Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AN9910

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
76784 /HA ZA 02-700
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitbetaling erfenis door bank aan erfgenaam die saniet is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 146

Uitspraak

Vonnis : 3 december 2003

Zaaknummer : 76784 / HA ZA 02-700

De rechtbank te Maastricht, sector civiel, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[naam curator], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam eiser],

wonende te [H.],

eiser,

procureur mr. H.E.C. Savelkoul;

tegen:

1. [naam ged[gedaagde sub 1]de sub 1].,

gevestigd te [A.],

gedaagde sub 1,

procureur mr. F.G.F.M. Tripels;

2. [naam gedaagde sub 2],

wonende te [S.],

gedaagde sub 2,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens.

Wederom gezien de stukken waaronder thans een uitspraak van deze rechtbank in deze zaak gewezen op 12 december 2002.

1. Het verdere verloop van de procedure

[naam gedaagde sub 2] heeft in vrijwaring mr [N.] opgeroepen. De betreffende zaak (rolnr. 80748) staat thans op de parkeerrol. [naam gedaagde sub 2] heeft vervolgens onder het overleggen van producties geantwoord waarna de curator onder het overleggen van producties heeft gerepliceerd. Beide gedaagden hebben vervolgens ieder voor zich gedupliceerd waarna partijen vonnis hebben gevraagd waarvan de uitspraak nader is bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 Voor de weergave van de vordering verwijst de rechtbank naar bovengenoemd vonnis in het incident.

Gedaagden hebben de vordering weersproken waarvoor de rechtbank verwijst naar de door ieder van hen genomen conclusie van antwoord en dupliek.

Daar de vordering tegen [naam gedaagde sub 2] slechts subsidiair is ingesteld, zal de rechtbank allereerst de vordering tegen [gedaagde sub 1] beoordelen.

De rechtbank gaat daarbij uit van de volgende gestelde feiten omdat die zijn erkend of niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken.

Ten aanzien van [naam eiser] (hierna de saniet genoemd) is op 16 september 1999 de definitieve schuldsanering uitgesproken. Tijdens de loop van deze schuldsanering is zijn moeder, mevr. [B.], overleden en wel op [datum]. Zijn moeder liet als erfgenamen na de saniet, zijn broer gedaagde [naam gedaagde sub 2] en zijn zus. De moeder had haar nalatenschap bij testament verdeeld waarbij aan de saniet werd toegedeeld het saldotegoed bij de [naam bank] op rekening [nummer] (thans [nummer]) bedragende € 36.302,42 (hierna het saldo). Op 17 januari 2000 is ten kantore van notaris [D.] te [S.] op verzoek van de drie erfgenamen een verklaring van erfrecht opgesteld waarin onder meer is opgenomen dat de drie met name genoemde erfgenamen het testament bekrachtigden. De bewindvoerder van de saniet is noch op de hoogte gesteld van het overlijden van de moeder, noch op de hoogte gesteld van deze bespreking noch bij de bespreking betrokken geweest. Ten kantore van notaris [D.] is toen tevens een volmacht opgesteld op grond waarvan de saniet door de overige erfgenamen werd gemachtigd om het saldo te innen. De volmacht luidt, voorzover relevant, als volgt :

"De ondergetekende:

1. de heer [naam gedaagde sub 2] …;

2. mevrouw [naam] ;

verklaren bij deze volmacht te geven aan :

de heer [eiser]

om hen te vertegenwoordigen terzake van de afwikkeling van de nalatenschap van mevrouw … [B.] … te dien einde te innen, bij de [naam bank] te [S.], te weten :

de resultatenrekening - nummer [nummer] en voorts al datgene verder of meer te doen, hetgeen … door de gevolmachtigde raadzaam wordt geacht, alles met de macht van substitutie.".

De saniet en gedaagde [naam gedaagde sub 2] zijn vervolgens naar een vestiging van [gedaagde sub 1] gegaan en aldaar is, nadat de saniet de verklaring van erfrecht en de volmacht aan de baliemedewerkster van [gedaagde sub 1] heeft getoond, aan de saniet het saldo afgegeven. De saniet heeft dit saldo niet in de boedel gestort.

