Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO7569

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-04-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
AWB 03 / 1543 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sollicitatieplicht. Meermaals bij dezelfde werkgever solliciteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03/1543 WW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiser,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -GAK Maastricht-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 17 september 2003.

Kenmerk: 524.053+054+056.10

Behandeling ter zitting: 25 maart 2004.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij primair besluit van 6 juni 2003 is namens verweerder eisers uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 5 mei 2003 met 20% gekort gedurende zestien weken.

Bij primair besluit van 20 juni 2003 is namens verweerder eisers WW-uitkering vanaf 26 augustus 2002 gedeeltelijk beëindigd voor 34,50 uren per week.

Bij primair besluit van 14 augustus 2003 is namens verweerder eisers WW-uitkering met ingang van 28 juli 2003 met 30% gekort gedurende zestien weken.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 17 september 2003 zijn namens verweerder de namens eiser ingediende bezwaarschriften tegen de door verweerder hierboven genoemde drie primaire besluiten ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 17 september 2003 is namens eiser op 23 oktober 2003 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 25 maart 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. H.A.T. Laaracker, werkzaam bij GAK Maastricht.

II. OVERWEGINGEN.

1. De feiten.

Eiser heeft op 17 juli 2002 een aanvraag ingediend strekkende tot toekenning van een WW-uitkering, dit nadat zijn dienstbetrekking bij X te Y op 16 juli 2002 van rechtswege was beëindigd. Eiser heeft bij zijn aanvraag aangegeven dat hij op 16 juli 2002 als zelfstandige is begonnen.

Bij beslissing van 17 september 2002 is de aanvraag in eerste instantie afgewezen wegens verwijtbare werkloosheid. Bij beslissing op bezwaar van 16 december 2002 is het hiertegen gerichte bezwaar gegrond verklaard omdat -kortweg- ingeval van rechtswege beëindiging geen sprake is van verwijtbare werkloosheid. Bij beslissing van 18 december 2002 is de uitkering opnieuw met ingang van 7 juli 2002 blijvend geheel geweigerd, ditmaal op grond van het niet behouden van passend werk. Bij beslissing op bezwaar van 10 april 2003 is het hiertegen gerichte bezwaar gegrond verklaard en is de uitkering per 18 juli 2002 over een periode van 26 weken gedeeltelijk geweigerd. Hiertoe is overwogen dat weliswaar sprake is van door eigen toedoen niet behouden van passend werk maar dat, gelet op de door eiser aangevoerde persoonlijke omstandigheden, dit niet in overwegende mate kan worden verweten.

Nu aan eiser alsnog per 18 juli 2002 een WW-uitkering is toegekend, heeft eiser in maart/april 2003 zijn werkbriefjes over de periode vanaf juli 2002 ingezonden. Hierop heeft eiser onder andere vermeld dat hij vanaf 16 juli 2002 als zelfstandige is begonnen. In verband hiermee is eiser bij brief van 22 april 2003 bericht dat hij gedurende een periode van drie maanden de gelegenheid krijgt te onderzoeken of zijn voornemen om als zelfstandige te beginnen kans van slagen heeft. Deze zogeheten oriëntatieperiode loopt van 18 juli 2002 tot en met 17 oktober 2002.

Bij beslissing van 22 april 2003 is eiser medegedeeld dat, nu uit de werkbriefjes is gebleken dat eiser voor 12,50 uren per week als zelfstandige is gaan werken, eiser voor deze uren blijvend het werknemerschap verliest hetgeen betekent dat eisers uitkering vanaf 18 juli 2002 gedeeltelijk wordt beëindigd voor 12,50 uren per week. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij beslissing van 14 mei 2003 is eiser medegedeeld dat hij de regels van de WW heeft overtreden, maar dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de overtreding niet te verwijten is. De sollicitatieactiviteiten over de periode van 21 oktober 2002 tot en met 6 april 2003 worden geëxcuseerd. Eiser is erop gewezen dat hij vanaf 7 april 2003 aan de sollicitatieplicht moet voldoen.

Bij primair besluit van 6 juni 2003 is eiser een maatregel opgelegd omdat gebleken is dat eiser in de periode van 7 april 2003 tot en met 4 mei 2003 onvoldoende sollicitaties heeft verricht.

In het hiertegen gerichte bezwaar van 7 juli 2003 is aangevoerd dat op het werkbriefje vier sollicitaties zijn vermeld, zodat ten onrechte is besloten dat eiser onvoldoende sollicitatieactiviteiten heeft verricht.

Bij primair besluit van 20 juni 2003 is eisers uitkering vanaf 26 augustus 2002 gedeeltelijk blijvend beëindigd voor 34,50 uren per week vanwege de omvang van de door eiser verrichte werkzaamheden als zelfstandige.

