Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO5878

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
18-03-2004
Zaaknummer
85229 - HA ZA 03-668
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toepasselijkheid van de algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Vonnis : 10 maart 2004

Zaaknummer : 85229 / HA ZA 03-668

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma [Naam vof],

gevestigd en kantoor houdende te Brunssum,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie, gedaagde in het incident sub 1,

procureur mr. H.F.A. Bronneberg;

2. [Naam], vennoot van eiseres sub 1,

wonende te Brunssum,

eiser in conventie, verweerder in reconventie, gedaagde in het incident sub 2,

procureur mr. H.F.A. Bronneberg;

3. [Naam], vennote van eiseres sub 1,

wonende te Brunssum,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie, gedaagde in het incident sub 3,

procureur mr. H.F.A. Bronneberg;

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Naam bouwbedrijf].,

gevestigd en kantoor houdende te Houthem-Valkenburg, gemeente Valkenburg aan de Geul,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, eiseres in het incident,

procureur mr. I.C.P.Th.M. Bakers.

1. Het verloop van de procedure

Eisers in conventie in de hoofdzaak, hierna gezamenlijk en in enkelvoud te noemen "[V.]", hebben gedaagde in conventie in de hoofdzaak, hierna te noemen "[C. ] B.V.", gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en gevorderd als in die dagvaarding vermeld. Op de eerstdienende dag heeft [V.] bij akte producties in het geding gebracht. [C. ] B.V. heeft daarna in het incident een conclusie houdende onbevoegdverklaring genomen en geantwoord in conventie, alsmede een conclusie van eis in reconventie genomen, zulks onder het overleggen van producties.

Vervolgens heeft [V.] een incidentele conclusie van antwoord genomen. Daarna heeft [C. ] B.V. onder overlegging van producties een akte genomen, waarna [V.] een antwoordakte heeft genomen.

Vervolgens heeft [C. ] B.V. nog een akte willen nemen, hetgeen door de rolrechter is geweigerd.

Tenslotte heeft [V.] in het incident vonnis gevraagd op het rechtbankdossier en heeft de procureur van [C. ] B.V. geen rolhandeling meer verricht. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vordering

In de hoofdzaak

In conventie

2.1 Partijen hebben een overeenkomst van onderaanneming gesloten terzake de uitvoering van betonwerkzaamheden in 29 nieuw te bouwen appartementen in Brunssum, alsmede terzake levering van alle bekistingsmaterialen voor de fundering, wanden en vloeren.

2.2 [V.] stelt -kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende.

2.2.1 Na aanvang van de werkzaamheden is [V.] door [C. ] B.V. enkele malen aangesproken op de kwaliteit en de voortgang van diens werkzaamheden. Zo heeft [C. ] B.V. [V.] bij brief van 6 november 2000 erop gewezen dat de veiligheidsvoorzieningen niet in acht worden genomen, alsmede dat de werkzaamheden, welke voor de stort gereed dienden te zijn, niet zijn afgerond. [V.] heeft tegen de door [C. ] B.V. geuitte klachten steeds gemotiveerd verweer gevoerd.

2.2.2 Op 14 december 2000 ontvangt [V.] een brief waarin [C. ] B.V. de tussen partijen gesloten overeenkomst ontbindt en een bedrag vordert van fl. 9.145,- exclusief BTW.

2.2.3 Op 28 maart 2002 wijst de rechtbank Maastricht het verzoek tot het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek toe, met benoeming van Ir. Ch.J. de Vilder als deskundige.

Deze deskundige heeft het navolgende vastgesteld:

- de kosten van het zogenaamd herstel, zoals is genoemd in de beantwoording van vraag 1 van het deskundigenrapport, voor rekening van [V.] bedragen in totaal € 4.537,80 exclusief BTW;

- met inachtneming van de hoofsom en het in mindering brengen van de herstelkosten dient [C. ] B.V. nog een bedrag van € 18.645,38 te betalen;

- de winstderving van [V.] kan worden begroot/beraamd op € 4.170,24.

