Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AO4216

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
20-02-2004
Datum publicatie
20-02-2004
Zaaknummer
03-008085-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Opzetheling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/008085-03

Datum uitspraak: 20 februari 2004

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en -plaats verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - Huis van Bewaring Overmaze te Maastricht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 16 december 2003, 14 januari 2004, 2 februari 2004 en 9 februari 2004.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 februari 2003 tot en met 26 maart 2003 in de gemeente [M], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, genoemd [slachtoffer] (op een stoel) vastgebonden en/of (langdurig) opgesloten en/of rohypnol, althans een stof, toegediend en/of (vervolgens) genoemd [slachtoffer] (met kracht) een of meermalen geslagen en/of getrapt en/of geschopt, tengevolge waarvan voornoemd [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 februari 2003 tot en met 26 maart 2003 in de gemeente [M], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet genoemd [slachtoffer] (op een stoel) vastgebonden en/of (langdurig) opgesloten en/of rohypnol, althans een stof, toegediend en/of (vervolgens) genoemd [slachtoffer] (met kracht) een of meermalen geslagen en/of getrapt en/of geschopt, tengevolge waarvan voornoemd [slachtoffer] is overleden;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 februari 2003 tot en met 26 maart 2003 in de gemeente [M] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [het slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet genoemd [slachtoffer] tegen diens wil (langdurig) (in een kelder) opgesloten en/of vastgebonden (gehouden) en/of rohypnol, althans een stof, toegediend en/of (vervolgens) genoemd [slachtoffer] (met kracht) een of meermalen geslagen, en/of getrapt en/of geschopt welk feit de dood van [het slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

art 282 lid 3 Sr.

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2003 in de gemeente [M] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres]), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk benzine, in elk geval een brandbare (vloei-)stof in die woning uitgestrooid en in brand gestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met een of meer brandbare stof(fen) , althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning, de inboedel van die woning en/of de belendende gebouw(en), in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in dat/die gebouw(en) bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

3.

hij in of omstreeks het tijdvak van 09 februari 2003 tot en met 27 februari 2003 te [M], in elk geval in Nederland, een personenauto (merk Peugeot 206) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die auto wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs voor feit 3

De raadsman heeft naar aanleiding van het onder 3 ten laste gelegde betoogd dat verdachte niet wist dat de Peugeot 206 gestolen was op het moment dat hij deze van de medeverdachte kreeg. De auto kon namelijk met een sleutel worden gestart en had geen braakschade.

De rechtbank verwerpt dit verweer op de volgende gronden.

Verdachte heeft verklaard dat hij de auto van [C] heeft gekregen met slechts één autosleutel en zonder kentekenbewijs. Uit verklaringen die verdachte bij de politie aflegde blijkt dat verdachte [C] kende als een handelaar in verdovende middelen die tot medio februari in een junkenpand verbleef. Volgens verdachte is hij samen met [C] de auto gaan halen in de nacht van 24 op 25 februari 2003. [C] kon de auto aanvankelijk niet vinden. Verdachte verklaarde dat [C] telefonisch navraag deed naar de plek waar de auto zich bevond. Uiteindelijk vonden zij de auto in de wijk de Heeg, ver van de verblijfplaats van [C], de hotelboot. [J], die hen vergezelde, beschrijft de auto als volgt: '…een nieuw klein autootje... De auto zag er vrij nieuw uit.'

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat verdachte op het moment van verwerving van deze nieuw uitziende auto heeft geweten dat deze van misdrijf afkomstig is. Daarbij maakt het geen verschil of verdachte de auto bij aankomst in de Heeg heeft verworven of later die nacht.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

2.

hij op 25 februari 2003 in de gemeente [M] tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (gelegen aan de [adres]), immers hebben verdachte en zijn mededader toen aldaar opzettelijk benzine in die woning uitgestrooid en in brand gestoken, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het belendende gebouw en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in dat gebouw bevindende persoon, te duchten was;

3.

hij in het tijdvak van 9 februari 2003 tot en met 27 februari 2003 te [M] een personenauto (merk Peugeot 206) heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving van die auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

Feit 2:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 157, aanhef en onder 1°, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht,

en

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 157, aanhef en onder 2° juncto artikel 47, eerste lid , aanhef, onder 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

opzetheling

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 416, eerste lid, aanhef, onder a van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

De rechtbank zal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een proeftijd van twee jaren omdat zij verdachte wil aansporen om na zijn detentie een punt te zetten achter zijn ongeregeld zwerversbestaan temidden van junks, zonder legale inkomsten. Verdachte heeft door een voorwaardelijke straf een extra stimulans om een leven te leiden zonder strafbare feiten.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte bij vonnis d.d. 16 juli 2003, gewezen in de zaak met het parketnummer XX en bij vonnis van 18 september 2003 is veroordeeld tot straf en nu opnieuw is schuldig verklaard aan een strafbaar feit dat voor die datum is gepleegd.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [benadeelde partij] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Gelet op de omstandigheid dat de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken, kan de benadeelde partij [benadeelde partij] niet in zijn vordering worden ontvangen.

De op te leggen straf is -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van VIERENTWINTIG MAANDEN;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot VIER MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. A.M. Schutte, voorzitter, mr. R.A.J. van Leeuwen en mr. H.M.J. Quaedvlieg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Wijckerheld Bisdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 februari 2004.