Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO4267

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-02-2004
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
AWB 04 / 159 GEMWT VV en AWB 04 / 187 GEMWT VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeksters bericht dat bij een door de gemeente gehouden controle is geconstateerd dat het perceel aan de Aweg 10 wordt gebruikt in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het betreft het gebruik van (een gedeelte van) het perceel voor woondoeleinden door aanwending voor deze doeleinden van het schip ‘General Maczek’. Daarop heeft verweerder verzoeksters tevens dringend in overweging gegeven om vorenomschreven gebruik binnen een in dat schrijven nader genoemde termijn te staken en hen erop gewezen dat, mochten zij binnen de gestelde termijn geen gevolg geven aan dat schrijven, hij terzake de toepassing van een last onder dwangsom zal overwegen. Ten slotte heeft verweerder verzoeksters bij dat schrijven in de gelegenheid gesteld om binnen de gestelde termijn hun zienswijze ten aanzien van die overweging mondeling dan wel schriftelijk bij hem kenbaar te maken, doch van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nrs.: AWB 04 / 159 GEMWT VV en AWB 04 / 187 GEMWT VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in de gedingen tussen:

1. De rechtspersoon naar Maltees recht L.M.R. Limited, gevestigd te Balzan (Malta),

en

2. De vennootschap naar Pools recht Muszka Sp.z.o.o., gevestigd te Gdansk (Polen),

beiden verzoeksters,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht

–Dienst Stadsontwikkeling & Grondzaken–, gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 8 januari 2004.

Kenmerk: SOG 03-0073A.

Behandeling ter zitting: 12 februari 2004.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN.

Bij de in de aanhef van deze uitspraak bedoelde besluiten van 8 januari 2004 (verzonden op 9 januari 2004) heeft verweerder verzoeksters –afzonderlijk– gelast om de met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan strijdige situatie, bestaande uit het gebruik van het schip ‘General Maczek’ voor woondoeleinden, te (doen) staken, zulks binnen een termijn van 6 weken na dagtekening van die besluiten. Verweerder heeft verzoeksters daarbij medegedeeld dat zij, wanneer mocht blijken dat niet is voldaan aan bovenomschreven last, –ieder afzonderlijk– een dwangsom verbeuren van € 2.500,-- per week dat niet is voldaan aan die last, zulks met een maximum van € 100.000,--.

Verzoekster sub 1 heeft bij schrijven van 26 januari 2004 van de –gemeenschappelijke– gemachtigde van verzoeksters bezwaar gemaakt tegen het aan haar gerichte besluit van 8 januari 2004 van verweerder.

Verzoekster sub 2 heeft zulks gedaan bij schrijven van 3 februari 2004 van die gemachtigde.

Bij ongedateerd schrijven van de –gemeenschappelijke– gemachtigde van verzoeksters (bij de voorzieningenrechter ingekomen op 29 januari 2004) heeft verzoekster sub 1 zich tevens tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend, met het verzoek om terzake van het aan haar gerichte besluit van 8 januari 2004 van verweerder een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: de Awb) te treffen.

Op 5 februari 2004 is bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank eenzelfde verzoek van verzoekster sub 2 ingekomen.

Bij schrijven van 11 februari 2004 van haar gemachtigde heeft Howicon Vastgoed B.V. de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht haar op grond van artikel 8:26 van de Awb in de gelegenheid te stellen als partij aan de gedingen deel te nemen.

De voorzieningenrechter heeft dat verzoek gehonoreerd.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de –gemeenschappelijke– gemachtigde van verzoeksters gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

De –afzonderlijke– verzoeken om voorlopige voorziening van verzoeksters zijn gevoegd behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 12 februari 2004, alwaar namens verzoekster sub 1 dhr. H. Marinus, beëdigd scheepstaxateur, is verschenen. Hij werd bijgestaan door de –gemeenschappelijke– gemachtigde van verzoeksters, mr. G.C. Kooijman, advocaat te ’s-Hertogenbosch, die tevens namens verzoekster sub 2 ter zitting is verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden: mevr. mr. M.E.J.M. Vorstermans-Rompelberg (juriste bij de afdeling SOG/Bouwtoezicht van verweerders gemeente), ing. R.P.M. van Liere (medewerker bij voornoemde afdeling) en mr. M. Vaessen (project beleidsmedewerker bij de dienst Stadsbeheer en Facilitaire Zaken van verweerders gemeente).

