Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO5274

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
10-03-2004
Zaaknummer
AWB 03/967 en 03/1559 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aangevoerd, dat er sprake is van dringende reden om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw. Deze zijn gelegen in de wijze waarop de beslissing tot terugvordering (alsmede de herzieningsbeslissing die hieraan ten grondslag ligt) tot stand is gekomen, met name voor wat betreft het onderzoek zoals dat naar haar situatie heeft plaatsgevonden en de rapportage die naar aanleiding daarvan is opgesteld, anderzijds vanwege de huidige financiële omstandigheden van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 107
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 967 en 03/1559 NABW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[A] te Maastricht, eiseres,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht -Dienst Sociale en Economische Zaken-, gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 22 mei 2003 (besluit I) en 23 september 2003 (besluit II).

Kenmerk: 98306208.

Behandeling ter zitting: 22 januari 2004.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij de in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten van 22 mei 2003 en 23 september 2003 heeft verweerder de namens eiseres ingediende bezwaarschriften van respectievelijk 17 april 2003 en 26 augustus 2003 tegen de door verweerder genomen besluiten van 9 april 2003 en 25 juli 2003 respectievelijk deels gegrond en ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemde besluiten is namens eiseres bij schrijven van 3 juli 2003 en 30 oktober 2003, door mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat te Maastricht, beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 22 januari 2004, alwaar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door gemachtigde bovengenoemd en door mevrouw T.H. Yeung Tran optredend als tolk.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer M. Bruynzeels.

II. OVERWEGINGEN.

A. De feiten.

Eiseres ontving sedert 28 januari 1997 een uitkering in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van éénoudergezin vanwege verweerders gemeente.

Na onderzoek door de Sociale Recherche heeft verweerder bij besluit van 23 januari 2003 de Abw-uitkering van eiseres met terugwerkende kracht per 1 januari 2001 beëindigd omdat eiseres met haar ex-man samenwoont en het inkomen van hem hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

Er wordt een bedrag van € 15.985,15 bruto teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Tegen dit besluit is geen bezwaar ingediend.

Bij besluit van 9 april 2003 heeft verweerder een bruto-bedrag van € 15.157,90 van eiseres en haar ex-man teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid, juncto artikel 90 van de Abw. Voorts wordt een netto-bedrag van € 616,21 aan verstrekte declaratieregelingen teruggevorderd.

Tegen dit besluit is bij schrijven van 17 april 2003 namens eiseres een bezwaarschrift ingediend tevens inhoudende een verzoek tot herziening van het besluit van 23 januari 2003.

Eiseres en haar gemachtigde hebben een uitnodiging ontvangen om op 14 mei 2003 op het bezwaar te worden gehoord. De gemachtigde van eiseres heeft op 12 mei 2003 telefonisch laten weten hiervan geen gebruik te maken. Wel heeft zij bij schrijven van 13 mei 2003 de gronden van bezwaar nader aangevuld welke tevens gelden als aanvulling van het herzieningsverzoek.

Het herzieningsverzoek is bij schrijven van 16 juli 2003 nogmaals aangevuld.

Bij besluit van 25 juli 2003 heeft verweerder besloten het beëindigingsbesluit te handhaven omdat niet is gebleken van nieuwe of gewijzigde aantoonbare feiten en/of omstandigheden.

Bij brief van 26 augustus 2003 is namens eiseres tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

In het kader van de bezwaarschriftenprocedure heeft op 11 september 2003 een hoorzitting plaatsgevonden. Van deze zitting is verslag opgemaakt dat zich bij de gedingstukken bevindt.

B. De bestreden besluit I en II.

Bij het thans bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres gericht tegen de terugvordering deels gegrond verklaard.

Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat de door eiseres aangevoerde financiële omstandigheden alsmede de overige omstandigheden naar het oordeel van verweerder geen dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

Voorts overweegt verweerder dat de brutering van de vordering niet geheel juist is vastgesteld. De bruto-vordering dient te worden verlaagd met de premies volksverzekeringen ad € 797,73 (werkgevers- en werknemersziekenfondspemie), aangezien deze door de gemeente kunnen worden verrekend met het UWV. Dit deel van het bezwaar wordt gegrond verklaard.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb wordt een proceskostenvergoeding in bezwaar toegekend van € 322,--.

Bij het thans bestreden besluit II heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres gericht tegen het besluit van 25 juli 2003, hetgeen een afwijzing van het herzieningsverzoek inhield, ongegrond verklaard.

Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat namens eiseres geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, zodat op grond van artikel 4:6 van de Awb het verzoek terecht is afgewezen. Voorts is niet gebleken dat het besluit in strijd is met de wet of dat er strijd is met het beginsel van fair play en equality of arms.

