Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:1527

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
78628 - HA ZA 02-945
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

borgtocht, pandakte, verwijt onzorgvuldig en onrechtmatig handelen door de bank

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2018/1292
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

78628 / HA ZA 02-945Vonnis : 21 januari 2004

Zaaknummer : 78628 / HA ZA 02-945

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

de naamloze vennootschap ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. T.J.M. Oostdijk;

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde,

procureur mr. E.H.J.M. Rutten.

1 Het verloop van de procedure

[RV-oud]

[RV-nieuw]

Eiseres, hierna te noemen "ING", heeft gedaagde, hierna te noemen “ [gedaagde] ”, bij exploot van 8 oktober 2002 gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Op de eerstdienende dag heeft ING bij akte producties en beslagstukken in het geding gebracht. [gedaagde] heeft daarna onder het overleggen van een productie geantwoord.

[als een comparitie is bevolen]

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

[als géén comparitie is bevolen]

Vervolgens hebben eerst [gedaagde] en vervolgens ING een conclusie na comparitie genomen en hebben zij hun raadslieden de zaak aan de hand van pleitnotities doen bepleiten. Van het pleidooi is een audiëntieblad opgemaakt. Door ING zijn ter zitting bij akte op voorhand ingezonden producties overgelegd.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

In dit geding staat het volgende, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, het volgende vast.

  1. Bij akte van borgstelling van 15 december 2000 heeft [gedaagde] zich jegens ING borg gesteld voor al hetgeen hoofdschuldenaren City Hotel Heerlen BV en Hotel Café Restaurant Riche BV, beide gevestigd te Heerlen, uit welken hoofde ook aan ING verschuldigd waren of zouden worden, zulks tot een maximum van f 200.000,- vermeerderd met rente en kosten.

  2. [gedaagde] was ten tijde van de ondertekening van de akte van borgstelling directeur en enig aandeelhouder van City Hotel Heerlen BV.

  3. Na een daartoe strekkend verzoek van ING heeft City Hotel Heerlen BV, vertegenwoordigd door [gedaagde] , ING op 14 augustus 2002 een pandakte overhandigd ter verpanding van haar uitstaande vorderingen met een totaal saldo van € 72.722,43.

  4. City Hotel Heerlen BV is bij vonnis van deze rechtbank van 29 augustus 2002 in staat van faillissement verklaard.

  5. Eveneens op 29 augustus 2002 heeft ING de sub c) bedoelde pandakte doen registreren. Als gevolg van het faillissement is daarmee echter geen pandrecht tot stand gekomen.

  6. Bij brief van 10 september 2000 heeft ING [gedaagde] meegedeeld dat haar vordering op City Hotel Heerlen BV als gevolg van het faillissement direct opeisbaar was en dat zij mogelijk genoodzaakt zou zijn [gedaagde] onder zijn borgtocht aan te spreken. Bij brief van 24 september 2002 heeft ING [gedaagde] vervolgens verzocht binnen veertien dagen het maximumbedrag van de borgstelling, € 90.756,04, aan haar te voldoen.

  7. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

2.2

ING stelt zich op het standpunt dat [gedaagde] als borg gehouden is haar het maximumbedrag waarvoor hij zich borg heeft gesteld aan haar te voldoen. Zij vordert op die grond dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen de som van € 90.756,04, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding en van het beslag.

2.3

[gedaagde] heeft de vordering bestreden. Zijn verweer zal bij de beoordeling worden besproken.

3 De beoordeling

3.1

Ter comparitie heeft [gedaagde] uitdrukkelijk afstand gedaan van het door hem bij conclusie van antwoord gedane beroep op de nietigheid van de borgstelling. Partijen hebben daarbij afgesproken dat het dispuut zich verder zou toespitsen op de vraag wat ING nog van City Hotel Heerlen BV te vorderen heeft en tot welk bedrag zij [gedaagde] als borg kan aanspreken. Op grond van die afspraak passeert de rechtbank het bij conclusie na comparitie door [gedaagde] gevoerde verweer dat ING wegens te late onderbouwing niet in haar vordering kan worden ontvangen.