Namens de partij ex artikel 8:26 van de Awb is haar gemachtigde, mr. G.A.M. van de Wouw, advocaat te Maastricht, ter zitting verschenen.

II. OVERWEGINGEN.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing van het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoeksters in hun verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Voorts acht hij de, voor een procedure als de onderhavige vereiste, onverwijlde spoed aan de zijde van verzoeksters in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeksters uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoeksters een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kunnen afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of de bestreden besluiten in een eventuele hoofdzaak zouden kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verzoekster sub 1 is eigenaresse van het schip ‘General Maczek’. Zij heeft dit schip op grond van een overeenkomst als bedoeld in artikel 8:530 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: het BW) ter beschikking gesteld aan verzoekster sub 2.

Het schip ‘General Maczek’ is gelegen in het dok op het perceel aan de [A-weg] 10, kadastraal bekend gemeente Maastricht sectie I nr. 3848.

Howicon Vastgoed B.V. is eigenaresse van het perceel aan de [A-weg] 6 te Maastricht. Dat perceel grenst direct aan het perceel aan de [A-weg] 10.

Bij –afzonderlijk– schrijven van 30 september 2003 heeft verweerder verzoeksters bericht dat bij een op 4 juni 2003 door ambtenaren van de afdeling Bouwtoezicht van zijn gemeente gehouden controle is geconstateerd dat het perceel aan de [A-weg] 10 wordt gebruikt in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Het betreft, zo heeft verweerder in dat schrijven aangegeven, het gebruik van (een gedeelte van) het perceel voor woondoeleinden door aanwending voor deze doeleinden van het schip ‘General Maczek’. Daarop heeft verweerder verzoeksters bij voornoemd schrijven tevens dringend in overweging gegeven om vorenomschreven gebruik binnen een in dat schrijven nader genoemde termijn te staken en hen erop gewezen dat, mochten zij binnen de gestelde termijn geen gevolg geven aan dat schrijven, hij terzake de toepassing van een last onder dwangsom zal overwegen. Ten slotte heeft verweerder verzoeksters bij dat schrijven in de gelegenheid gesteld om binnen de gestelde termijn hun zienswijze ten aanzien van die overweging mondeling dan wel schriftelijk bij hem kenbaar te maken, doch van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Bij de thans bestreden besluiten van 8 januari 2004 (verzonden op 9 januari 2004) heeft verweerder verzoeksters –afzonderlijk– bericht dat, nu uit een op 6 januari 2004 ter plaatse ingesteld onderzoek is gebleken dat zij geen gevolg hebben gegeven aan de hen opgedragen verplichting tot het opheffen van de met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan strijdige situatie, hij heeft besloten om hen een last onder dwangsom op te leggen. Daarop heeft verweerder verzoeksters –afzonderlijk– bij dat besluit op grond van artikel 125 van de Gemeentewet gelast de strijdige situatie te (doen) staken binnen een termijn van 6 weken na dagtekening van die besluiten. Daarbij heeft verweerder bepaald dat verzoeksters na het verstrijken van de gestelde termijn –ieder afzonderlijk– een dwangsom verbeuren ter grootte van € 2,500,-- per week dat niet is voldaan aan bovenomschreven last, met een maximum van € 100.000,--.

Verzoekers hebben zich met voornoemde besluiten niet kunnen verenigen, weshalve zij bij

–afzonderlijk– schrijven van 26 januari 2004 respectievelijk 3 februari 2004 van hun

–gemeenschappelijke– gemachtigde –tijdig– bij verweerder bezwaar hebben gemaakt tegen die besluiten.

