Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO5918

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
19-03-2004
Zaaknummer
79823 - HA ZA 02-1117
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijs van betaling ten name van een ander; niet reageren op gemotiveerde betwising.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Vonnis : 17 maart 2004

Zaaknummer : 79823 / HA ZA 02-1117

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[Mr. Sterk q.q.]., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [H.], wonende te Kerkrade, en Top Business c.v., enig beherend vennoot van Top Communication c.v.,

wonende te Kerkrade,

eiser,

procureur mr. B.H. Boeijen;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te Heerlen,

gedaagde,

procureur mr. P.M.J. Graus (akte niet in staat).

1. Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen "de Curator", heeft gedaagde, [R. ], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. [Gedaagde] heeft daarna geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Omdat het de rechtbank met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk voorkwam, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld te repliceren en te dupliceren.

Vervolgens heeft de Curator gerepliceerd, zulks onder overlegging van producties, en wijziging van zijn eis. [Gedaagde] heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet geconcludeerd voor dupliek, zodat hem het recht daartoe is ontnomen.

Ten slotte heeft de Curator vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Op 3 december 2001 heeft een zekere [H.], handelende als beherend vennoot van de commanditaire vennootschap Top Communication c.v., kantoorhoudende te [adres], als verkoper, en [Gedaagde], als koper, een overeenkomst gesloten, welke - voorzover te dezen van belang - het volgende inhoudt:

"(…)in aanmerking nemende:

dat verkoper [op adres] een detailhandel drijft inhoudende de handel in telecommunicatieapparatuur;

dat verkoper de detailhandel de verkoopruimte huurt van Stichting Gemeenschappelijk Vastgoedfonds II te Amsterdam;

dat uit hoofde van voornoemde huurovereenkomst verkoper een huurschuld heeft die ten tijde van deze overeenkomst

fl. 15.044,20 bedraagt;

dat verkoper de middelen mist voornoemde huurschuld geheel of gedeeltelijk te voldoen;

dat koper bereid is voornoemde huur over te nemen en te voldoen onder de navolgende voorwaarden en bedingen;

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1.

Koper zal uiterlijk op 31 december 2002 aan Stichting Gemeenschappelijk Vastgoedfonds II de verschuldigde huur tot en met december 2002 ad. fl. 15.044,20 voldoen.

Artikel 2.

Na betaling van de in artikel 1 genoemde huursom zal terstond daarna door verkoper aan koper in eigendom worden overgedragen en zal koper in eigendom aannemen de gehele inventaris die zich bevindt in het gehuurde aan [adres]. De koopsom van de inventaris is vastgesteld op fl. 15.044,20. Voor de betaling van de koopsom verleent verkoper aan koper kwijting onder de voorwaarde dat de in artikel 1 genoemde huursom door verkoper aan de verhuurder zal zijn voldaan.(…)"

2.2 De Curator heeft een afschrift van een kwitantie in het geding gebracht, waarop - zakelijk weergegeven - het volgende staat vermeld. Op de kwitantie staat een kop afgedrukt luidende: "Dynamis ABC Vastgoedmanagers." Op de daar voor bestemde ruimte staat achter de tekst "Ontvangen van" vermeld: [S.] Internet Service v.o. 3198 0004 100 004 Top Communication." Als betaalde som vermeldt die kwitantie een bedrag van fl. 15.044,20 en als reden voor de ontvangst vermeldt die kwitantie: "mindering op huur Markt 7 - 1 april t/m dec. 2001."

2.3 De Curator stelt dat betaling van de huur door een derde, te weten [S.], niet kan gelden als betaling van de koopsom door [Gedaagde], nu een bekrachtiging als bedoeld in artikel 6:155 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW) ontbreekt. De failliete vennootschap - Top Communication c.v. - heeft er niet mee ingestemd dat de schuld van [Gedaagde] aan haar door een derde, te weten [S.], zou worden overgenomen.

2.4 Naar aanleiding van hetgeen [Gedaagde] bij conclusie van antwoord ten verwere heeft aangevoerd, heeft de Curator de grondslag van zijn vordering als volgt gewijzigd dan wel aangevuld. De Curator stelt zich naar aanleiding van het verweer van [Gedaagde] op het standpunt dat uit niets blijkt dat [Gedaagde] uit eigen middelen en in eigen naam de huurschuld heeft betaald. Indien juist is de stelling van [Gedaagde], dat [S.] Internet Service (verder te noemen: [S.]) formeel juridisch de huurster van het pand was, dan is de omstreden betaling door [Gedaagde] ook geen betaling van een huurschuld van de failliet maar van [S.]. Naar de overtuiging van de Curator heeft [S.] echter haar eigen schuld zelf aan de verhuurder voldaan en is daarvoor ook door de verhuurder gekweten. Als de failliet al een schuld had, dan was dat aan [S.] en niet aan de verhuurder.

