Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO4806

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-02-2004
Datum publicatie
02-03-2004
Zaaknummer
89494 / KG ZA 04-18
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verbod tot de bouw van een extra verdieping en plat dak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Vonnis : 13 februari 2004

Zaaknummer: 89494 / KG ZA 04-18

Vonnis in kort geding

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[Naam eiser],

wonende te Maastricht,

eiser,

procureur: mr. R.H.J.G. Borger;

tegen:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MEDI-X B.V.,

statutair gevestigd te Sittard-Geleen en kantoorhoudende te Maastricht,

gedaagde,

procureur: mr. W.J. Dols.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, [J.], heeft gedaagde, hierna te noemen: "Medi-X", gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 28 januari 2004, heeft [Eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding. Ter zitting heeft [Eiser] producties overgelegd.

Medi-X heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [Eiser] is eigenaar van het pand aan [adres]. Medi-X is eigenaar van het aan dit pand grenzende pand [adres].

2.2 Medi-X is voornemens haar pand te gaan verbouwen, met dien verstande dat op de begane grond een fysiotherapiepraktijk wordt gevestigd en daarboven zeven appartementen over twee verdiepingen. Ter realisatie van deze plannen wordt op het thans bestaande plat dak van Medi-X een verdieping bijgebouwd.

2.3 Medi-X heeft op 5 juni 2002 een bouwvergunning aangevraagd. Door middel van een publicatie in de Maaspost zijn belanghebbenden vanaf 29 augustus 2002 gedurende 14 dagen in de gelegenheid gesteld eventuele bezwaren in te dienen tegen voornoemd bouwplan. Van deze mogelijkheid heeft niemand gebruik gemaakt.

De vergunning is op 21 oktober 2002 verleend. Medi-X is thans gestart met de realisatie van haar bouwplannen.

2.4 [Eiser] stelt -kort gezegd- dat indien Medi-X de hiervoor vermelde bouw realiseert, hij voorgoed verstoken zal blijven van zonlicht in zijn tuin alsook van zonlicht op de eerste en tweede verdieping van zijn pand. Verder stelt hij dat zijn uitzicht alleen nog uit baksteen zal bestaan. [Eiser] stelt tenslotte dat de door Medi-X geplande bouw van het dakterras een inbreuk op zijn privacy impliceert, omdat dit terras uitzicht op zijn tuin en slaapkamers biedt.

Bij schrijven d.d. 15 november 2003 heeft [Eiser] de directeur van Medi-X gesommeerd de verbouwingswerkzaamheden te staken. Medi-X heeft echter de verbouwingswerkzaamheden voortgezet.

2.5 Stellende dat de realisering van de bouwplannen onrechtmatig is heeft [Eiser] in dit geding gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Medi-X te verbieden een verdieping op het plat dak en een dakterras te realiseren als in het lijf van de dagvaarding omschreven, zulks op straffe van een dwangsom ad € 1.000,-- per dag dat Medi-X in strijd met dit verbod handelt;

II. Medi-X te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.6 Medi-X heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer zal, voor zover voor de onderhavige vordering van belang, in het navolgende worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1 Het -onbetwist gebleven- spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

3.2 De verdieping

3.2.1 Ter staving van de onderhavige vordering stelt [Eiser] allereerst dat de bouwplannen van Medi-X onder meer met zich brengen dat op het thans bestaande plat dak van Medi-X over een lengte van ongeveer 13 meter een 3 meter hoge verdieping wordt bijgebouwd.

[Eiser] stelt dat indien Medi-X deze bouwplannen realiseert, zijn tuin -in vergelijking met de thans bestaande situatie- een groot deel zonlicht zal gaan missen. [Eiser] stelt tevens dat het thans in de eerste en tweede verdieping binnenkomende zonlicht door de geplande verbouwing zal verdwijnen.

Dit alles brengt hem tot de slotsom dat deze bouwplannen onrechtmatige hinder oplevert in de zin van artikel 5:37 BW, zodat een verbod op zijn plaats is.

3.2.2 Medi-X voert hiertegen het verweer dat van onrechtmatige hinder als door [Eiser] gesteld geen sprake is. Zij stelt hiertoe het navolgende.

