Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AO0200

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
16-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/952 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het onderhavig geding spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden een korting van 18% op het AOW-pensioen van eiseres heeft toegepast vanwege een niet-verzekerde periode van 1 juli 1989 tot 1 januari 1999. Zij heeft immers in beroep geen grieven ingebracht tegen de door verweerder op de toeslag toegepaste korting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2004/67

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 952 AOW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[A] te Munstergeleen, eiseres,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank

- Vestiging Roermond - , gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 28 mei 2003.

Kenmerk: VZ 1547493-0.

Behandeling ter zitting: 2 december 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 28 mei 2003 heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift van 27 november 2002 tegen een door verweerder genomen besluit van 29 oktober 2002 gedeeltelijk gegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is door eiseres beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inge-zonden stukken zijn in kopie aan eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweer-schrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 2 december 2003, alwaar eiseres in persoon is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot en bijgestaan door mr. R.H.H. Rutten, juridisch adviseur van de Navo. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans, medewerker beroepszaken.

II. OVERWEGINGEN.

A. De feiten.

Eiseres heeft op 8 maart 2002 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Zij heeft daarbij aangege-ven dat haar echtgenoot verzekerd is geweest bij een volkenrechtelijke of internationale organisatie.

Bij brief van 28 juni 2002 heeft eiseres verweerder bericht, dat haar echtgenoot sedert 1 oktober 1981 ononderbroken bij de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) te Brunssum heeft gewerkt.

Met de inwer-king-treding van KB 1989, 164 op 1 juli 1989 is een over-gangsregeling mogelijk gemaakt. De NAVO heeft ervoor zorggedragen, dat alle daarvoor in aanmerking komende echtge-notes van deze overgangsregeling gebruik konden maken. Met ingang van KB 1998, 746, op 1 janu-ari 1999 is de verzelfstandiging volledig doorgevoerd, zodat in ieder geval weer doortelling plaatsvond tot haar 65e verjaardag.

Bij besluit van 29 oktober 2002 heeft verweerder eiseres met ingang van augustus 2002 een ouder-doms-pensioen inge-volge de AOW toegekend ter hoogte van 74% van het maximale pensioen voor een gehuwde. Aan dit besluit heeft verweerder ten grond-slag gelegd, dat eiseres gedurende 13 jaar niet verzekerd is geweest, namelijk in de periode van 1 januari 1982 tot 1 april 1985 en van 1 juli 1989 tot 1 januari 2000. Op grond van het bepaalde in artikel 13 van de AOW is op het aan eiseres toege-ken-de pensioen een korting toegepast van 26%.

Bij dit besluit is de toeslag ten behoeve van de jongere huwelijks-partner van eiseres met ingang van augustus 2002 vastgesteld op 64% van het maximale bedrag van de toeslag, aangezien eiseresses echtgenoot niet verzekerd is geweest van 1 januari 1982 tot 1 januari 1986 en van 1 januari 1988 tot 19 augustus 2002.

Bij brief van 27 november 2002 heeft eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Daarbij heeft zij aangevoerd, dat zij het niet eens is met de toegepaste korting op haar AOW-pensioen en op de toeslag. Zij is van mening dat zij over de betreffende periodes wel verzekerd is geweest.

De toegepaste korting over de periode van 1982 tot april 1985 is in strijd met het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998, nr. 319. Voorts is de korting over de periode van 1 juli 1989 tot het jaar 2000, gebaseerd naar eiseres aanneemt op KB 1989, 164, eveneens onterecht, omdat het voltallige personeel van de NAVO (NAPMA) gebruik heeft gemaakt van de overgangsbepaling van dat KB.

Van deze overgangssituatie is gebruik gemaakt, omdat de NAVO niet voorziet in enige regeling, die op eiseres van toepassing zou zijn en die gelijkgesteld zou kunnen worden met een sociale verzeke-ringsregeling. Zij zou anders verstoken zijn van iedere sociale ver-zekering over die periode. Het zou in strijd met het sociaal Handvest zijn, indien zij beroofd zou worden van haar sociale grondrechten.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld om op het bezwaar te worden gehoord. Zij heeft van die gelegen-heid geen gebruik gemaakt.