3.2

[gedaagde] heeft in de eerste plaats bij gebrek aan wetenschap betwist dat ING nog enig bedrag van City Hotel Heerlen BV te vorderen heeft, althans een bedrag van € 90.756,04 of hoger.

3.3

Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank dat uit de door ING overgelegde stukken bij haar conclusie na comparitie genoegzaam blijkt dat zij per 29 april 2003 per saldo € 97.110,79 van City Hotel Heerlen BV te vorderen heeft, een hoger bedrag derhalve dan waarvoor [gedaagde] in dit geding wordt aangesproken. In dit verband overweegt de rechtbank dat de door [gedaagde] getekende akte van borgstelling bepaalt – een vergelijkbare bepaling is opgenomen in de eveneens door [gedaagde] getekende kredietovereenkomsten – dat een door de bank getekend uittreksel uit haar administratie tegenover de borg tot volledig bewijs strekt van het bestaan en de omvang van hetgeen de hoofdschuldenaar aan de bank schuldig is. Het door ING overgelegde getekende rekeningafschrift is als een zodanig uittreksel te beschouwen. De tegenwerping van [gedaagde] dat de overgelegde brieven en het rekeningafschrift hem onvoldoende duidelijkheid verschaffen en dat ING nadere bescheiden dient over te leggen, wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank merkt hierbij in de eerste plaats op dat [gedaagde] als bestuurder van City Hotel Heerlen BV niet als buitenstaander heeft te gelden en dat onaannemelijk voorkomt dat hij geen enkele wetenschap heeft van de vordering van ING op City Hotel Heerlen BV. Het had dan ook op zijn weg gelegen concreet te stellen op grond waarvan hij de opgave ING in twijfel trekt. [gedaagde] heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld om hem toe te laten tot het leveren van tegenbewijs tegen de met bedoeld getekend uittreksel bewezen hoogte van de vordering van ING op City Hotel Heerlen BV. De relevantie van de bij pleidooi door [gedaagde] genoemde verschillen in adressering en saldi op de door hem overgelegde rekeningafschriften en het door ING overgelegde afschrift vermag de rechtbank niet in te zien, te meer gelet op de omstandigheid dat het verschil in saldo slechts circa € 2.600,- bedraagt, een lager bedrag derhalve dan het verschil in hoogte van de door ING gestelde schuld van City Hotel Heerlen BV en het bedrag waarvoor [gedaagde] als borg wordt aangesproken.

3.4

Voorts stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat ING onzorgvuldig en onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, doordat zij heeft nagelaten een door City Hotel Heerlen BV op 14 augustus 2002 aan haar overhandigde pandlijst tijdig ter registratie aan te bieden. Had zij dit wel gedaan, zo stelt [gedaagde] , dan had zij haar vordering op City Hotel Heerlen BV geheel of goeddeels kunnen verhalen door inning van de aan haar verpande vorderingen. Er was dan geen noodzaak geweest [gedaagde] als borg aan te spreken, althans niet tot het maximumbedrag van zijn borgstelling.

3.5

Voor zover aan de redenering van [gedaagde] ten grondslag ligt de opvatting dat ING, indien zij over andere zekerheden beschikte, eerst die andere zekerheden had dienen uit te winnen alvorens hem als borg aan te spreken, geldt dat een dergelijke regel zo algemeen geformuleerd niet geldt. In beginsel zou ING, indien zij over verschillende zekerheden beschikte, de mogelijkheid hebben eerst de borg aan te spreken. Dit zou anders zijn indien ING in strijd zou handelen met de redelijkheid en billijkheid indien zij niet eerst een poging zou hebben gedaan die andere zekerheden uit te winnen. In het onderhavige geval staat echter vast dat ING voor haar restantvordering naast de borgstelling geen andere zekerheid heeft. Weliswaar heeft zij op 29 augustus 2002 de haar twee weken eerder door City Hotel Heerlen BV overhandigde pandlijst laten registreren, maar dit heeft in verband met het op diezelfde dag uitgesproken faillissement van City Hotel Heerlen BV niet tot vestiging van een pandrecht op de betreffende vorderingen geleid. De vraag of van ING gevergd kan worden dat zij eerst haar andere zekerheden aanspreekt is derhalve niet aan de orde.