Medi-X heeft een aantal tekeningen overgelegd -opgemaakt door een door haar ingeschakelde architect dhr. [B.]- van de beschaduwing in de bestaande en in de nieuwe situatie -na de geplande verbouwing- in de tuin en op de eerste en tweede verdieping van [adres]. De berekening van deze beschaduwing is weergegeven op diverse dagen per jaar en op verschillende tijdstippen per dag.

Deze tekeningen laten zien dat de beschaduwing in de nieuwe situatie slechts marginaal toeneemt en dat [Eiser] voldoende zonlicht in zijn tuin en op de eerste en tweede verdieping zal krijgen.

Zij heeft verder een berekening -eveneens door dhr. [B.] gemaakt- van het zogenaamde "lichtinvalequivalent" in de bestaande en de toekomstige situatie overgelegd. Zij stelt dat vergelijking van de oude en nieuwe situatie aantoont dat de achteruitgang van het daglichtoppervlak na de verbouwing gedurende de dag 6,5 % bedraagt. Gelet op de binnenstedelijke lokatie van de onderhavige panden behoort deze marginale achteruitgang tot het maatschappelijk risico van [Eiser].

Tenslotte betwist Medi-X dat [Eiser] hinder ondervindt die als onrechtmatig bestempeld dient te worden omdat [Eiser] in de nieuwe situatie uitzicht op een muur van baksteen heeft. Zij stelt hiertoe dat -eveneens gelet op de binnenstedelijke lokatie- [Eiser] als burger er rekening mee dient te houden dat zijn uitzicht kan worden beperkt. Bovendien laat het bestemmingsplan de op de bouwtekening aangegeven hoogte toe.

Medi-X stelt dat gezien het door haar ter zitting gestelde alsook gelet op de door haar overgelegde stukken, zoal er sprake zou zijn van hinder, deze dermate gering is dat geen sprake is van onrechtmatigheid als door [Eiser] gesteld.

3.2.3 De voorzieningenrechter neemt als uitgangspunt dat een eigenaar in beginsel het recht toekomt zijn woning uit te bouwen op een wijze die hem goeddunkt. Op dit uitgangspunt wordt een uitzondering aanvaard voor het geval de bouwplannen de bestuursrechtelijke toets niet kunnen doorstaan of daar waar anderen, in de regel buren, naar civielrechtelijke maatstaven op ontoelaatbare wijze door de uitvoering ervan zullen worden getroffen.

3.2.4 Terzake de door [Eiser] gestelde beperking van zijn uitzicht overweegt de voorzieningenrechter dat -als door Medi-X onbetwist is gesteld- het bestemmingsplan de geplande hoogte van de te bouwen verdieping toestaat en dat aan Medi-X een bouwvergunning is verleend waartegen [Eiser] geen bezwaar heeft gemaakt zodat Medi-X in beginsel gerechtigd is haar bouwplannen uit te voeren.

3.2.5 [Eiser] heeft nog het bestaan van een erfdienstbaarheid van uitzicht gesuggereerd. Zo hij bedoelt dat na verloop van 20 jaren, waarin uitzicht vanaf de eerste en tweede verdieping van zijn pand mogelijk was, een erfdienstbaarheid van uitzicht is ontstaan, gaat de voorzieningenrechter aan deze stelling, die op geen enkele manier is gemotiveerd, voorbij nu het enkele tijdsverloop niet noodzakelijkerwijze een erfdienstbaarheid doet ontstaan.

3.2.6 Aangaande de (zon)lichtinval is de voorzieningenrechter van oordeel dat gelet op de door Medi-X overgelegde tekeningen en berekeningen, waaruit is te lezen dat een redelijk stuk van de tuin van [Eiser] in de nieuwe situatie onbeschaduwd zal blijven en dat een lichtinvalequivalent resteert van 6,5% dat valt binnen de normen van het Bouwbesluit, in het kader van dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake is van een zó wezenlijke vermindering van (zon)lichtinval dat de daardoor ondervonden hinder als een onrechtmatige daad in de zin van artikel 5:37 BW dient te worden aangemerkt.