B. Het besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres gedeeltelijk gegrond ver-klaard. Het besluit van 29 oktober 2002, voor zover betrekking hebbend op de niet-verzekerde perio-den van eiseres en haar echtgenoot voor de AOW, is daarbij herroepen. In plaats daarvan is beslist, dat eiseres met ingang van augustus 2002 recht heeft op 82% van het maximale ouderdomspensioen alsmede op een toeslag op dat pensioen op grond van niet verzekerde jaren van haar echtgenoot van 60% van de maximale toeslag. Volgens de achtereenvolgens tot stand gekomen Koninklijke Besluiten inzake uitbreiding en beperking van de kring der verzekerden worden functionarissen van volkenrech-te-lijke organisaties onder be-paal-de voorwaarden van de Nederlandse verzekering uitgesloten. Met uitzondering van de periode van 1 april 1985 tot 1 juli 1989 worden volgens deze Koninklijke Besluiten ook de echtgenotes van func-tio-narissen van volkenrechtelijke organisaties onder bepaalde voorwaar-den van de Nederlandse ver-ze-ke--ring uitgesloten.

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998 kunnen vrouwen van wie de echt-genoot niet verzekerd was niet meer van verzekering worden uitgesloten over periodes vanaf 1 janu-ari 1980. Op grond van het arrest van het Europese Hof voor de rechten van de Mens in Straatsburg van 4 juni 2002 mogen mede-uitsluitingstijdvakken van vrouwen niet meer gekort worden op het eigen AOW-pensioen over perioden tussen 1 januari 1957 en 1 april 1985. De jurisprudentie ten aanzien van uitsluiting van gehuwde vrouwen is inmiddels in de AOW opge-no-men. Op grond van 13a, eerste lid, van de AOW mogen mede-uitsluitingstijdvakken van vrouwen niet meer gekort worden op het eigen AOW-pensioen van de vrouw. Het gaat om de korting over perioden tussen 1957 en 1 april 1985, waarin een vrouw niet verzekerd was voor de AOW, uitsluitend omdat haar echtgenoot niet verzekerd was voor de AOW op grond van KB 557 en voorgaande KB’s. Deze wet is met ingang van 1 mei 2003 in werking getreden en werkt terug tot 1 januari 2002. Daaruit volgt, dat verweerder in het besluit van 29 oktober 2002 de periode van 1 januari 1982 tot 1 april 1985 ten on-rechte op het AOW-pensioen van eiseres heeft gekort.

Vanaf 1 juli 1989 tot 1 januari 1999 is artikel 13, derde lid, van KB 164 voor eiseres van toe-pas-sing. Op grond hiervan wordt zij vanaf 1 juli 1989 weer uitgesloten van verzekering. Omdat deze uit-sluiting ook van toepassing is op gehuwde mannen waarvan de echtgenote bij een volkenrechtelijke organi-satie werkzaam is, is er geen sprake van discriminatie naar geslacht, zodat voormelde juris-prudentie niet van invloed is. Eiseres valt vanaf 1 juli 1989 tot 1 januari 1999 van rechtswege onder de uitslui-tingsbepalingen van KB 164, tenzij zij vóór 1 juli 1990 verweerder heeft verzocht om de bepalingen van KB 164 niet op haar van toepassing te verklaren. Zij heeft in bezwaar aangegeven, dat zij naar haar mening destijds een verzoek om verzekerd te blijven heeft ingediend. Zij kan echter geen be-wijsstukken overleggen van dit verzoek en van de beschikking van verweerder waarbij haar verzoek wordt ingewilligd. Bij verweerder zelf zijn geen gegevens aanwezig waaruit blijkt dat eiseres een dergelijk verzoek gedaan heeft en dat dit verzoek zou zijn gehonoreerd middels een beschikking. Daarentegen heeft verweerder wel gegevens van de belastingdienst waarbij zij wordt uitgesloten van verzekering over deze periodes. In verweerders besluit heeft verweerder de periode van 1 juli 1989 tot 1 januari 1999 terecht op haar AOW-pensioen gekort. Vanaf 1 januari 1999 is, gelet op artikel 14, derde lid, van KB 746, de echtgenote van de functionaris van een volkenrechtelijke organisatie niet verzekerd op voorwaarde dat de zetelovereenkomst tussen Nederland en de volkenrechtelijke organi-satie de uitsluiting bepaalt. Op grond van het bepaalde in de zetelovereenkomst tussen Nederland en de NAPMA, de volkenrechtelijke organisatie, waarbij haar echtgenoot werkzaam is, kan eiseres niet uitgesloten worden van verzekering voor de AOW op grond van artikel 14, derde lid, van KB 746. Daarom heeft verweerder in de beslissing van 29 oktober 2002 de periode van 1 januari 1999 tot 1 januari 2000 ten onrechte op het AOW-pensioen van eiseres gekort.

