Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO6618

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
03-005873-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het bezit van wapens een delictsvorm is die naar zijn aard, of naar algemene ervaringsregels, een grensoverschrijdend karakter heeft. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Het enkele bezit is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld wapenhandel, niet een dergelijke delictsvorm met een grensoverschrijdend karakter. Hieruit vloeit voort dat de Kmar niet bevoegd was een onderzoek in te stellen naar het vermeende wapenbezit van verdachte. De uit dat onderzoek naar voren gekomen bevindingen, ook voor zover die betrekking hebben op de verdovende middelen, dienen te worden beschouwd als onrechtmatig verkregen en kunnen niet meewerken tot de veroordeling van verdachte.

Wetsverwijzingen
Politiewet 1993
Politiewet 1993 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 301
NBSTRAF 2004/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/005873-03

Datum uitspraak: 30 maart 2004

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - Gevangenis De Geerhorst te Sittard.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 maart 2004.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, op of omstreeks 16 december 2003 in de gemeente [H.] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 115 gram heroine, in elk geval hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 15 gram cocaine, in elk geval hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en( als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij, verdachte, op of omstreeks 16 december 2003 in de gemeente [H.], een vuurwapen van categorie III, te weten een revolver, (inscripties"PTB Knal,ME 38 Pocket") en/of munitie van categorie III, te weten 6 negen millimeter patronen, in elk geval een negen millimeter patroon, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Bewijsoverweging

Verdachte wordt het bezit van een hoeveelheid verdovende middelen en een wapen verweten. De aanleiding voor het onderzoek tegen verdachte vormt een CIE melding welke in essentie luidt: "In die kamer liggen meerdere pistolen van [naam verdachte]. [naam verdachte] is een man van Turkse komaf". Naar aanleiding van deze mededeling is een eenheid, voornamelijk bestaande uit medewerkers van de Koninklijke Marechaussee (verder aan te duiden als Kmar), in de kamer van verdachte binnengetreden en heeft daar naast één wapen een hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen.

Door de raadsman is betoogd dat de verdenking op grond waarvan het onderzoek is gestart een feit betreft waarvoor de Kmar niet bevoegd is op te treden. De uit dit onderzoek voortgekomen bewijsmiddelen zijn daarom onrechtmatig verkregen en verdachte dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot dit verweer overweegt de rechtbank het volgende:

Het onderzoek in deze zaak is blijkens de stukken in het dossier uitgevoerd door 7 leden van de Kmar en één politieagent. De gebruikte machtiging tot binnentreden is afgegeven door [X.], Adjudant-onderofficier van de Kmar. De machtiging is verstrekt aan [Y.], Opperwachtmeester van de Kmar. In de kop van het inleidende proces-verbaal worden eerst de leden van de Kmar genoemd en pas als laatste de politieagent. Met uitzondering van het inleidende proces-verbaal zijn geen van de relevante processen verbaal in deze zaak getekend door die agent. Uit deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat inderdaad sprake is van een onderzoek "van" de Kmar.

In casu komt volgens de rechtbank als enige rechtsgrond voor het optreden van de Kmar art. 6 lid 1 sub d van de Politiewet in aanmerking. Op grond van dit artikel is de Kmar bevoegd een onderzoek uit te voeren indien er sprake is van "samenwerking met de regulier politie, daaronder begrepen de assistentieverlening aan de politie bij de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit".

De officier van justitie heeft ter zitting betoogd dat in casu van een dergelijke samenwerking sprake is en heeft ter onderbouwing van deze stelling overgelegd een afschrift van het Convenant Grensoverschrijdende Criminaliteit, op 30 september 1993 getekend door de Ministers van Defensie, Justitie en Binnenlandse zaken, alsmede een brief van de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 19 januari 1995. Met betrekking tot deze stukken gaat de rechtbank er van uit dat, nu recentere afspraken niet zijn overgelegd, deze afspraken nog steeds gelden en dat in het geval van de brief van de Procureur Generaal, waarin een looptijd van één jaar wordt vermeldt, de daarin vermelde afspraken stilzwijgend zijn verlengd.

