Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO5873

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-03-2004
Datum publicatie
18-03-2004
Zaaknummer
78860 - HA ZA 02-973
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling stamrechtovereenkomst na overlijden echtscheiding en hertrouw van een rechthebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Vonnis : 10 maart 2004

Zaaknummer : 78860 / HA ZA 02-973

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[Naam eiseres],

wonende te [Naam woonplaats],

eiseres,

procureur mr. R.J.A.F. Caris;

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Naam Beheer] VALKENBURG A/D GEUL B.V.,

gevestigd te Valkenburg,

gedaagde,

procureur mr. M. Moszkowicz sr.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Gedaagde heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Bij brief van 3 februari 2003 is door eiseres een productie overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Omdat het de rechtbank met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk voorkwam, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld te repliceren en te dupliceren.

Vervolgens heeft eiseres een conclusie van repliek tevens akte houdende wijziging c.q. vermeerdering van eis genomen, zulks onder overlegging van een productie, en heeft gedaagde geconcludeerd voor dupliek.

Partijen hebben voorts, onder overlegging van een productie, nog elk een akte genomen.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eiseres stelt kort gezegd op grond van het volgende recht te hebben op een lijfrente-uitkering.

2.1.1 [B. ] heeft verschillende door hem geëxploiteerde ondernemingen en/of zakelijke activiteiten ingebracht in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Handel- en Exploitatiemaatschappij [G.]. Gedaagde is de rechtsopvolgster van [G.]. Bij overeenkomst d.d. 30 september 1974 (hierna de overeenkomst genoemd) heeft [B.] uit hoofde van het aan hem als oprichter/inbrenger toekomende aandeel in goodwill en stille reserves in [G.], van deze een stamrecht als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 bedongen. Artikel c van de overeenkomst houdt in: "Het stamrecht door inbrenger [B.] bedongen geeft aanspraak op een lijfrente ingaande op zestien mei negentienhonderd zeven en tachtig en uit te keren aan de inbrenger en diens echtgenote tot het overlijden van de langstlevende hunner, en voor het geval inbrenger overlijdt vóór zestien mei negentienhonderd zeven en tachtig ingaande de dag van overlijden en uit te keren aan diens echtgenote tot haar overlijden, met dien verstande dat de lijfrente na het overlijden van de inbrenger wordt teruggebracht tot zeventig procent".

2.1.2 Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst was [B.] in gemeenschap van goederen gehuwd met [S.], welk huwelijk op 24 november 1993 is onbonden. Vervolgens is [B.] in het huwelijk getreden met eiseres. Deze huwelijkse staat duurde voort tot aan het moment van overlijden van [B.] op 15 september 2001.

2.1.3 Als echtgenote ten tijde van het overlijden van [B.] is eiseres gerechtigd tot de in het geding zijnde rechten, te weten 70% van de lijfrente zoals die ten tijde van het leven van [B.] werd uitgekeerd.

2.1.4 Gedaagde heeft, ondanks herhaalde verzoeken, enige uitkering na overlijden van [B.] aan eiseres geweigerd, zich op het standpunt stellende dat enkel [S.], zijnde de echtgenote van [B.] ten tijde van het sluiten van de stamrechtovereenkomst, als rechthebbende kan worden aangemerkt.

2.1.5 Het standpunt van gedaagde is rechtens onjuist. [S.] komen geen rechtstreekse aanspraken op grond van de stamrechtovereenkomst toe. Deze is gesloten tussen gedaagde, althans haar rechtsvoorgangster, en [B.], en wel op diens 'lijf'; [S.] was hierbij uitdrukkelijk geen partij. De overeenkomst bevatte evenmin een derdenbeding in die zin dat [S.] een zelfstandig vorderingsrecht werd verleend. Het stamrecht is bij deze overeenkomst met zoveel woorden bedongen ten behoeve van [B.] en diens echtgenote, zonder aanduiding van deze laatste bij naam. Het betreft hier een kwalitatieve aanspraak, die naast aan [B.] zelf, aan degene toekomt die de hoedanigheid c.q de kwaliteit van echtgenote van deze bezit. Bepalend daarbij is het tijdstip van overlijden van [B.]. Dat volgt uit de in de overeenkomst gebruikte term 'langstlevende hunner', uit het gegeven dat [B.] noch bij diens scheiding van [S.] noch op enig later moment de term 'echtgenote' heeft vervangen door - bijvoorbeeld - de naam '[S.]', alsmede uit de ratio van het beding, te weten het creëren van een voorziening van degene die hij bij zijn overlijden achterlaat, te weten eiseres. Enkel eiseres is dan ook aan te merken als 'echtgenote' in de zin van de overeenkomst.