Na heroverweging concludeert verweerder thans, dat eiseres niet verzekerd is geweest voor de AOW vanaf 1 juli 1989 tot 1 januari 1999. Dit is in totaal 9 jaar en zes maanden. Deze termijn wordt naar be-neden afgerond op 9 jaar. Voor elk jaar wordt een korting toegepast van 2%. Op het volledige AOW-pensioen wordt daarom een korting toegepast van 9 keer 2% is 18%. De echtgenoot van eiseres is niet verzekerd geweest voor de AOW vanaf 1 oktober 1981 tot 19 augus-tus 2002. Op de volledige toeslag wordt daarom een korting op grond van niet-verzekerde jaren toegepast van 40%.

C. Het beroep.

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen.

Daartoe is in beroep aange-voerd, dat eiseres over een aantal jaren AOW-pensioen wordt onthouden, alsof zij recht zou hebben op een vervangende voorziening uit een andere (internationale) bron. Daarvan is echter geen sprake. Dat eiseres geen volledig recht heeft op AOW-pensioen acht zij strijdig met Internationale Verdragen omtrent de gelijkheid van de vrouw, alsmede met het Sociaal Handvest en de EU-richtlijnen omtrent de sociale zekerheid. Op grond van deze internationale bepalingen geniet zij een recht op sociale zekerheid dat haar niet bij KB afgenomen kan worden.

Voorts is er sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Eiseres verwijst daartoe naar uit-spra-ken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Hoge Raad, waarin is bepaald dat over de periode van vóór 1985 geen AOW onthouden kan worden aan ingezetenen die daar anders wel recht op zouden hebben gehad. Die periode moet doorgetrokken worden naar de nu toepasselijke regelgeving, die er terecht vanuit gaat dat onthouding van de AOW in strijd is met het recht.

Er is geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een uitsluiting aan te geven die slechts een paar jaar duurt, terwijl over de gehele overige tijd van 50 jaar geen uitsluiting plaats kan vinden.

Toen KB 164 van kracht werd, is door de Nederlandse overheid een bericht gezonden aan de Inter-na-tionale Organisaties om hen te wijzen op de toepassing van een overgangsregeling in dat KB, zodat geen uitsluiting van AOW zou kunnen plaatsvinden. De personeelsdienst van het NAVO-agent-schap waar de echtgenoot van eiseres werkzaam is, heeft dit ter hand genomen en heeft er zorg voor ge-dragen dat alle echtgenotes van het Nederlands personeel van die overgangsregeling gebruik zouden kunnen maken. Omdat aanmelding meer dan 10 jaar geleden is geschied en archieven ge-schoond zijn bij het NAVO-agentschap, zijn daar geen kopieën meer aan-wezig van die correspon-dentie.

Er is voorts strijd met het gelijkheidsbeginsel ten opzichte van echt-genotes van andere werknemers van de NAVO-organisatie waar haar echtgenoot werkt, omdat die allemaal wel recht zullen hebben op AOW-pensioen.

Mocht dit niet leiden tot de toekenning van een volledig pensioen dan dient de hardheidsclausule te worden toegepast. Uit de toelichting op het KB 164 blijkt dat het KB bedoeld is als interimmaatregel vanwege een aantal onbillijkheden en dat zo spoedig mogelijk een nieuwe regeling tot stand zou moeten komen om onbillijkheden op te heffen.

D. Het verweer.

In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht, dat de korting van 18% op het AOW-pen-sioen van eiseres een gevolg is van het feit dat zij gedurende het tijdvak van 1 juli 1989 tot 1 januari 1999 niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW, nu haar echtgenoot in die periode werkzaam was bij een volkenrechtelijke organisatie en zij niet in Nederland arbeid verrichtte noch een Nederlandse sociale uitkering ontving. De uitsluitingsbepalingen van KB 164 zijn van rechtswege op eiseres van toe-passing. Dit is slechts anders, indien eiseres verweerder vóór 1 juli 1990 zou hebben verzocht om de bepalingen van KB 164 niet op haar van toepassing te achten. Uitsluitend als gevolg van een der-ge-lijk tijdig ingediend verzoek zou eiseres vanaf 1 juli 1989 verzekerd zijn gebleven ingevolge de AOW. Hiervan is in casu geen sprake. Eiseres heeft een dergelijk verzoek niet ingediend en evenmin heeft eiseres bewijsstukken overgelegd aangaande dit verzoek dan wel een toekenningsbeslissing waarbij het verzoek is gehonoreerd.