In het hiertegen gerichte (separate) bezwaar van 7 juli 2003 is aangevoerd dat eiser eerst op 22 april 2003 is ingelicht omtrent de gevolgen van het werken als zelfstandige voor de WW-uitkering. Daarbij valt de periode waarop het besluit is gebaseerd binnen de eiser toegekende oriëntatieperiode. Indien eiser in deze periode meteen was medegedeeld wat de consequenties zouden zijn, had eiser een goed afgewogen keuze kunnen maken over het al dan niet voortzetten van het zelfstandig ondernemerschap. De beslissing is in strijd met de rechtszekerheid, zorgvuldigheid en redelijkheid en billijkheid.

Eiser en zijn gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 12 augustus 2003 op de bezwaren te worden gehoord. Bij die gelegenheid is onder meer naar voren gebracht, dat deze vier sollicitaties voldoende waren omdat eiser hiermee een grote kans had om werk te vinden.

Naar aanleiding van de hoorzitting heeft de gemachtigde eiser bij brief van 12 augustus 2003 verzocht eiser in aanmerking te brengen voor het Experiment voor startende zelfstandigen.

Bij primair besluit van 14 augustus 2003 is eiser opnieuw een maatregel opgelegd en wel omdat gebleken is dat eiser ook over de periode van 30 juni 2003 tot en met 27 juli 2003 onvoldoende sollicitaties heeft verricht. Omdat eiser binnen een jaar voor de tweede keer dezelfde regel heeft overtreden, is een maatregel opgelegd van 30%.

Bij brief van 26 augustus 2003 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Aangevoerd is dat eiser niet is ingelicht dat hij niet tweemaal bij dezelfde werkgever mag solliciteren. Eiser kan zich ook niet in een dergelijke regel vinden.

Eiser heeft afgezien van de mogelijkheid om omtrent laatstgenoemd bezwaarschrift te worden gehoord. Verzocht is om de bezwaarprocedures gevoegd te behandelen.

2. Het besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaarschriften van eiser ongegrond verklaard.

Aan dit besluit ligt het volgende ten grondslag.

Ten aanzien van het bezwaar gericht tegen besluit van 20 juni 2003 is overwogen dat er, gezien de dwingendrechtelijk voorgeschreven bepalingen, niet kan worden afgezien van een gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering omwille van het feit dat er geruime tijd is verstreken tussen het moment waarop eiser de betreffende werkzaamheden heeft uitgevoerd en de datum waarop het primaire besluit is genomen. Evenmin is sprake van een onjuiste dan wel onvolledige informatieverstrekking van de zijde van verweerder. Ten aanzien van eisers verzoek van 12 augustus 2003 om in aanmerking te komen voor het Experiment voor startende zelfstandigen is opgemerkt dat een nader primair besluit zal worden genomen.

Ten aanzien van de overige twee primaire besluiten van 6 juni 2003 en 14 augustus 2003 is overwogen dat de door eiser opgegeven sollicitaties ook reeds op voorgaande werkbriefjes waren ingevuld, dit terwijl eiser bij brief van 14 mei 2003 erop is gewezen dat het niet is toegestaan meerdere malen bij dezelfde werkgever te solliciteren.

3. Het beroep.

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep hetgeen in bezwaar is aangevoerd herhaald. Voorts is in het kader van het verstrekken van informatie door het bestuursorgaan verwezen naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (AB 1991/75).

4. De beoordeling.

In geding is de vraag of verweerder terecht eisers WW-uitkering met ingang van 5 mei 2003 respectievelijk 28 juli 2003 heeft gekort alsmede terecht de WW-uitkering met ingang van 26 augustus 2002 gedeeltelijk heeft beëindigd. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Blijvend gedeeltelijke beëindiging WW-uitkering wegens werkzaamheden als zelfstandige

Ingevolge artikel 16, lid 1, van de WW is werkloos de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Ingevolge artikel 16, lid 2, van de WW wordt onder de in lid 1 bedoelde arbeidsuren per kalenderweek verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

Ingevolge artikel 20, lid 1, onderdeel a van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer zijn hoedanigheid van werknemer verliest.

Ingevolge artikel 20, lid 2, van de WW eindigt, voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is, het recht op uitkering terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van de bepalingen in de WW gehouden was om eisers recht op uitkering met ingang van 26 augustus 2000 voor 34,5 uur per week blijvend gedeeltelijk te beëindigen. Dit aantal uren is door eiser niet bestreden.