De saniet is inmiddels failliet verklaard. De curator in dit faillissement is thans eiser in deze zaak.

2.2 [naam gedaagde sub 1] stelt allereerst dat de beschikkingsonbevoegdheid van de saniet geen rol speelde ten tijde van de uitkering van het saldo omdat er sprake is van erfopvolging onder algemene titel en er dus geen leveringshandeling heeft plaatsgevonden. [naam gedaagde sub 1] heeft aldus de saniet slechts in het bezit gesteld van wat op hem krachtens de toedeling op grond van de wet was overgegaan.

Daar waar de curator niet heeft gesteld dat de saniet rechthebbende op het saldo is geworden door overdracht, is deze stelling op zich niet relevant zodat de rechtbank daaraan voorbij kan gaan.

Voorzover [gedaagde sub 1] met deze stelling heeft willen aanvoeren dat er juridisch gezien geen beletsel bestond om het saldo aan de saniet af te geven, is deze stelling onjuist. Die stelling miskent namelijk dat art 296, lid 1 aanhef en onder a en onder b Fw. bepalen dat door de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldenaar zijn bevoegdheid om over de tot de boedel behorende goederen te beschikken verliest respectievelijk dat de schuldenaar van rechtswege de bevoegdheid verliest om ten aanzien van de tot de boedel behorende goederen feitelijke handelingen te verrichten. Het contant ophalen van het saldo zoals door de saniet is geschied, is hetzij een handeling ex 296, lid 1 aanhef en onder a hetzij een handeling zoals genoemd onder b van dat lid. Deze handeling is verder verricht in een periode dat [gedaagde sub 1] had behoren te weten (zie daarvoor hierna 2. 4) dat de saniet beschikkings- noch feitelijke handelingen meer kon uitvoeren. Uit dit art. 296 Fw vloeit voort dat [gedaagde sub 1] ten opzichte van de curator niet bevoegd was om het saldo aan de saniet ter beschikking te stellen. Voorzover [gedaagde sub 1] tevens wil stellen dat de verklaring van erfrecht en/of de volmacht zodanig was/waren opgesteld dat zij mocht concluderen dat de nalatenschap was verdeeld en dat de saniet geen deel van het saldo was toebedeeld (de saniet haalde het saldo alleen maar op als tussenpersoon), miskent deze stelling dat een verdeling zonder dat is vastgesteld dat de bewindvoerder daar bij betrokken is, rechtens geen verdeling is ten opzichte van het vermogen van de saniet. Over dat vermogen kan immers slechts de bewindvoerder beschikken en alleen die bewindvoerder kan dus beslissingen nemen terzake de verdeling.

2.3 [naam gedaagde sub 1] heeft verder gesteld dat zij de volmacht en de verklaring van erfrecht eerst bij de notaris heeft geverifieerd en aldus voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Nu de notaris geen melding heeft gemaakt van de sanering en de saniet noch zijn broer hierover heeft gerept toen het saldo werd opgehaald, valt [gedaagde sub 1] niets te verwijten.

Zoals thans geformuleerd, is deze stelling eigenlijk niet relevant : gesteld noch gebleken is immers dat [gedaagde sub 1] expliciet aan de notaris, de saniet of zijn broer heeft gevraagd of de saniet tot de schuldsanering was toegelaten. Voorzover een dergelijke vraag wel is gesteld, miskent de stelling dat ook al zou de notaris, de saniet of zijn broer in strijd met de waarheid hebben meegedeeld dat er geen sprake was van een schuldsanering, [gedaagde sub 1] nog steeds onderworpen zou zijn aan de rechtsgevolgen van art. 296 Fw (zie daarover ook 2.4 hierna). Met andere woorden het recht kent niet de regel dat een persoon ten aanzien van het antwoord op de vraag of een andere persoon is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling enkel en alleen mag afgaan op hetgeen een notaris, saniet of zijn broer hem heeft meegedeeld.