Tevens hebben verzoeksters zich tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend met het verzoek om terzake van de thans bestreden besluiten van 8 januari 2004 een voorlopige voorziening te treffen. Op de daartoe aangevoerde, hieronder nader te duiden, gronden hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht die besluiten te schorsen tot (primair) onherroepelijk op hun bezwaren zal zijn beslist dan wel (subsidiair) 6 weken na de beslissing op het bezwaarschrift en met veroordeling van verweerders gemeente in de kosten van deze procedure.

In dit geding staat de vraag centraal of de thans bestreden besluiten van 8 januari 2004 in een eventuele hoofdzaak zouden kunnen worden gehandhaafd.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Onder bestuursdwang wordt, blijkens artikel 5:21 van de Awb, verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Het perceel aan de [A-weg] 10 te Maastricht is gelegen binnen het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1954’ (geactualiseerd tot en met oktober 1980).

Bij dat bestemmingsplan is aan voornoemd perceel de bestemming ‘havengebied’ toegekend.

Onder ‘havengebied’ wordt blijkens de bij voornoemd bestemmingsplan behorende planvoorschriften verstaan: bouwwerken ten dienste van handel, geen detailhandel zijnde, industrie, nijverheid en verkeer.

Onder ‘detailhandel’ dient volgens vorenbedoelde planvoorschriften verstaan te worden: het bedrijfsmatig aan particulieren verkopen van goederen.

Ingevolge meergenoemde planvoorschriften is het verboden gronden en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de uit het bestemmingsplan voortvloeiende bestemming.

Verzoekster sub 1 stelt zich op het standpunt dat verweerder haar ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd, omdat zij het niet in haar macht heeft om de door verweerder gestelde overtreding, waarvoor de dwangsommen zouden worden verbeurd, te beëindigen, te voorkomen of zelfs maar te beïnvloeden. Zij voert daartoe aan dat zij als gevolge van de met verzoekster sub 2 op grond van artikel 8:530 van het BW gesloten overeenkomst terzake van het schip ‘General Maczek’ geen enkele zeggenschap meer over dat schip heeft.

Nu op grond van de bij het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1954’ behorende planvoorschriften niet alleen het gebruiken, maar ook het in gebruik geven of laten gebruiken van gronden of opstallen op een wijze of tot een doel, strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming, verboden is, is de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak 29 april 1999 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AB 1999/370), voorshands van oordeel dat verzoekster sub 1 in haar hoedanigheid van eigenaresse van het schip ‘General Maczek’ (naast verzoekster sub 2 in haar hoedanigheid van exploitant van dat schip) het in haar macht heeft de last uit te voeren of na te komen. Om deze reden dient verzoekster sub 1 dan ook (naast verzoekster sub 2) aangemerkt te worden als overtreder in de zin van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb.

Het feit dat verzoekster sub 1 met verzoekster sub 2 een overeenkomst als bedoeld in artikel 8:530 van het BW heeft gesloten, doet aan het vorenstaande niets af, nu die overeenkomst, waarbij verweerder overigens geen partij is, van civielrechtelijke aard is en dus alleen een rol speelt in de contractuele relatie tussen verzoeksters onderling.

De voorzieningenrechter zal thans beoordelen of, zoals verweerder stelt, ter plaatse van het perceel aan de [A-weg] 10 te Maastricht sprake is van een met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan in hoofdzaak 1954’ strijdige situatie.

Verzoekers zijn van mening dat dit niet zo is. Zij voeren daartoe allereerst aan dat het schip ‘General Maczek’ niet voor woondoeleinden wordt gebruikt in de betekenis die verweerder daaraan geeft. Werklieden die werkzaam zijn op de scheepswerf op voornoemd perceel, overnachten immers voor een bepaalde periode op dat schip, maar zij houden elders woonplaats, namelijk in Polen. Een dergelijk gebruik van een schip dat in een dok ligt behoort, aldus verzoeksters, tot de normale gang van zaken op een scheepswerf en komt niet in strijd met de bestemming zoals omschreven in het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. Ook douchen, eten of koffiedrinken zijn activiteiten welke passen binnen de bestemming en welke overigens voor het grootste deel buiten het schip plaatsvinden.