2.2.4 Na het deskundigenonderzoek heeft [V.] [C. ] B.V. gesommeerd tot betaling van een bedrag van in totaal € 22.815,62. [C. ] B.V. reageert op de sommatie door te stellen dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn alsmede door te stellen dat zij nog een vordering op [V.] heeft omdat laatstgenoemde schade zou hebben veroorzaakt. Dit is onjuist omdat [C. ] B.V. dit standpunt ook in het voorlopige deskundigenonderzoek naar voren heeft gebracht en de deskundige de vordering van [C. ] B.V. niet heeft gehonoreerd omdat deze niet is onderbouwd, althans onjuist is. De algemene voorwaarden van [C. ] B.V. zijn niet van toepassing, omdat deze niet aan [V.] ter hand zijn gesteld en omdat een bestendige relatie tussen partijen ontbreekt.

2.2.5 [V.] maakt aanspraak op wettelijke rente alsmede op buitengerechtelijke incassokosten, alsmede op de kosten van het voorlopige deskundigenonderzoek.

2.3 Op grond van het vorenstaande heeft [V.] gevorderd dat [C. ] B.V. bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen:

- een bedrag van € 22.815,62, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van verzuim, zijnde 1 december 2000, althans vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift voorlopig deskundigenonderzoek, zijnde 29 januari 2002, althans vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

- een bedrag van € 2.250,- exclusief BTW terzake buitengerechtelijke incassokosten,

dit alles met veroordeling van [C. ] B.V. in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde en de kosten van het voorlopig deskundigenonderzoek van € 1.361,34 alsmede de griffierechten.

2.4 De vordering wordt door [C. ] B.V. weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in conventie.

In reconventie

2.5 [C. ] B.V. heeft haar eis in reconventie voorwaardelijk ingesteld, namelijk indien en voor zover de rechtbank zich bevoegd verklaard van de vordering in conventie kennis te nemen.

2.6 [C. ] B.V. stelt -kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende.

[V.] is toerekenbaar tekort geschoten en in verzuim terzake een aantal verplichtingen. In totaal bedraagt de door [C. ] B.V. geleden schade inclusief buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 104.917,61.

Bij brief van 13 november 2002 heeft [C. ] B.V [V.] voor deze schade aansprakelijk gesteld en haar gesommeerd de schade te vergoeden waarbij het [V.] werd toegestaan een bedrag van € 10.875,- te verrekenen terzake aan [V.] nog toekomende aanneemsom. Op deze sommatie heeft [V.] niet positief gereageerd, zodat hij op 28 november 2002 ook terzake betaling van de door [C. ] B.V. geleden schade in verzuim is geraakt.

2.7 Op grond van het vorenstaande heeft [C. ] B.V. gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen partijen gesloten op 16 oktober 2000 is ontbonden bij brief van 14 december 2000 voor de toekomst en voor zover ondeugdelijk uitgevoerd dan wel de overeenkomst op grond van het tekortschieten van [V.] te ontbinden voor de toekomst en voor zover de overeenkomst ondeugdelijk is uitgevoerd;

2) verklaart voor recht dat [C. ] B.V. terzake de door [V.] verrichte werkzaamheden enkel nog verschuldigd is een bedrag van € 10.864,31 en dat [C. ] B.V. gerechtigd is voormeld bedrag te verrekenen met hetgeen [V.] blijkens de vordering onder 3 nog aan haar verschuldigd is;

3) [V.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen terzake schadevergoeding aan [C. ] B.V. te voldoen een bedrag van € 104.917,61, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 november 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

4) [V.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van het geding.

In het incident

2.8 [C. ] B.V. heeft gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen, daartoe - kort samengevat - aanvoerend dat blijkens artikel 10 van de toepasselijke algemene voorwaarden van onderaanneming de Raad van Arbitrage bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

2.9 De vordering wordt door [V.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in het incident, alsmede naar de door [V.] genomen antwoordakte.

3. De beoordeling

In het incident

3.1 [C. ] B.V. heeft bij akte van 12 november 2003 een onderaannemingsovereenkomst in het geding gebracht welke door beide partijen is ondertekend. In deze overeenkomst zijn de bijgevoegde algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Volgens [C. ] B.V. zijn de hiervoor bedoelde voorwaarden derhalve van toepassing op de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst.