C. Het beroep.

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aangevoerd, dat er sprake is van dringende reden om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw. Deze zijn gelegen in de wijze waarop de beslissing tot terugvordering (alsmede de herzieningsbeslissing die hieraan ten grondslag ligt) tot stand is gekomen, met name voor wat betreft het onderzoek zoals dat naar haar situatie heeft plaatsgevonden en de rapportage die naar aanleiding daarvan is opgesteld, anderzijds vanwege de huidige financiële omstandigheden van eiseres.

Het onderzoek en de rapportage zijn onzorgvuldig en kunnen de daarop gebaseerde en/of daaruit voortvloeiende beslissingen niet dragen. Het bevat onjuistheden, bestaande uit uitlatingen die eiseres en haar ex-man niet gedaan kunnen hebben nu zij de Nederlandse taal niet of nauwelijks spreken.

De ex-man van eiseres is sedert 26 juli 2002 met een andere partner getrouwd met wie hij al geruime tijd een relatie had voor die tijd en met wie hij in ieder geval een deel van de onderhavige periode heeft samengewoond.

De ex-man kwam en komt geregeld, doorgaans op twee dagen per week, op het adres van eiseres vanwege het contact met de drie kinderen. Eiseres heeft de auto van haar ex-man tot haar beschikking gehad in de periode dat zij ziek was en moeilijk ter been.

Met betrekking tot de huidige financiële situatie geldt dat eiseres sinds de beëindiging van de Abw uitkering moet rondkomen van haar verdiensten uit parttime werk als kamermeisje en de alimentatie die zij voor de kinderen ontvangt. Van dit inkomen is zij niet in staat enige aflossing te doen. Een schuld als de onderhavige zal onevenredig zwaar en langdurig op haar blijven drukken zonder dat er uitzicht is op aflossing ervan.

Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van 23 september 2003 is namens eiseres aangevoerd dat ten onrechte het besluit van 25 juli 2003 gehandhaafd wordt inhoudende een afwijzing van het verzoek om herziening. Hiertoe wordt hetgeen in bovenstaand beroep is aangevoerd grotendeels herhaald.

Tevens wordt gesteld dat zij niet tijdig in bezwaar is gekomen tegen het beëindigingbesluit van 23 januari 2003 omdat zij zich schaamde voor haar situatie en hierover met niemand wilde spreken. In haar cultuur is echtscheiding een taboe. Pas toen zij zodanig in de problemen was geraakt door de stopzetting van haar uitkering en daaropvolgende terugvordering van uitkering dat zij niet meer wist wat te doen, wendde zij zich tot haar schoonzus. Deze heeft haar vervolgens geholpen om haar problemen aan te pakken en begeleidt haar steeds.

Eiseres stelt dat de nieuwe feiten en/of omstandigheden zijn gelegen in het feit dat er sprake is van een taalprobleem. Eiseres is geneigd om bevestigend te knikken of te antwoorden wanneer haar iets gevraagd wordt, doch vaak betekent dit niet dat zij de ander begrepen heeft. Dit speelt haar ook hier telkens parten.

Als er al geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden dan is er in ieder geval sprake van schending van elementaire rechtsbeginselen.

Het kan niet zo zijn dat iemand gehouden wordt aan een verklaring die zij heeft ondertekend doch waarvan zij de inhoud, strekking en gevolgen geenszins heeft begrepen. Degene die van een dergelijke verklaring gebruik wil maken dient zich er van te vergewissen dat de ondertekenaar weet wat zij ondertekent.

Het door verweerder aangevoerde dienaangaande wordt bestreden en vormt geen bewijs van de stelling dat eiseres de Nederlandse taal voldoende machtig is om te begrijpen wat haar is verteld en wat zij heeft ondertekend. In haar contacten met de gemachtigde communiceert eiseres middels haar schoonzus die als tolk optreedt.

Dit in combinatie met de door eiseres aangevoerde en onderbouwde stellingen omtrent de nieuwe relatie en het huwelijk van haar ex-man had in ieder geval voldoende grond moeten zijn om de primaire beslissing te herzien dan wel hiernaar een nader onderzoek in te stellen. Dit klemt temeer gezien het belang dat hierbij voor eiseres aan de orde is. Ten onrechte is dit niet gebeurd.

D. Het verweer.

In het verweerschrift ten aanzien van het beroep tegen besluit I heeft verweerder benadrukt dat er geen bezwaar meer kan worden gemaakt tegen het besluit van 23 januari 2003. Er dient met betrekking tot de terugvordering te worden uitgegaan van hetgeen in dit besluit is gesteld. De financiële situatie is op zich geen reden om af te zien van terugvordering.

Met betrekking tot de invordering kan hieromtrent nog worden opgemerkt dat op 2 mei 2003 een verzoek tot wijziging van de terugbetalingsverplichting is ingediend. Naar aanleiding hiervan is de terugbetalingsverplichting stopgezet en loopt er momenteel een onderzoek naar de aflossingscapaciteit. Voor het overige wordt verwezen naar het reeds gestelde.