2.1.6 Gedaagde heeft niet voldaan aan het verzoek c.q. de sommatie van eiseres haar te doen toekomen een deugdelijke calculatie van de aan haar toekomende rechten en aanspraken, betaling van de inmiddels ontstane achterstand alsmede bevestiging dat in de toekomst reguliere betalingen zullen plaatsvinden.

2.2 Eiseres heeft op grond van het vorenstaande - na wijziging en vermeerdering van eis - gevorderd, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat eiseres jegens gedaagde vanaf 15-09-2001 exclusief is gerechtigd tot de volledige (bruto) periodieke uitkering - zijnde 70% van de oorspronkelijke uitkering - uit hoofde van de [door wijlen B. ] bij overeenkomst d.d. 30-09-1974 jegens gedaagde bedongen rechten en aanspraken op een lijfrente c.q. stamrecht, onder gelijktijdige gehoudenheid van gedaagde die rechten en aanspraken aan eiseres uit te keren;

2. gedaagde te veroordelen om uiterlijk binnen een bij vonnis te bepalen termijn ten overstaan van een daarbij te benoemen Rechter-Commissaris volledig gedocumenteerde en schriftelijke rekening en verantwoording af te leggen terzake de omvang van de sub 1 bedoelde rechten en aanspraken waartoe eiseres is gerechtigd en welke gedaagde gehouden is aan eiseres te voldoen, zowel ten aanzien van de omvang van de inmiddels verstreken betalingsverplichtingen als de omvang van de toekomstige periodieke termijnen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag dan wel elke keer dat gedaagde met het verschijnen voor de Rechter-Commissaris en/of het rekening en verantwoording doen in gebreke mocht blijven;

3. gedaagde te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te voldoen de als resultante van de onder sub 2 bedoelde rekening en verantwoording voor gedaagde jegens eiseres voortvloeiende betalingsverplichtingen, deze bedragen nog vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de onderscheidelijke betaalvervaldata, subsidiair vanaf 03-08-2002, meer subsidiair vanaf de datum der inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

4. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.3 Gedaagde concludeert gemotiveerd tot niet-ontvankelijk verklaring van eiseres in haar vorderingen, althans haar die vorderingen te ontzeggen, alles met veroordeling van eiseres in de kosten van het geding. Hiertoe wordt verwezen naar de conclusies van antwoord en dupliek en het proces verbaal van de comparitie.

3. De beoordeling

3.1 Gedaagde heeft de onder 2.1.1 en 2.1.2 weergegeven feiten erkend of onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daar gaat de rechtbank dus van uit.

3.2 In zijn kern gaat het onderhavige geschil om de vraag wie (in ieder geval) vanaf 15 september 2001 - de datum van overlijden van [B.] - als rechthebbende is aan te merken van de lijfrente, voortvloeiende uit de tussen [B.] en gedaagde, als rechtsopvolgster van [G.], gesloten stamrechtovereenkomst. Meer concreet is de vraag of [S.] als echtgenote van [B.] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst c.q. het openvallen van het stamrecht, dan wel eiseres als echtgenote van [B.] ten tijde van diens overlijden gerechtigd is tot uitkering van hetgeen uit de stamrechtovereenkomst voortvloeit.

3.3 De aanleiding voor de hierboven geformuleerde vraag ligt in een onduidelijkheid van de bewoordingen van de stamrechtovereenkomst, en dan met name van de op pagina 3, onder c, van deze overeenkomst opgenomen zinsnede 'de inbrenger en diens echtgenote' (cursief rechtbank). Eiseres stelt dat het begrip 'echtgenote' zoals in de overeenkomst bedoeld, kwalitatief van aard en niet persoonsgebonden is: de hoedanigheid van echtgenote op 15 september 2001 zou in dit verband doorslaggevend zijn. Gedaagde daarentegen staat op het standpunt dat met dit begrip bij uitsluiting wordt bedoeld de echtgenote ten tijde van de eerste uitkering van de lijfrente aan [B.], zijnde 16 mei 1987. Zij verwijst hierbij naar de kop van de overeenkomst, waarin is vermeld: "[B.], restauranthouder, wonend te [adres], [geboorteplaats] op [geboortedatum], en gehuwd met mevrouw [S.]".

