Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AO2142

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
20-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/119 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijzondere bijstand. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiseres niet aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor categoriale bijstand op grond van de Armoedenota voldoet, nu zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag niet drie jaar aaneengesloten over een inkomen lager dan 110% van de op haar van toepassing zijnde bijstandsnorm beschikte. De periode van drie jaar wordt als aaneengesloten beschouwd, indien deze niet langer dan drie maanden is onderbroken. Haar inkomen over de periode van 1 september 2001 tot 1 maart 2002 (6 maanden) was hoger dan voormelde 110%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03/119 NABW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht -Dienst Sociale en Economische Zaken-, gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 18 december 2002.

Kenmerk: 72435910.

Behandeling ter zitting: 9 oktober 2003

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaarschrift van 31 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Tegen bovengenoemd besluit heeft de gemachtigde van eiseres, mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocate te Maastricht, bij schrijven van 23 januari 2003 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn op 20 februari 2003 aangevoerd.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 9 oktober 2003, alwaar eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door dhr. H.M. Pluymaeckers.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Eiseres ontvangt sedert 1993 in aanvulling op haar WAO-uitkering een bijstandsuitkering. Eiseresses bijstandsuitkering is met ingang van 1 september 2001 ingetrokken, omdat zij vanaf die datum alimentatie voor haar minderjarige kinderen ontving. Aan eiseres is vervolgens met ingang van 1 maart 2002 wederom een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend, omdat zij voormelde alimentatie niet langer ontving.

Eiseres heeft op 19 juni 2002 een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van vloerbedekking, matrassen en een lattenbodem ad € 1.058,68 ingediend.

Eiseres heeft op 2 september 2002 voor een bedrag van € 1.128 een computer aangeschaft. Zij lost hier maandelijks € 34 op af.

Eiseresses aanvraag is bij besluit van 15 oktober 2002 afgewezen, omdat bovengenoemde kosten tot de algemene kosten van het bestaan behoren. Eiseres kon voor deze kosten reserveren dan wel een lening bij de Kredietbank daartoe afsluiten.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij schrijven van 31 oktober 2002 een bezwaarschrift ingediend.

Op 2 december 2002 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

II.2. Bij het thans bestreden besluit van 18 december 2002 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiseres niet aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor categoriale bijstand op grond van de Armoedenota voldoet, nu zij in de periode voorafgaand aan de aanvraag niet drie jaar aaneengesloten over een inkomen lager dan 110% van de op haar van toepassing zijnde bijstandsnorm beschikte. De periode van drie jaar wordt als aaneengesloten beschouwd, indien deze niet langer dan drie maanden is onderbroken. Haar inkomen over de periode van 1 september 2001 tot 1 maart 2002 (6 maanden) was hoger dan voormelde 110%.

Verweerder is voorts van oordeel dat eiseres in staat moet worden geacht zelf in de onderhavige kosten te voorzien door gebruik te maken van een voorliggende voorziening. Zij was ten tijde van de aanvraag immers schuldenvrij en uit navraag bij de Kredietbank is gebleken dat aan eiseres in haar situatie een lening ter hoogte van € 2.250 verstrekt kan worden.

II.3. Eiseres stelt zich in het beroepschrift op het standpunt dat zij volgens haar eigen berekening gedurende de periode van 1 september 2001 tot 1 maart 2002 slechts tussen de € 5 en € 10 boven de inkomensgrens van 110% van de op haar van toepassing zijnde bijstandnorm aan inkomsten ontving. Eiseres is voorts van oordeel dat bij de alimentatie en de alleenstaande ouderkorting ten onrechte geen rekening is gehouden met het bedrag aan gereserveerde vakantietoeslag van 5%. Verweerder motiveert bovendien onvoldoende op welke gegevens de berekening van de hoogte van de inkomsten van eiseres is gebaseerd.

Het door verweerder gehanteerde beleid van drie maanden leidt volgens eiseres tot rechtsongelijkheid.

De aanschaf van een computer dient gelet op de ontwikkelingen als noodzakelijk gebruiksgoed te worden aangemerkt en als zodanig in het kader van de Armoedenota voor toekenning in aanmerking te komen.

Eiseres, die samen met haar kinderen al negen jaar in een bijstandsituatie verkeert, heeft tenslotte niet kunnen reserveren voor de onderhavige kosten en mist bovendien de aflossingscapaciteit om een lening voor die kosten aan te gaan.