Er kan geen sprake zijn van schending van het gelijkheidsbeginsel, nu de uitsluitingsbepaling van artikel 13, eerste en derde lid, van KB 164 geen onderscheid maakt naar sekse. Hiervan was wel sprake in de gevallen waarin de vrouw uitgesloten was van verzekering ingevolge de AOW, uitsluitend omdat haar echtgenoot niet verzekerd was, terwijl het omgekeerde niet gold in geval de vrouw niet verzekerd was. Met de invoering van artikel 13a van de AOW is er een einde gekomen aan mede-uitsluitingstijdvakken. Artikel 13a van de AOW ziet uitdrukkelijk niet op uitsluitingsbepalingen waarbij geen onderscheid gemaakt wordt naar sekse. Er kan dan ook niet tegemoet worden gekomen aan het verzoek van eiseres om de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens alsmede van de Hoge Raad van toepassing te achten op de uitsluitingsbepalingen zoals neergelegd in KB 164.

In casu is geen sprake van kennelijke hardheid, zoals neergelegd in artikel 25 van KB 164.

Verweerder heeft in beleidsregels toetsingscriteria geformuleerd op grond waarvan besloten wordt om iemand, in afwijking van de van toepassing zijnde regel, uit te sluiten van, dan wel op te nemen in de verzekering. Voor de op eiseres van toepassing zijnde situatie is het volgende bepaald. Is iemand in de situatie geraakt, dat hij wat zijn verzekeringspositie betreft tussen wal en schip valt in die zin dat materieel geen sprake is van een adequate verzekering en zou het, gezien alle feiten en omstandig-heden, dat wil zeggen gelet op de zorgplicht die de Nederlandse overheid heeft ten aanzien van be-paalde personen en gelet op de financiële positie van de betrokkene en diens mogelijkheid om op private basis een adequate dekking te bewerkstelligen, van bijzondere hardheid getuigen, indien aan die situatie een einde wordt gemaakt door het treffen van een afwijkende regeling ter zake van de verzekering, dan kan tot opneming in de verzekering worden besloten. Er is geen sprake van een situatie, zoals hiervoor geschetst, met het gevolg dat toepassing van artikel 13 van het KB 164 niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Eiseres is in de gelegenheid gesteld om zich vrijwillig te verzekeren, hetgeen zij heeft nagelaten te doen.

E. De beoordeling.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Het onderhavig geding spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden een kor--ting van 18% op het AOW-pensioen van eiseres heeft toegepast vanwege een niet-verzekerde periode van 1 juli 1989 tot 1 januari 1999. Zij heeft immers in beroep geen grieven ingebracht tegen de door verweerder op de toeslag toegepaste korting.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd degene, die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Ingevolge artikel 6, derde lid, van de AOW kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur in afwijking van het eerste en tweede lid uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan de kring der verzekerden.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het Koninklijk Besluit van 3 mei 1989, Staatsblad 1989/164, hierna KB 164, welke gelding had van 1 juli 1989 tot en met 31 december 1998, is niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen degene die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie, uitsluitend arbeid verricht uit hoofde van de dienstbetrekking en op wie de sociale verze-ke-ringsregeling van die organi-satie van toepassing is.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, van KB 164 worden de in het eerste lid bedoelde volken-rechtelijke organisaties door Onze Minister in over-eenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aangewezen.

In artikel 1 van de Beschikking van de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 en 28 april 1971, nr. 51 922, gepubliceerd op 27 mei 1971, in werking getreden met terugwerkende kracht tot 1 januari 1968, is als volkenrechtelijke organisatie aangewezen: de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie.

Ingevolge artikel 13, derde lid, van KB 164 zijn de echtgenoot, de kinderen en inwonende overige ge-zins-leden van de in het eerste lid genoemde persoon niet verzekerd ingevolge de volksverzeke-ringen, tenzij zij in Nederland arbeid verrichten of een Nederlandse sociale verzekeringsuitkering ontvangen.

Op grond van voormelde bepalingen komt de rechtbank tot het oordeel, dat eiseres in het tijdvak van 1 juli 1989 tot en met 31 december 1998 niet verzekerd is geweest ingevolge de volksverzekeringen, aangezien haar echtgenoot in die periode in dienst was van de Noord-Atlantische Verdragsorganisa-tie, uitsluitend arbeid verrichtte uit hoofde van die dienstbetrekking en op wie de sociale verze-ke-rings-regeling van die organi-satie van toepassing is. Niet gebleken is dat eiseres in die periode in Neder-land arbeid verrichtte of een Nederlandse sociale verzekeringsuitkering ontving.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van KB 164 kan de ingezetene, die met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit voldoet aan een van de artikelen 10 tot en met 25 en behoort tot een groep van personen, die in dit besluit voor het eerst van de verzekering ingevolge de volksverzeke-ringen wordt uitgezonderd, binnen een jaar na voornoemde datum verweerder verzoeken verzekerd te kunnen blijven ingevolge de volksverzekeringen.