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder van deze dwingendrechtelijke bepaling had dienen af te wijken omdat eiser niet tijdig was ingelicht omtrent de gevolgen voor zijn WW-uitkering bij het werken als zelfstandige. De rechtbank volgt eiser hierin niet.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van een onvolledige informatieverstrekking van de zijde van verweerder geen sprake is. In de folder “Kan ik voor mezelf beginnen?“ is op afdoende wijze uitleg gegeven. Blijkens de gedingstukken heeft eiser bij zijn inschrijving bij het CWI op 16 juli 2002 aangegeven dat hij een eigen bedrijf wil beginnen, waarop eiser deze folder is uitgereikt. Voorzover eiser dan al kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij niet bekend was met de inhoud van de folder, sluit de rechtbank zich aan bij de overweging van verweerder dat eiser zich in ieder geval nader had kunnen laten informeren. Eiser mocht er niet zonder meer vanuit gaan dat het werken als zelfstandige geen gevolgen zou hebben voor zijn WW-uitkering. Uit de omstandigheid dat bij het inleveren van de werkbriefjes door een medewerker van het GAK tegen eiser werd gezegd dat alles zo in orde was, had eiser niet mogen afleiden dat het werken als zelfstandige geen gevolgen zou hebben voor zijn WW-uitkering. Aangenomen moet worden dat deze uitlating slechts ziet op het feitelijk inleveren van het formulier. Immers, op dat moment zijn de ingevulde gegevens op het werkbriefje nog niet inhoudelijk gecontroleerd.

Voorts blijkt uit een notitie van 7 juli 2002 van het CWI dat een medewerker van het CWI eiser ook heeft aangeraden contact op te nemen met het UWV teneinde in aanmerking te worden gebracht voor de oriëntatieperiode. De omstandigheid dat eiser hiervan om welke reden dan ook heeft afgezien dan wel een afwachtende houding heeft aangenomen, dient voor zijn risico te komen. Overigens is onweersproken dat de oriëntatieperiode onverlet laat dat de werkzaamheden als zelfstandige van invloed zijn op de WW-uitkering.

Voornoemd risico geldt eveneens ten aanzien van de omstandigheid dat eiser niet tijdig een verzoek heeft ingediend voor deelname aan het Experiment voor startende zelfstandigen. Niet is in geschil dat het verzoek om deelname aan dit experiment in deze procedure verder niet aan de orde is.

De rechtbank concludeert dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de uitkering met ingang van 26 augustus 2002 voor 34,5 uur per week blijvend gedeeltelijk wordt beëindigd.

Het beroep voor zover gericht tegen de gedeeltelijke beëindiging wegens werkzaamheden als zelfstandige moet dan ook voor ongegrond worden gehouden.

Opgelegde maatregelen wegens onvoldoende mate getracht passende arbeid te verkrijgen

Artikel 24, lid 1, onder b, ten 1°, van de WW bepaalt dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

Ingevolge artikel 27, lid 3, van de WW weigert het UWV de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen.

Ingevolge artikel 27, lid 4, van de WW wordt een maatregel als bedoeld in het derde lid afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge het Maatregelenbesluit Tica en de bijlage daarvan is de verplichting van artikel 24, lid 1, onder b, ten 1°, van de WW, een verplichting van de vierde categorie waarvoor een maatregel van 20% wordt opgelegd gedurende 16 weken. Indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft, bedraagt de hoogte van de maatregel 10%.

In artikel 10, lid 1, van het Maatregelenbesluit Tica is bepaald dat, indien aan de verzekerde schriftelijk bekend is gemaakt dat het wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting een maatregel is opgelegd en hij binnen twee jaren na de dag van deze bekendmaking opnieuw dezelfde verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, het percentage van de maatregel met de helft daarvan wordt verhoogd.

Ter zake het verrichten van sollicitatieactiviteiten hanteert verweerder het beleid zoals neergelegd in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW. Hierin is onder meer bepaald dat van de werknemer die in aanmerking komt voor een WW-uitkering in het algemeen wordt verwacht dat hij minimaal één concrete sollicitatie-activiteit per week verricht.

Gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd is niet in geschil dat eiser op het werkbriefje over de periode van 7 april 2003 tot en met 4 mei 2003 alsmede op het werkbriefje over de periode van 30 juni 2003 tot en met 27 juli 2003 een of meerdere sollicitaties heeft opgegeven welke eiser ook op voorgaande werkbriefjes heeft ingevuld.

Eiser stelt zich op standpunt dat hem niet tijdig is medegedeeld dat hij niet meerdere malen bij dezelfde werkgever mag solliciteren.