3.4 Vooraleer de rechtbank op deze kwestie nader ingaat, zal zij de, in dit kader door gedaagde opgeworpen en door eiseres betwiste, stelling moeten bespreken dat [S.] door aanvaarding van het ten behoeve van haar in de stamrechtovereenkomst gemaakte beding, op grond van artikel 6:254, eerste lid, BW, partij is geworden bij deze overeenkomst. Dat van aanvaarding aan de zijde van [S.] sprake is, wordt niet weersproken en moet dus als vaststaand worden beschouwd. Tegen deze achtergrond en gelet op het feit dat de strekking van de overeenkomst is mede aan de toenmalige echtgenote van [B.], zijnde [S.], het recht toe te kennen om naast [B.] de nakoming van de uit die overeenkomst voorvloeiende prestaties te vorderen, is de rechtbank van oordeel dat de stamrechtovereenkomst inderdaad een (door [S.] aanvaard) derdenbeding bevat. Dat laat echter onverlet dat [S.] geen partij is geworden bij deze overeenkomst. De onderhavige overeenkomst is gesloten d.d. 30 september 1974, onder het regime derhalve van artikel 1353 BW (oud), welk regime op grond van artikel 193 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek onderhavig derdenbeding beheerst. Dat regime kende geen met artikel 6:254, eerste lid, BW vergelijkbare bepaling.

3.5 Onderdeel c van de overeenkomst bevat met de woorden "de inbrenger en diens echtgenote" een beding dat voor meerder uitleg vatbaar is en dat de rechtbank hierna aan de hand van de "Haviltex-formule" zal uitleggen.

3.6 In dat verband hecht de rechtbank met name waarde aan het volgende. Op het moment van het openvallen van het stamrecht was [S.] de echtgenote van [B.]. Dit is met name relevant met het oog op de vaststelling van de omvang van het stamrecht. Blijkens productie 2 bij conclusie van antwoord is bij de berekening van dit stamrecht onder meer rekening gehouden met de leeftijd van de toenmalige echtgenote van [B.] en met de levensverwachting van een vrouw van haar leeftijd. Uit deze productie blijkt de - statistische - levensverwachting een wezenlijke factor te zijn geweest bij de berekening; wijzigingen in deze factor zouden onontkoombaar hun invloed hebben gehad op de uitkomst van de berekening. Deze uitkomst was voor gedaagde mitsdien van groot belang om haar financiële risico's die met een stamrechtovereenkomst naar haar aard samenhangen, adequaat voor de toekomst te kunnen inschatten. Een 'kwalitatieve' invulling van het begrip 'echtgenote' zou voor gedaagde, bij een eenmaal vastgestelde lijfrente mede op basis van de levensverwachting van [S.], hebben geleid tot een onbepaald en onbepaalbaar risico. Niet kan worden aangenomen dat een dergelijk open risico door gedaagde onder ogen is gezien, laat staan is aanvaard. Daaraan doet niet af dat - zoals eiseres betoogt door haar verwijzing naar de productie, ingediende bij akte d.d. 9 september 2003 - de financiële consequenties in de huidige situatie mogelijk relatief beperkt zijn.

3.7 Bovenbedoelde belangen van gedaagde waren voor [B.] bekend of hadden dit tenminste moeten zijn, uiterlijk ten tijde van het openvallen van de lijfrente. Zou hij hebben gewild dat bij een eventuele ontbinding van het huwelijk zijn toenmalige echtgenote geen rechthebbende meer zou zijn, maar in plaats daarvan zijn mogelijke nieuwe echtgenote, dan had het op zijn weg gelegen om daarover enige bepaling in de stamrechtovereenkomst op te (doen) nemen. Bij gebreke daarvan moet worden aangenomen dat het de bedoeling van [B.] is geweest [S.] ook rechthebbende te laten blijven na een eventuele ontbinding van hun huwelijk.

3.8 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat beide partijen met de zinsnede 'diens echtgenote', zoals opgenomen in de stamrechtovereenkomst op pagina 3, onder c, hebben bedoeld aan te duiden [S.], zijnde de echtgenote ten tijde van het sluiten van de overeenkomst althans van het openvallen van de lijfrente. De rechtbank zal de vordering onder 1 derhalve afwijzen.

3.9 De overige vorderingen houden zozeer verband met de vordering onder 1, dat deze eveneens moeten worden afgewezen.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 193,00 aan griffierecht en € 1170,00 voor salaris procureur;

Dit vonnis is gewezen door mrs. Sijmonsma, De Kerpel-Van de Poel en Quaedvlieg, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.