Van de kant van eiseres is gesteld dat zij een verzoek, als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van KB 164 bij verweerder heeft ingediend. Noch eiseres noch verweerder heeft echter (een kopie van) een der-gelijk verzoek in het geding gebracht noch een daarop gegeven beslissing van verweerder, zodat het ervoor moet worden gehouden, dat een dergelijk verzoek nimmer is ingediend dan wel in het ongere-de is geraakt. In ieder geval had het op de weg van eiseres gelegen een daarop gegeven beslissing van verweerder te bewaren dan wel verweerder te rappeleren, indien een dergelijke beslissing zou zijn uitgebleven. Geconcludeerd moet dan ook worden, dat eiseres thans geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van KB 164, nu dit niet nader is geadstrueerd door middel van bescheiden.

Ook overigens is eiseres er niet in geslaagd om door middel van objec-tieve gegevens aan te tonen, dat zij over voormeld tijdvak wel als verzekerde had moeten worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van KB 164 kan verweerder, met uitzondering van artikel 24, vierde lid, artikelen van dit besluit buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de uitbreiding en beperking van de kring van verzekerden zal leiden tot een onbillijk-heid van overwegende aard, die uitsluitend voortvloeit uit de verzekeringsplicht of de uitsluiting daar-van krachtens dit besluit.

Eiseres heeft in beroep gesteld, dat voormelde hardheidsclausule in haar geval dient te worden toe-gepast. De rechtbank is echter niet gebleken van onbillijk-heden van overwegende aard, die voor ver-weer-der aanleiding hadden moeten zijn om van de wette-lijke bepalin-gen af te wijken. De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen door verweerder onder punt 11 van voormeld verweerschrift is betoogd.

De rechtbank overweegt voorts, dat eiseres in de gelegenheid is gesteld om zich vrijwillig te verze-keren, hetgeen zij - naar moet worden aangenomen - heeft nagelaten.

Daarom kan eiseres ook geen beroep doen op het gelijkheidsbeginsel, stellende dat de echtgenoten van collega’s van de man van eiseres gebruik hebben kunnen maken van de overgangsregeling na een daartoe ingediend verzoek bij de SVB.

Dat er sprake zou zijn van een fout aan de kant van de SVB, waarin mogelijk aanleiding zou kunnen worden gevonden voor gelijktrekking met die groep van personen, is de rechtbank niet gebleken.

Verweerder was dan ook gerechtigd een korting op het AOW-pensioen van eiseres toe te passen wegens niet-verzekerde jaren in de in het geding zijnde periode.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de AOW wordt op de bedragen, genoemd in artikel 9, tiende lid, van de AOW, een korting toegepast van 2%:

a. voor elk kalenderjaar, dat de pensioengerechtigde na het bereiken van de 15-jarige, doch vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest.

Ingevolge artikel 13, derde lid, van de AOW worden bij ministeriële regeling regels gesteld omtrent de herleiding van gedeelten van kalenderjaren tot gehele kalenderjaren en gedeelten van jaarpremies tot gehele jaarpremies.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Beschikking van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 27 juni 1985, Stcrt. 1985, 125, worden gedeelten van kalen-derjaren, gedu-rende welke de pensioengerechtigde na het be-reiken van de 15-jarige, doch voor het bereiken van de

65-jarige leeftijd niet verzekerd is geweest, voor de vast-stelling van de korting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de AOW, samengeteld en herleid tot gehele kalenderjaren.

Ingevolge het derde lid van dat artikel geschiedt de samen-telling en herleiding, in het eerste lid be-doeld, met inacht-neming van het volgende:

1e. Een kalenderjaar wordt op 360 dagen en elke kalendermaand op 30 dagen gesteld.

Ingevolge het vierde lid van dat artikel blijft een na de in het eerste en derde lid bedoelde herleiding overblijvend gedeelte van een kalenderjaar verder buiten beschouwing.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is door verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geconclu-deerd dat eiseres gedurende in totaal negen jaren niet verzekerd is geweest, zodat op grond van de in artikel 13 van de AOW neergelegde regeling een korting van 18% op het volledige ouderdomspen-sioen moest worden toegepast. Verweerder heeft dan ook terecht besloten, dat eiseres vanaf augustus 2002 recht heeft op een AOW-pensioen, vastgesteld op 82% van het maximale AOW-pensioen voor een gehuwde.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep voor ongegrond moet worden gehouden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10december 2003 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:10 december 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.