Voorts stellen verzoeksters zich op het standpunt dat de vraag of het in geding zijnde gebruik strijdig is met de geldende bestemming, beantwoord dient te worden aan de hand van de ruimtelijke uitwerking die dat gebruik gezien zijn aard, omvang en uitstraling heeft. Bezien moet worden of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer te rijmen valt met de functie van het betrokken pand of perceel. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zulks in casu niet het geval is: het verblijf en/of de overnachting van personen op enig schip dat in het dok ligt komt niet in strijd met het bestemmingsplan.

Zoals reeds vermeld, rust ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan in hoofdzaak Maastricht 1954’ op het perceel aan de [A-weg] 10 te Maastricht de bestemming ‘havengebied’, waaronder blijkens de bij dat bestemmingsplan behorende planvoorschriften verstaan dient te worden: bouwwerken ten dienste van handel, geen detailhandel zijnde, industrie, nijverheid en verkeer.

Uit de voorhanden zijnde stukken en het verhandelde ter zitting begrijpt de voorzieningenrechter voorshands dat (het merendeel van) de Poolse arbeidskrachten die zich op de scheepswerf aan de [A-weg] 10 te Maastricht bezighouden met het repareren, aanpassen en herstellen van schepen, in hun vrije tijd (overwegend) op het schip ‘General Maczek’ verblijven en overnachten. Deze activiteiten zijn –naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter– niet te scharen onder de termen handel, industrie, nijverheid of verkeer, zodat die activiteiten in strijd geacht moeten worden met de op voornoemd perceel rustende bestemming ‘havengebied’. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat, anders dan verzoeksters stellen, de ruimtelijke uitwerking van het gebruik van het schip ‘General Maczek’ voor verblijfs- en overnachtingsdoeleinden –naar zijn voorlopig oordeel– geenszins valt te rijmen met het tot havengebied bestemde perceel aan de [A-weg] 10 te Maastricht, nu voornoemde bestemming expliciet ziet op bedrijfsmatige activiteiten.

Nu vorenbedoelde arbeidskrachten, naar ter zitting is gebleken, gedurende geruime tijd aan een stuk op het, in het dok van de scheepswerf op het perceel aan de [A-weg] 10 te Maastricht gelegen, schip ‘General Maczek’ verblijven en aldaar overnachten, kan reeds om deze reden –naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter– niet gezegd worden dat het gebruik van dat schip voor voornoemde doeleinden tot de normale gang van zaken op een scheepswerf behoort.

De vraag of het schip ‘General Maczek’ wordt gebruikt voor woondoeleinden in de betekenis die verweerder daaraan geeft of in de betekenis die verzoeksters daaraan geven, speelt bij bovenstaande beoordeling geen enkele rol, nu het enkel overnachten en verblijven op dat schip reeds in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan in hoofdzaak Maastricht 1954’.

Nu het huidige gebruik van het schip ‘General Maczek’ in het dok van de scheepswerf op het perceel aan de [A-weg] 10 te Maastricht, zoals hiervoor is overwogen, in strijd is met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Uitbreidingsplan in hoofdzaak Maastricht 1954’, is verweerder op grond van artikel 5:32, eerste lid, van de Awb bevoegd tot het terzake toepassen van bestuursdwang, waarmee de bevoegdheid tot het op grond van artikel 5:21 van de Awb aan verzoeksters opleggen van een last onder dwangsom –in beginsel– gegeven is.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie

–onder meer– haar uitspraak van 11 juni 2003, LJN-nummer AF 9834) kan alleen in bijzondere gevallen van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen een illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisatie.

In dit geding is gesteld noch gebleken dat concreet zicht is op legalisatie van het gebruik van het schip ‘General Maczek’ voor verblijfs- en overnachtingsdoeleinden.

Met verzoeksters is de voorzieningenrechter weliswaar van oordeel dat (uit de thans bestreden besluiten onvoldoende blijkt of) verweerder de mogelijkheden van legalisatie onvoldoende heeft onderzocht, doch dat gebrek kan bij het nemen van de beslissing op bezwaar gerepareerd worden. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening wegens dat enkele gebrek toe te wijzen en de thans bestreden besluiten te schorsen.