De stelling van verweerder dat eiser reeds bij brief van 14 mei 2003 door het UWV erop werd gewezen dat dit het hem niet was toegestaan, gaat naar het oordeel van de rechtbank alleen op voor de tweede periode van 30 juni 2003 tot 27 juli 2003. De brief dateert immers van na 7 april 2003.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser anderszins geacht kan worden op de hoogte te zijn van het standpunt van verweerder.

De gemachtigde van verweerder ter zitting heeft desgevraagd verklaard dat het uitgangspunt, dat het niet is toegestaan om meerdere malen bij dezelfde werkgever te solliciteren, niet is neergelegd in beleid. Evenmin is dit terug te vinden in een folder.

Niettemin is de rechtbank van oordeel dat, ook indien dit niet is vastgelegd in beleid dan wel anderszins naar buiten is gebracht, van een betrokkene in beginsel kan worden verwacht dat hij (voor dezelfde functie) niet telkens bij dezelfde werkgever solliciteert. Immers, de rechtbank kan zich vinden in de achterliggende gedachte dat hiermee in het algemeen het vinden van passend werk aanzienlijk wordt verkleind.

Op de vraag van de rechtbank waar de grens ligt, heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting geantwoord dat een betrokkene niet na één week weer bij dezelfde werkgever mag solliciteren, maar dat denkbaar is dat dit wel na een maand gebeurt. Hierover zijn geen richtlijnen.

Daargelaten de vraag of ook eiser deze grens redelijkerwijs had kunnen bevroeden, en nog daargelaten de vragen of geen rekening dient te worden gehouden met de aard van de werkzaamheden en de slagingskans op een baan, overweegt de rechtbank het volgende.

Verweerder heeft in het bestreden besluit tegengeworpen dat eiser de op het werkbriefje over de periode van 7 april 2003 tot en met 4 mei 2003 (gedingstuk B36) vermelde sollicitaties als glazenwasser bij de werkgevers K en L reeds op voorgaande werkbriefjes heeft ingevuld.

Ten aanzien van de periode van 30 juni 2003 tot en met 27 juli 2003 (gedingstuk B44) heeft verweerder tegengeworpen dat eiser wederom een sollicitatie als glazenwasser bij L heeft opgegeven, waarbij is verwezen naar de weken 8, 11 en 15.

Blijkens de werkbriefjes heeft eiser als glazenwasser gesolliciteerd bij K:

-in de week van 24 maart 2003 tot en met 30 maart 2003 (week 13), gedingstuk B35,

-in de week van 21 april 2003 tot en met 27 april 2003 (week 17), gedingstuk B36.

Blijkens de werkbriefjes heeft eiser als glazenwasser gesolliciteerd bij L:

-in de week van 17 februari 2003 tot en met 23 februari 2003 (week 8) gedingstuk B33,

-in de week van 10 maart 2003 tot en met 16 maart 2003 (week 11), gedingstuk B35,

-in de week van 7 april 2003 tot en met 13 april 2003 (week 15), gedingstuk B36, en

-in de week van 21 juli 2003 tot en met 27 juli 2003 (week 30), gedingstuk B44.

Verweerder heeft overwogen dat eiser in week 17 bij K heeft gesolliciteerd, hetgeen eiser eerder heeft ingevuld. De rechtbank stelt vast dat in week 17 (uitgaande van een vaste dag in de week) vier weken zijn verstreken sedert de laatste sollicitatie bij K in week 13.

Verweerder heeft voorts tegengeworpen dat eiser in de weken 15 en 30 wederom heeft gesolliciteerd bij L. De rechtbank concludeert dat in week 15 vier weken zijn verstreken sedert de laatste sollicitatie bij L in week 11. In week 30 zijn reeds 15 weken verstreken.

Nu verweerder in het bestreden besluit heeft tegengeworpen dat eiser meermaals bij dezelfde werkgever heeft gesolliciteerd, terwijl de rechtbank constateert dat zowel in de eerste periode als in de tweede periode telkens vier weken waren verstreken en de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat bij vier weken de grens ligt, is het standpunt van verweerder dat eiser om deze reden niet heeft voldaan aan de sollicitatieplicht niet houdbaar.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de motivering van verweerder dat eiser voor wat betreft beide periodes niet heeft voldaan aan de verplichting om in iedere week tenminste één concrete sollicitatie te verrichten, niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag liggende feiten. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

Het beroep voorzover gericht tegen de opgelegde maatregelen wegens onvoldoende sollicitaties in zowel de periode van 7 april 2003 tot en met 4 mei 2003 als in de periode van 30 juni 2003 tot en met 27 juli 2003 is mitsdien gegrond.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake 2 punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,-- wordt vergoed door het UWV;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,-- te betalen door het UWV aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. van Neer

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2004 door mr. Seerden voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. I. van Neer w.g. Seerden

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 2 april 2004

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.