot wijziging of opheffing van de reeds getroffen voorlopige voorziening in beeld kan komen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in overweging dat gesteld noch gebleken is dat verzoeker ten tijde van de oorspronkelijke voorlopige voorzieningsprocedure niet feitelijk de beschikking had over (de resultaten van) de studie die ten grondslag ligt aan het voor de voormalige kleuterschool locatie aan de [A]straat te Born opgestelde stedenbouwkundig plan. Onder die omstandigheden had verzoeker die studie ook reeds in vorenbedoede procedure kunnen inbrengen.

Verzoeker heeft ter staving van zijn verzoek tot opheffing van de bij uitspraak van 2 februari 2004 getroffen voorlopige voorziening ook nog verwezen naar de uitspraak van 17 december 2003 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (LJN-nummer: AO0358), waarbij de Afdeling volgens verzoeker laat doorschemeren dat een ruimtelijke onderbouwing gevormd kan worden door een ontwerp-bestemmingsplan.

De rechtbank stelt voorop dat, ingevolge voornoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de voor de realisering van het onderhavige bouwplan van vergunninghoudster ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO vereiste ruimtelijke onderbouwing, zoals verzoeker terecht heeft overwogen, gevormd kan worden door een ontwerp-bestemmingsplan. Bij haar uitspraak van 2 februari 2004 heeft de voorzieningenrechter de ruimtelijke onderbouwing van het onderhavige bouwplan echter niet onvoldoende geoordeeld vanwege de aard van het bestemmingsplan waardoor die onderbouwing wordt gevormd, maar vanwege het feit dat het advies dat ten grondslag ligt aan het stedenbouwkundig plan terzake van de voormalige kleuterschool locatie aan de [A]straat te Born, niet met bescheiden is onderbouwd, waardoor de voorzieningenrechter voorshands niet kon beoordelen of de ter zitting van 29 januari 2004 namens verweerder gegeven toelichting op voornoemd ontwerp-bestemmingsplan juist is. Bovengenoemde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan verzoeker in dit geding dan ook niet baten.

Gezien het vorenoverwogene, komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat geen grond aanwezig is voor opheffing van de bij uitspraak van 2 februari 2004 getroffen voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter tevens in aanmerking dat, nu het besluit van 12 november 2003 van verzoeker bij uitspraak van 2 februari 2004 is geschorst tot zes weken na de datum van bekendmaking van de beslissing op bezwaar, verzoeker het zelf in de hand heeft om de werking van de uitgesproken schorsing snel te doen beëindigen.

Mitsdien wordt, gelet op het bepaalde in artikel 8:87 van de Awb, als volgt beslist.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

wijst het verzoek om opheffing van de bij uitspraak van 2 februari 2004 getroffen voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2004

door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 14 april 2004

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.