Een bijzonder geval om van handhavend optreden af te zien, is volgens verzoeksters gelegen in het feit dat de scheepswerf op het perceel aan de [A-weg] 10 te Maastricht noodzakelijkerwijs gebruik maakt van zelfstandigen zonder personeel afkomstig uit Polen. Bovendien zijn er, aldus verzoeksters, geen vaklieden beschikbaar die op een kortere afstand van de werf woonachtig zijn.

Voornoemde feiten zijn –naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter– niet aan te merken als bijzondere gevallen om van handhavend optreden af te zien, nu die feiten voor rekening en risico van degene die gebruikt maakt van vorenbedoelde krachten dienen te komen.

Voorts stellen verzoeksters zich op het standpunt dat een bijzonder geval om van handhaving af te zien, is gelegen in het feit dat reeds vanaf het moment dat de scheepswerf op het perceel aan de [A-weg] 10 te Maastricht is opgericht, overnachtingen op schepen plaatsvinden en verweerder daartegen nimmer heeft opgetreden.

Voorzover al aannemelijk is dat verweerder, zoals verzoeksters –naar de voorzieningenrechter voorshands begrijpt– beogen te stellen, reeds geruime tijd op de hoogte is dan wel had kunnen zijn van het thans gewraakte gebruik van het schip ‘General Maczek’, kan deze wetenschap bij verweerder er niet toe leiden dat verzoeksters erop mochten vertrouwen dat de illegale situatie voor onbeperkte duur zou mogen blijven voortbestaan. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat gesteld noch gebleken is dat verweerder verzoeksters in het vooruitzicht heeft gesteld dat hij zijn medewerking zou verlenen aan legalisering van voornoemd gebruik of dat hij heeft aangegeven daartegen nimmer te zullen optreden. Verzoeksters beroep op rechtsverwerking respectievelijk het vertrouwensbeginsel kan dan ook niet slagen.

Tot slot stellen verzoeksters dat bij agrarische bedrijfsactiviteiten (waaronder de aspergeteelt) zich een vergelijkbare situatie voordoet. Dit heeft veel gemeenten ertoe gebracht actief mee te werken aan het creëren van oplossingen voor het probleem van de overnachtingen van buitenlandse werknemers. Zulks geschiedt, aldus nog steeds verzoeksters, in de vorm van al dan niet tijdelijke vrijstellingen en/of gedoogsituaties.

Voorzover verzoeksters met deze stelling een beroep doen op het gelijkheidsbeginsel, is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit beroep niet kan slagen, nu er geen sprake is van gelijke gevallen. Verweerders gemeente behoort immers niet tot de gemeenten waarop verzoeksters doelen. Bovendien zijn de buitenlandse arbeidskrachten die werkzaam zijn in de agrarische sector, seizoensarbeiders: zij verblijven gedurende de periode waarin de betreffende werkzaamheden verricht dienen te worden in Nederland en keren na voltooiing van die werkzaamheden weer terug naar hun vaderland. De Poolse arbeidskrachten die op het schip ‘General Maczek’ verblijven, verblijven daar, zo heeft verweerder –onweersproken– ter zitting gesteld, gedurende een veel langere periode en bovendien keren velen van hen, nadat ze voor een korte periode naar hun vaderland zijn teruggegaan, weer voor langere tijd terug naar voornoemd schip.

Gelet op het vorenstaande, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat er zich in het onderhavige geding geen bijzondere gevallen voordoen om van handhavend optreden af te zien. Verweerder heeft voorshands dan ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om verzoeksters terzake van het gebruik van het schip ‘General Maczek’ een last onder dwangsom op te leggen. De thans bestreden besluiten zullen in een eventuele hoofdzaak –naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter– dan ook worden gehandhaafd, weshalve er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. De daartoe strekkende verzoeken dienen dan ook te worden afgewezen.

Mitsdien wordt, mede gelet op artikel 8:84 van de Awb, beslist als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

wijst de –afzonderlijke– verzoeken om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2004 door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 19 februari 2004

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.