Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AN9956

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-12-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
88035 / KG ZA 03-445
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veilingkoop namens een ander? Opschorting leveringsplicht i.v.m. gemaakte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Vonnis : 11 december 2003 (bij vervroeging)

Zaaknummer: 88035 / KG ZA 03-445

Vonnis in kort geding

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[eiseres in conventie, gedaagde in voorwaardelijke reconventie],

gevestigd te [A.],

eiseres in conventie, gedaagde in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. A.P.A. Snijders;

tegen:

[gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie],

wonende te [H.],

gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. A.L.M. van Uden.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna: [K.], heeft gedaagde, hierna: [T.], gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 8 december 2003, heeft [K.] gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten. [K.] heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.

[T.] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties. Aansluitend heeft [T.] een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld.

[K.] heeft tegen de reconventionele vordering verweer gevoerd.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Vervolgens is het geding voor enige tijd geschorst. Na de hervatting hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

In conventie

2.1 Ter veiling, gehouden op 28 juni 2001, heeft [T.] een viertal aan de [adres] gesitueerde appartementsrechten gekocht. De koopprijs bedroeg fl. 150.000,- (€ 68.067,03).

2.2 Bij schriftelijke overeenkomst van 21 september 2001 heeft [T.] de appartements-rechten verkocht aan [K.] voor de prijs van fl. 166.171,78 (€ 75.405,47). [T.] heeft zich in artikel 1 verplicht binnen zes maanden tot levering over te gaan.

2.3 Volgens artikel 14 lid 3 van de koopovereenkomst verbeurt de partij die in verzuim is met levering een boete ter hoogte van 10% van de koopprijs.

2.4 Ondanks aandringen en ingebrekestelling heeft [T.] tot op heden niet aan de levering meegewerkt.

2.5 Tegen deze achtergrond heeft [K.] in dit geding gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

a. [T.] te veroordelen binnen 2 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis in kort geding, de met [K.] gesloten hierboven aangehaalde koopovereenkomst na te komen doordat [T.] zijn medewerking geeft c.q. dient te geven tot het verlijden van de akte van levering bij een door [K.] aan te wijzen notaris, van het desbetreffende voornoemd registergoed, alsmede alle verdere noodzakelijke handelingen, uiteraard onder gehoudenheid van (lees:) [K.] aan [T.] te voldoen de overeengekomen koopprijs, alles geheel volgens de tussen partijen bestaande overeenkomst, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor elke dag en/of iedere keer dat [T.] nadat 2 dagen na voormelde betekening zijn verstreken, in gebreke blijft aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

b. [T.] te veroordelen aan [K.] te voldoen tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van (lees:) fl. 16.617,18 is € 7.540,54 om voornoemde reden verschuldigd, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 21 september 2003 tot aan de dag der algehele voldoening;

c. [T.] te veroordelen in de kosten van dit geding waaronder het salaris van de procureur van [K.].

2.6 [T.] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zich beroepende op een opschortingsrecht.

In voorwaardelijke reconventie

2.7 Stellende dat hij ter veiling in opdracht van [naam bank], zijnde de moeder-maatschappij van [K.] - heeft geboden en gekocht alsmede de appartementen voor die vennootschap op zijn naam heeft gehouden en uit dien hoofde recht heeft op loon en vergoeding van gemaakte kosten - door [T.] becijferd op € 8.983,71 - heeft [T.], onder de voorwaarde dat de conventionele vordering wordt toegewezen, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[K.] te veroordelen om aan [T.] te voldoen tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 8.983,71, vermeerderd met de wettelijke rente van 3 december 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [K.] in de kosten van dit geding.

2.8 [K.] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

In conventie

3.1 De onder a gevraagde voorziening brengt reeds een voldoende spoedeisend belang met zich.

3.2 Deze voorziening staat of valt met de waardering van het door [T.] ingeroepen opschortingsrecht. Dat opschortingsrecht is gebaseerd op de stelling dat [T.] een vordering heeft op [K.] in verband met diverse in opdracht verrichte werkzaamheden en door hem gemaakte kosten met betrekking tot de op zijn naam aangekochte appartementsrechten.