E. De beoordeling.

In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de bestreden besluiten in rechte in stand kunnen blijven. Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden is overgegaan tot afwijzing van het herzieningsverzoek en of er dringende reden zijn om van de terugvordering van een bedrag van € 14.360,17 over de periode 1 januari 2001 tot en met 31 oktober 2002 af te zien.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het besluit tot herziening en terugvordering van 23 januari 2003 onherroepelijk is. In het thans bestreden besluit is enkel de hoogte van de terugvordering (marginaal) gewijzigd. Eiseres kan hiermee enkel nog opkomen tegen de hoogte van de terugvordering voor zover zij door de wijziging in haar belang is getroffen. Ter zake zijn noch in bezwaar noch in beroep gronden aangevoerd. Verweerder had eiseres op dit onderdeel niet-ontvankelijk moeten verklaren in haar bezwaar.

Ingevolge artikel 78, derde lid, van de Abw kan verweerder indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien.

Gelet op de aard van deze bepaling kan verweerder hieraan alleen toepassing geven bij het nemen van een besluit tot terugvordering, ook de ter zake dit aspect aangevoerde bezwaren hadden naar voren gebracht moeten worden in een procedure tegen het thans onherroepelijke besluit; ook ten aanzien van dit aspect had verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Voorts zal de rechtbank beoordelen of verweerder terecht is overgegaan tot afwijzing van het herzieningsverzoek. Het verzoek van eiseres strekt ertoe dat verweerder terugkomt van het eerdere besluit van 23 januari 2003, welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden omdat eiseres daartegen geen bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank verstaat het bestreden besluit aldus dat, verweerder geweigerd heeft gebruik te maken van zijn bevoegdheid terug te komen van zijn eerder, rechtens onaantastbaar geworden besluit.

Naar het oordeel van de rechtbank dient een dergelijke weigering te worden geëerbiedigd, tenzij aan het eerdere besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan, dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken. Daarbij ligt het op de weg van de betrokkene die van het bestuursorgaan verlangt dat het terugkomt van een rechtens onaantastbaar geworden besluit, feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds als bezwaar- en beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht, dan wel de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat verweerder bij het besluit van 23 januari 2003 heeft geconcludeerd dat de heer Tang zijn hoofdverblijf had verplaatst en dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding met eiseres.

De rechtbank stelt voorts vast dat er thans in bezwaar en beroep voldoende gegevens zijn aangevoerd om in ieder geval de eerdere conclusie ernstig in twijfel te trekken. Namens eiseres zijn er voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die mogelijk de evidente onjuistheid van het besluit aantonen. Verweerder had derhalve niet zonder nader onderzoek naar de feitelijke situatie waarin eiseres tot aan het besluit van 23 januari 2003 verkeerde mogen besluiten dat er geen gronden waren voor herziening van het eerder genomen besluit. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij in het bijzonder aandacht had dienen te besteden aan de taalproblematiek en de gestelde culturele belemmeringen die eiseres ervan hebben weerhouden, zeker ook tijdens het verhoor door de sociale recherche, tijdig adequaat te handelen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het aldus genomen besluit niet voldoet aan de uit artikel 3:2 van de Awb voortvloeiende eisen en het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek te doen naar de mogelijke onjuistheid van het besluit van 23 januari 2003. Het bestreden besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

Ter zake het namens eiseres gedane beroep op artikel 8:73 van de Awb merkt de rechtbank op, dat verweerder thans opnieuw dient te beslissen op het namens eiseres ingediende bezwaarschrift zodat thans nog niet kan worden vastgesteld of verweerder moet worden gehouden tot vergoeding van schade.

Evenzo komt de rechtbank thans niet toe aan een oordeel over de proceskosten in bezwaar. Verweerder zal over dit aspect een besluit dienen te nemen naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift.

Tot slot merkt de rechtbank nog het volgende op. Na de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank kennis genomen van een door verweerder toegezonden besluit van 22 januari 2004, bekend gemaakt op 23 januari 2004. In dit besluit herroept verweerder het in de onderhavige procedure bestreden besluit van 22 mei 2003 (besluit I). Gelet op hetgeen de rechtbank ter zake dit besluit heeft overwogen en in rubriek III hierover zal beslissen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. Eiseres zal tegen de opgelegde boete een separaat beroep dienen in te stellen.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake 2 punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep tegen het besluit van 22 mei 2003 (besluit I) gegrond, doet hetgeen verweerder had behoren te doen en verklaart het bezwaar van 17 april 2003 alsnog niet-ontvankelijk;

2. verklaart het beroep tegen het besluit van 23 september 2003 gegrond en draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met betrekking tot het verzoek om herziening;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,-- wordt vergoed door de gemeente Maastricht;

4.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,-- wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2004 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Wolters w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 3 maart ’04

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.