3.6

De omstandigheid dat ING de pandakte niet reeds eerder, voor datum faillissement, ter registratie heeft aangeboden, heeft echter onmiskenbaar nadelig uitgepakt voor [gedaagde] . Immers ontbreekt het ING daardoor aan een andere zekerheid die zij had kunnen uitwinnen of waarop [gedaagde] zich na betaling als gesubrogeerde borg had kunnen verhalen. De in het geding gebrachte brief van de curator in het faillissement van City Hotel Heerlen BV rechtvaardigt het vermoeden dat in geval van tijdige registratie het grootste deel van de vordering op City Hotel Heerlen BV op de verpande vorderingen had kunnen worden verhaald.

3.7

De vraag is thans of ING onzorgvuldig jegens [gedaagde] heeft gehandeld door de pandakte van 14 augustus 2002 niet eerder te laten registreren en of dit eraan in de weg staat dat zij [gedaagde] onder zijn borgtocht aanspreekt.

3.8

Bij de beantwoording van deze vraag dient voorop te worden gesteld dat, anders dan [gedaagde] bij pleidooi heeft gesteld, hij gelet op de definitie van artikel 7:857 BW niet aangemerkt kan worden als particuliere borg. Voorts is van belang dat tussen partijen is overeengekomen (artikel 7 van de akte van borgstelling) dat, kort gezegd, het ING jegens de borg vrij staat met andere zekerheden om te gaan als haar goeddunkt. Waar het ING jegens de (zakelijke) borg vrijstaat reeds verkregen andere zekerheden prijs te geven, geldt a fortiori dat zij jegens die borg in beginsel niet gehouden is nadere zekerheden voor haar vordering te verwerven.

3.9

Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat het beroep van ING op de haar contractueel toegekende keuzevrijheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en ING hem wegens het achterwege laten van registratie niet of niet voor het gehele bedrag onder zijn borgtocht kan aanspreken, zal de rechtbank [gedaagde] daarin niet volgen. Weliswaar is aannemelijk geworden, in het bijzonder ook uit de brief van ING aan City Hotel Heerlen BV van 10 juli 2002 waarin zij verzoekt om een pandakte, dat ook ING zich zorgen maakte over de continuïteit van City Hotel Heerlen BV en de nakoming door City Hotel Heerlen BV van haar verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst, maar uit diezelfde brief blijkt tevens, en [gedaagde] heeft zulks niet danwel onvoldoende gemotiveerd bestreden, dat tussen ING en [gedaagde] de afspraak was gemaakt dat [gedaagde] zou zorgdragen voor een kapitaalinjectie van € 50.000,-. Mede gelet daarop kan niet gezegd worden dat ING zich op het moment dat City Hotel Heerlen BV de pandakte aanleverde er rekening mee had moeten houden dat zij op zeer korte termijn zou zijn aangewezen op haar zekerheden, waaronder de borgtocht van [gedaagde] . Gelet daarop en gelet op de vorige rechtsoverweging kan [gedaagde] ING niet tegenwerpen dat zij de ontvangen pandakte niet eerder heeft doen registreren en staat deze omstandigheid niet in de weg aan de aanspraken van ING jegens [gedaagde] als (zakelijke) borg.

3.10

Gelet op het voorgaande zal de vordering van ING worden toegewezen. Dat geldt ook voor de gevorderde wettelijke rente, waartegen [gedaagde] geen specifiek verweer heeft gevoerd. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

4.

De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ING te betalen het bedrag van € 90.756,04, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt in de kosten van het geding aan de zijde van ING gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 266,24 aan beslagkosten, € 77,56 aan kosten dagvaarding, €1.725,- aan griffierecht en € 4.626,- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.E. de Kort, voorzitter, L.J. De Kerpel-van de Poel en L.M.I.A. Bregonje, allen rechters, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 21 januari 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.