[V.] heeft zich tegen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden verweerd door aan te voeren dat zij zich niet kan herinneren dat zij de overeenkomst heeft ondertekend,

weshalve [C. ] B.V. dient te bewijzen dat de "handtekening" van [V.] ook daadwerkelijk de handtekening van laatstgenoemde is. Voorts heeft zij ten verwere aangevoerd dat tussen partijen niets schriftelijk is overeengekomen.

3.2 Blijkens artikel 159 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering behoeft de echtheid van de handtekening onder een onderhandse akte alleen te worden bewezen wanneer de wederpartij haar stellig ontkent, dat wil zeggen wanneer de wederpartij, in casu [V.], met duidelijke en ondubbelzinnig bewoordingen verklaart dat de handtekening onder de litigieuze akte niet de hare is.

Naar het oordeel van de rechtbank levert hetgeen [V.] ten verwere heeft aangevoerd geen stellige ontkenning op van de echtheid van de handtekening als bedoeld in voormeld artikel. Zowel de stelling van [V.] dat zij zich niet kan herinneren dat zij de overeenkomst heeft ondertekend, alsmede de stelling dat tussen partijen niets schriftelijk is overeengekomen, zijn immers geen stellige ontkenning van de echtheid van de handtekening van [V.]. Hetzelfde geldt voor de stelling van [V.] dat [C. ] B.V. dient te bewijzen dat de handtekening van [V.] ook daadwerkelijk de handtekening van [V.] is. Deze stelling is immers gebaseerd op de eerdere stelling van [V.], inhoudende dat zij zich niet kan herinneren dat zij de overeenkomst heeft ondertekend, en gaat bovendien uit van de onjuiste premisse dat [C. ] B.V. reeds op basis van laatstgenoemde stelling zou zijn gehouden tot bewijslevering.

Bij gebreke van een stellige ontkenning van de echtheid van de handtekening dient in het navolgende van de echtheid van de handtekening van [V.] te worden uitgegaan.

3.3 De vraag of de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst, met andere woorden de vraag of de algemene voorwaarden door [V.] zijn aanvaard, moet worden beantwoord aan de hand van de artikelen 3:33 en 3:35 van het Burgerlijk Wetboek. Voor toepasselijkheid is normaliter voldoende dat een verwijzing naar de algemene voorwaarden, zoals in casu, is afgedrukt op de overeenkomst. Voldoende is immers dat de wederpartij van de gebruiker van de voorwaarden weet heeft van het bestaan van die voorwaarden. De inhoud van de algemene voorwaarden hoeft de wederpartij niet te kennen.

Vast staat dat in de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst de algemene voorwaarden van toepassing worden verklaard. Door vervolgens geen bezwaar te maken tegen de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden -[V.] heeft de overeenkomst ondertekend- heeft [V.] de toepasselijkheid van die voorwaarden naar het oordeel van de rechtbank aanvaard.

3.4 Nu [V.] geen vernietiging van enig beding in de algemene voorwaarden vordert, doet niet terzake dat deze voorwaarden volgens [V.] niet aan haar ter hand zijn gesteld.

3.5 Op grond van het vorenstaande -partijen zijn het erover eens dat indien de algemene voorwaarden van toepassing zijn, uit de arbitrageclausule volgt dat de Raad van Arbitrage de bevoegde geschillenbeslechter is- dient de incidentele vordering te worden toegewezen en dient [V.] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit incident te dragen.

In de hoofdzaak

In conventie

3.6 Gelet op hetgeen hiervoor in het incident is beslist, is de rechtbank onbevoegd om van de vordering in onderhavige zaak kennis te nemen.

In reconventie

3.7 Nu de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering werd ingesteld niet is vervuld, behoeft de reconventionele vordering geen bespreking meer.

4. De beslissing

De rechtbank:

In het incident

wijst het gevorderde toe;

veroordeelt [V.] in de kosten van dit incident aan de zijde van [C. ] B.V. gerezen en tot aan deze uitspraak begroot op € 780,- voor salaris procureur;

In de hoofdzaak

In conventie

verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen;

In reconventie

verstaat dat op de vordering niet meer behoeft te worden beslist.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sijmonsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.