3.2.7 De voorzieningenrechter is gezien het hiervoor overwogene van oordeel dat het beroep van [Eiser] op artikel 5:37 BW geen doel treft. De vordering van [Eiser] Medi-X de bouw van de verdieping op haar plat dak te verbieden is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

3.3 Het dakterras

3.3.1 [Eiser] stelt dat in strijd met het bepaalde in artikel 5:50 BW op de geplande bouw van de 3 meter hoge verdieping een dakterras zal worden gebouwd tegen/op de erfgrens met uitzicht op zijn slaapkamers en tuin, omdat de geplande bouw van dit dakterras een inbreuk op zijn privacy zal opleveren.

Medi-X zal ter afscherming van dit dakterras een scherm plaatsen. Na de realisering van dit dakterras met het scherm zal geen zonlicht meer in de tuin van [Eiser] komen.

Tenslotte stelt [Eiser] dat Medi-X misbruik maakt van haar bevoegdheid indien zij de bouw conform de bouwvergunning doorvoert, omdat het geschade belang van [Eiser] -daarmee doelt [Eiser] op een aanzienlijke waardedaling van zijn pand- zwaarder weegt dan het belang van Medi-X bij de realisering van haar bouwplannen.

3.3.2 Medi-X stelt hiertegenover dat het geplande dakterras geen uitzicht zal geven op het erf van [Eiser]. Dit terras zal worden afgescheiden door een 2,10 meter hoge muur van glazen bouwstenen, waar men niet doorheen kan kijken, maar die wel lichtdoorlatend is. Zij stelt dat daarom geen sprake kan zijn van een inbreuk op de privacy als door [Eiser] gesteld.

Daar komt bij dat het thans bestaande plat dak door de voormalige bewoners van het pand van Medi-X als dakterras werd gebruikt. Dit dakterras wordt afgescheiden door een open balustrade, zodat een open zicht op het erf van [Eiser] bestaat. Hiertegen heeft [Eiser] nooit bezwaren geuit.

De geplande verbouwing komt -gezien de thans bestaande situatie als hiervoor vermeld- de privacy van [Eiser] ten goede, omdat in de toekomstige situatie -in tegenstelling tot de huidige situatie- geen zicht meer is op het erf van [Eiser] vanaf perceel [adres]. Medi-X heeft tenslotte ter zitting aangegeven met de bouw van het dakterras rekening te willen houden met de in artikel 5:50 BW vermelde afstand van twee meter tot de erfgrens van [Eiser].

3.3.3 Gelet op de ratio van artikel 5:50 BW en de ruime uitleg ervan in de jurisprudentie -waarvan het meest recent Hoge Raad 13 juni 2003/507, NJ 2003/507-, moet aangenomen worden dat het dakterras met de "erfafscheiding" onder de in dit artikel verboden "soortgelijke werken" valt. Naar ter zitting is gebleken heeft Medi-X in strijd met het bepaalde in artikel 5:50 BW geen rekening gehouden met de in dit artikel vermelde afstand van twee meter tot de erfgrens van [Eiser]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter brengt het plaatsen van een 2,10 m hoge glazen bouwstenen muur als afscheiding van het terras niet met zich mee dat er geen sprake zou zijn van schending van het verbod van artikel 5:50 BW.

Gezien het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verbod tot de bouw van het dakterras zoals gepland voor toewijzing vatbaar is als nader in het dictum bepaald, voor zover de afstand tot de erfgrens met het pand van [Eiser] minder bedraagt dan twee meter. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag ad € 500,-- per dag met een maximum van € 15.000,--.

3.4 In het feit dat partijen ieder voor een deel in het ongelijk worden gesteld vindt de voorzieningenrechter aanleiding de kosten van dit geding te compenseren zoals nader in het dictum van dit vonnis te bepalen.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Verbiedt Medi-X om na betekening van dit vonnis het dakterras op de geplande bouw van de verdieping op het pand aan de [adres] te realiseren, met dien verstande dat dit verbod alleen betrekking heeft op de bouw van dit terras op een afstand van minder dan twee meter tot de erfgrens van het pand aan [adres], zulks op straffe van een dwangsom ad € 500,-- per dag dat Medi-X in strijd met dit verbod handelt met een maximum van € 15.000,--;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst af het meer of anders gevorderde;

Compenseert de kosten van het geding, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

BC