3.3 Als (moet worden aangenomen dat) [T.] op basis van opdracht heeft gehandeld, is er op het eerste gezicht weinig reden om te denken dat deze door [K.] is verleend. Afgaand op de stukken komt immers (alleen) [W/U] als principaal in beeld. Maar hoe dit zij, de vraag of die omstandigheid een vordering op [K.] in rook doet opgaan, kan blijven rusten. [K.] heeft hier geen enkel punt van gemaakt.

3.4 Voor het standpunt dat (met [W/U] gemaakte) afspraken aan de bemoeiingen van [T.] ten grondslag hebben gelegen kan steun worden geput uit de brief van 6 juni 2001 van [T.] zelf. Daar blijft het goeddeels bij en dat is betrekkelijk mager. Voor afspraken over loon en kosten zijn in het dossier nog minder concrete aanwijzingen te vinden. Ofschoon niet licht voorstelbaar is dat [T.] zich om niet inspanningen heeft getroost, en een gepaste vergoeding in de rede ligt, is er bij deze stand van zaken onvoldoende reden om zijn optimistische becijferingen te volgen. Een en ander verdient een nader onderzoek, waarvoor in kort geding geen plaats is.

3.5 Dit zo zijnde, ware te voorkomen dat [T.] op enig moment tevergeefs bij [K.] moet aankloppen. Om hieraan een mouw te passen heeft [K.] zich bereid verklaard om, naar de voorzieningenrechter begrijpt, zolang in de te entameren bodemprocedure nog geen onherroepelijke uitspraak voorligt of partijen omtrent deze kwestie geen regeling hebben getroffen, voor de somma van € 11.000,- een bankgarantie te stellen. Hiermee zijn het gepretendeerde loon en de kosten van [T.] ruimschoots gedekt.

3.6 Afrondend vindt de voorzieningenrechter in de omstandigheid dat het beroep op opschorting mislukt, aanleiding, de over en weer betrokken belangen afwegend, de vordering onder a toe te wijzen op de wijze als in het dictum te bepalen en onder de voorwaarde dat [K.] de aangeboden bankgarantie zal stellen, waarbij de dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd. Een redelijke en praktische benadering brengt mee dat [T.] de aangekondigde bodemprocedure binnen een maand nadat de bankgarantie is gesteld, aanhangig zal maken.

3.7 Met de vordering onder b wordt de kwestie van verzuim aan de zijde van [T.] aangesneden. [K.] is daarop inhoudelijk niet ingegaan, noch heeft zij zich bekreund om de vraag of met de betreffende vordering een spoedeisend belang is gemoeid. Daarmee komt de vordering reeds niet over de ontvankelijkheidsdrempel in kort geding. Ook voor wat dit punt betreft is een taak voor de bodemrechter weggelegd.

3.8 Partijen worden ieder voor een deel in het ongelijk gesteld. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd op na te melden wijze.

In voorwaardelijke reconventie

3.9 De voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld wordt voor vervuld gehouden.

3.10 Gezien het onder 3.4 overwogene ligt de vordering voor afwijzing gereed. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [T.] verwezen in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie

veroordeelt [T.] om na betekening van dit vonnis en binnen tien werkdagen nadat [K.] voor een bedrag van € 11.000,- een deugdelijke bankgarantie heeft gesteld, de bij partijen genoegzaam bekende koopovereenkomst na te komen door zijn medewerking te verlenen aan het verlijden van de akte van levering ten overstaan van een door [K.] aan te wijzen notaris, alsmede alle verdere noodzakelijke handelingen te verrichten, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- voor elke dag dat [T.] hiermee in gebreke blijft, de dwangsommen maximerend tot € 75.000,-;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat [T.] de bodemprocedure, ter verkrijging van een vergoeding van kosten en loon, binnen een maand nadat de bankgarantie is gesteld, aanhangig zal maken;

verklaart [T.] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot voldoening van een bedrag van € 7.540,54 en rente op de voet van artikel 14 lid 3 van de koopovereenkomst;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

In reconventie

weigert de gevraagde voorziening;

veroordeelt [T.] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [K.] gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

RQ