De inhoud van deze overgelegde stukken legt de rechtbank, met name tegen de achtergrond van het hiervoor genoemde art. 6 lid 1 sub d van de Politiewet, aldus uit dat de samenwerking met de politie betrekking heeft op criminaliteit met een grensoverschrijdend karakter. Is daarvan sprake, dan is de Kmar bevoegd op te treden omdat zij dan immers handelt in samenwerking met, en ter assistentie van, de politie. Bij de vraag of er sprake is van een delict met een grensoverschrijdend karakter hoeft volgens de rechtbank niet van geval tot geval vast te staan dat de zaak daadwerkelijk een grensoverschrijdend aspect heeft omdat anders een doelmatige opsporing ernstig kan worden verstoord (Zie ook Rb Maastricht 4 maart 2003. LJN AF5177). Wel zal sprake moeten zijn van een delictsvorm die naar haar aard grensoverschrijdend is of waarbij naar algemene ervaringsregels vast staat dat deze delictsvorm vaak een grensoverschrijdend element bevat. De rechtbank noemt onder andere drugstoerisme, vormen van illegale handel zoals drugs- en wapenhandel, illegale grensoverschrijdingen, illegale arbeid en criminaliteit waarbij het vreemdelingenaspect een belangrijke rol speelt. Een ruimere uitleg, bijvoorbeeld inhoudende dat de Kmar bevoegd is een onderzoek in te stellen bij alle criminaliteit welke zich in de grensstreek afspeelt, komt volgens de rechtbank echter in strijd met de tekst en bedoeling van art 6 lid 1 sub d van de Politiewet.

Uit de stukken welke zich in het dossier bevinden, en de rechtbank noemt dan met name de CIE informatie, het inleidende proces-verbaal en de machtiging tot binnentreden, blijkt dat het onderzoek in deze zaak zich richt op het bezit van wapens door verdachte. Die verdenking is de reden van het onderzoek door de Kmar. De bevoegdheid van de Kmar dient vervolgens ook beoordeeld te worden op grond van die verdenking.

De rechtbank ziet zich dus voor de vraag gesteld of het bezit van wapens een delictsvorm is die naar zijn aard, of naar algemene ervaringsregels, een grensoverschrijdend karakter heeft. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Het enkele bezit is, in tegenstelling tot bijvoorbeeld wapenhandel, niet een dergelijke delictsvorm met een grensoverschrijdend karakter. Hieruit vloeit voort dat de Kmar niet bevoegd was een onderzoek in te stellen naar het vermeende wapenbezit van verdachte. De uit dat onderzoek naar voren gekomen bevindingen, ook voor zover die betrekking hebben op de verdovende middelen, dienen te worden beschouwd als onrechtmatig verkregen en kunnen niet meewerken tot de veroordeling van verdachte. Van andere bewijsmiddelen, die niet te betitelen zijn als het rechtstreekse gevolg van genoemd onbevoegd optreden, is niet gebleken. Er zijn derhalve geen wettige bewijsmiddelen voorhanden waarop een bewijs van het tenlastegelegde kan worden gegrond.

De vrijspraak

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De redengeving van de op te leggen maatregel

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (wapen met zes patronen) is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het feit is begaan.

Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

Ten aanzien van het overige in de beslissing als zodanig te noemen in beslaggenomen en nog niet teruggegeven geld, gelast de rechtbank de teruggave aan verdachte.

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomene, te weten:

200318106713 6 1.00 STK Wapen Kl:chroom

ME 38 Pocket 023150 met 6 patronen;

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomene, te weten:

200318106713 7 Geld Nederlands,

7 x € 10,-; 20x €20,-; 18x € 50,-;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. M.J.H.T. Peters en mr. J.P.M. Schwillens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Wijckerheld Bisdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2004, zijnde mr. J.P.M. Schwillens buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.