II.4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift ten aanzien van het categoriale beleid op het standpunt dat er, nu het categoriale bijstand betreft, geen ruimte is om rekening te houden met omstandigheden die het (reeds geformuleerde) beleid overstijgen.

Bij de vergelijking van het inkomen is uitgegaan van de bedragen exclusief vakantietoeslag.

II.5. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of eiseresses aanvraag voor bijzondere bijstand voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen terecht en op goede gronden is afgewezen.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Artikel 39 Abw

1. Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

2. In afwijking van artikel 6, onderdeel b, kan bijzondere bijstand ook aan een persoon, behorend tot een bepaalde categorie, worden verleend, zonder dat behoeft te worden nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

(..)

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres zowel aan het eerste als het tweede lid van artikel 39 van de Abw getoetst. De rechtbank zal eerst beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres op grond van zijn beleid niet in aanmerking komt voor categoriale bijzondere bijstand voor de door haar aangevoerde kosten van duurzame gebruiksgoederen.

Verweerder heeft toepassing gegeven aan artikel 39, tweede lid, van de Abw en zijn minima- en bijzondere bijstandsbeleid neergelegd in de nota “Ruimere marges voor minima”. Blijkens deze nota komen meerderjarige minima met kinderen tot 18 jaar (als categorie) in aanmerking voor bijzondere bijstand (om niet) voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Van minima is sprake indien drie jaar of meer een inkomen lager dan 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm is genoten.

De rechtbank stelt voorop dat de door verweerder gehanteerde inkomensgrens haar niet onredelijk voorkomt. Dit geldt tevens voor verweerders beleid dat ingeval van een onderbreking van de bijstand c.q hogere inkomsten gedurende minder dan drie maanden van een aaneengesloten periode wordt uitgegaan. Met dit beleid wordt immers voorkomen dat korte perioden met hogere inkomsten reeds leiden tot afwijzing van de categoriale bijstand voor de hier aan de orde zijnde categorie van minima.

Door eiseres wordt blijkens het verhandelde ter zitting -uitgaande van het jaar 2002- niet de door verweerder in zijn berekening gehanteerde bedragen aan WAO-uitkering, alleenstaande ouderkorting en alimentatie (als zodanig) betwist. Namens eiseres wordt echter aangevoerd dat de component vakantietoeslag bij het maandelijkse alimentatiebedrag en het bedrag aan alleenstaande ouderkorting ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. Het inkomen van eiseres wordt immers vergeleken met (110% van) de op haar van toepassing zijnde bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag en in de berekening is bij de WAO-uitkering eveneens uitgegaan van het maandelijkse bedrag exclusief vakantiegeld. De vakantietoeslag had derhalve volgens eiseres bij het maandelijkse bedrag aan alimentatie eveneens buiten beschouwing gelaten moeten worden.

Op grond van de Trema normen wordt in het maandelijkse alimentatiebedrag 5% aan vakantiestoeslag geacht te zijn opgenomen. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat, gelet op het feit dat de overige bedragen die in de berekening worden gehanteerd alle exclusief vakantietoeslag zijn vastgesteld, ten onrechte door verweerder is nagelaten de vakantietoeslag van 5% van het maandelijkse door eiseres ontvangen alimentatiebedrag buiten beschouwing te laten. Onbetwist is dat het krachtens verweerders beleid van toepassing zijnde maximuminkomen van 110% van de bijstandsnorm om in aanmerking te komen voor (de verlangde) bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen slechts met een klein bedrag wordt overschreden. Of bij de vaststelling van het alimentatiebedrag in 2001 en 2002 al dan niet rekening is gehouden met de van toepassing zijnde vakantietoeslag is derhalve van doorslaggevend belang.

Het bestreden besluit kan, gelet op het voorgaande, geen stand houden en komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiseres te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank ziet, gezien het vorenstaande, aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 1 punt met een waarde van € 322 toe voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322 x 1 = € 644.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

II.6. Het beroep moet, gezien het vorenstaande, voor gegrond gehouden worden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 31 oktober 2002, met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 29 wordt vergoed door de gemeente Maastricht;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. C.M. Bunschoten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2003 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C.M. Bunschoten w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 12 december 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.