2.5 Subsidiair stelt de Curator zich op het standpunt dat de ten processe bedoelde koopovereenkomst onverplicht is aangegaan en dat benadeling van de schuldeisers daarvan het gevolg is, nu indien de inventaris in het vermogen van de failliet was gebleven, de Curator deze ten bate van alle crediteuren had kunnen verzilveren, terwijl in het onderhavige geval slechts één crediteur gebaat is bij de transactie, te weten de verhuurder. Dat de schuldeisers door de omstreden transactie zouden worden benadeeld, was de failliet en [Gedaagde] volgens de Curator ook bekend.

2.6 De Curator heeft op grond van het vorenstaande, en na wijziging van zijn eis, gevorderd:

primair: dat [Gedaagde] bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om aan hem te betalen een bedrag van € 6.826,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2002;

subsidiair: dat de rechtbank voor recht verklaart dat de buitengerechtelijke vernietiging door de Curator van de ten processe bedoelde koopovereenkomst van 22 juli 2003 rechtsgeldig is geweest, althans dat de rechtbank die koopovereenkomst op grond van artikel 42 van de Faillissementswet (verder te noemen: Fw) vernietigt;

en, hetzij: [Gedaagde] veroordeelt de volledige inventaris aan de Curator terug te geven, op straffe van een dwangsom van € 250,-- voor elke dag dat [Gedaagde] na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan deze veroordeling geen volledige uitvoering geeft, waarvan pas sprake is indien [Gedaagde] van de Curator de schriftelijke bevestiging ontvangt dat de oorspronkelijke inventaris daadwerkelijk is geretourneerd, met daaraan gekoppeld de veroordeling van [Gedaagde] tot betaling aan de Curator van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen vergoeding voor het gebruik door [Gedaagde] van die inventaris sedert 1 februari 2002 tot datum vonnis, althans een in goede justitie te bepalen andere datum;

hetzij: [Gedaagde] veroordeelt een bedrag te betalen gelijk aan de koopsom;

het een en ander met veroordeling van [Gedaagde] in de kosten van de procedure.

2.7 De vordering wordt door [Gedaagde] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord.

3. De beoordeling

3.1 In het onderhavige geschil is allereerst van belang of er eigenlijk wel sprake is geweest van betaling door of namens [Gedaagde] van een huurschuld van de failliet. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet, dan wel onvoldoende, komen vast te staan. Daarbij is het volgende van belang. De in 2.2 bedoelde kwitantie vermeldt niet [Gedaagde] als betaler, maar [S.]. Volgens [Gedaagde] was [S.] ook de officiële - formele - huurder van het pand, terwijl in praktijk de failliet het pand gebruikte, maar wilde de verhuurder niet instemmen met de overname door de failliet van de huurovereenkomst voordat de bestaande huurachterstand zou zijn weggewerkt. In dat licht bezien is niet te begrijpen waarom in de in 2.1 gedeeltelijk geciteerde overeenkomst, die onweersproken door [Gedaagde] is opgesteld, de failliet als huurder wordt aangemerkt van het [adres] en niet [S.]. De rechtbank merkt daarbij nog op dat zij het in de overeenkomst genoemde jaar 2002 in artikel 1 daarvan verbeterd leest als 2001.

3.2 Het vorenstaande maakt dan ook aannemelijk de stelling van de Curator bij conclusie van repliek, dat de omstreden kwitantie diende tot bewijs van het feit dat [S.] de door haar zelf verschuldigde huur aan de verhuurder zelf heeft voldaan en niet dat uit de kwitantie zou blijken dat [Gedaagde] de door de failliet verschuldigde huur zou hebben voldaan.

3.3 Met vorenstaande stelling, gezien in het licht van het in 3.1 overwogene, is het verweer van [Gedaagde] bij diens conclusie van antwoord zodanig gemotiveerd weersproken, dat [Gedaagde] op zijn beurt daarop bij conclusie van dupliek gemotiveerd had moeten reageren teneinde toewijzing van de vordering te voorkomen. Nu [Gedaagde] dat niet heeft gedaan, ligt de vordering als onvoldoende weersproken voor toewijzing gereed; op [Gedaagde] rust immers het bewijs van zijn stelling dat hij heeft betaald.

3.4 Daar reeds op grond van het vorenstaande de vordering, welke wat betreft haar omvang niet is weersproken, voor toewijzing gereed ligt, behoeven de overige door de Curator aangevoerde stellingen geen bespreking meer.

3.5 Al het vorenstaande brengt met zich dat de vordering moet worden toegewezen en dat [Gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit geding dient te dragen.

4. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [Gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Curator te betalen het bedrag van € 6.826,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2002 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van de procedure aan de zijde van de Curator gevallen en tot op heden begroot op:

kosten exploot € 65,18

vast recht € 230,00

salaris procureur 993,00

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bregonje, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MT