2.4 [naam gedaagde sub 1] meent verder dat de vordering moet worden afgewezen omdat haar niet kan worden verweten niet bekend te zijn geweest met het feit dat de saniet een saniet was. De saniet was namelijk geen klant van [gedaagde sub 1] en van [gedaagde sub 1] kan niet worden verwacht dat zij ook van personen waarmee zij geen relatie heeft bijhoudt of die personen in een schuldsanering lopen. De rechtbank deelt die mening niet omdat zij geen steun vindt in het recht. De wetgever heeft immers in de tamelijk recent in werking gereden schuldsaneringregeling op geen enkele manier laten doorschemeren dat er situaties denkbaar zijn waarin personen, ondanks de publicatieplicht van art. 293 Fw., met succes een beroep zouden kunnen doen op de stelling dat zij niet hebben geweten dat iemand saniet is en dat dus de rechtsgevolgen zoals onder meer genoemd in art. 296 Fw tegen hen niet zouden kunnen worden ingeroepen. Daar waar de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt gepubliceerd, is het aan iedere deelnemer aan het rechtsverkeer om zelf de afweging te maken of hij die publicaties bij wil houden met alle gevolgen van dien.

2.5 [naam gedaagde sub[gedaagde sub 1] heeft tenslotte gesteld dat er slechts sprake kan zijn van gedeeltelijke aansprakelijkheid omdat zij alle zorg heeft betracht en haar geen verwijt kan worden gemaakt terwijl dit niet kan worden gezegd van het optreden van de saniet, gedaagde [naam gedaagde sub 2] en/of (wellicht) van het notariskantoor. Deze stelling wordt verworpen omdat het [gedaagde sub 1] is geweest die het hele saldo heeft uitbetaald zonder te controleren of de saniet een saniet was. In een dergelijk geval zijn eventuele fouten van anderen in de verhouding [gedaagde sub 1]-curator, mede bezien in het licht van een bijzondere regeling als de schuldsaneringsregeling, van geen belang (zie ook art. 6:102 BW). De rechtbank is verder van mening dat deze stelling ook feitelijk niet juist is : [naam gedaagde sub[gedaagde sub 1] houdt immers om haar moverende redenen niet bij welke personen er allemaal zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Nu [gedaagde sub 1] die redenen onvoldoende concreet heeft duidelijk gemaakt, kan niet worden geoordeeld over de vraag of zij alle zorg heeft betracht noch of haar geen verwijt kan worden gemaakt.

2.6 Al met al wordt de vordering tegen [gedaagde sub 1] dus toegewezen zodat de vordering tegen gedaagde [naam gedaagde sub 2] niet beoordeeld hoeft te worden. Dit brengt verder met zich dat [gedaagde sub 1] de proceskosten van de curator dient te vergoeden en de curator de proceskosten van [naam gedaagde sub 2]. De rechtbank acht termen aanwezig om de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet toe te wijzen (zie HR, NJ 2002, 608).

De kosten van het incident komen voor rekening van [naam gedaagde sub 2] : nu hij niet wordt veroordeeld, heeft hij het incident immers nodeloos uitgelokt. De rechtbank zal de kosten gelet op de referte, bepalen op een halve punt van tariefgroep 2 van het liquidatietarief.

3. De uitspraak

De rechtbank:

Veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan de curator tegen kwijting te betalen € 36.302,42 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

Veroordeelt [gedaagde sub 1] in de kosten van deze procedure, gerezen aan de zijde van de curator en tot op heden begroot op € 690,- aan griffierecht, € 65,18 aan kosten deurwaarder en € 998,- voor salaris procureur;

Verstaat dat niet over de vordering tegen [naam gedaagde sub 2] geoordeeld hoeft te worden;

Veroordeelt de curator in de kosten van de procedure in de hoofdzaak, gerezen aan de zijde van [naam gedaagde sub 2] en tot op heden begroot op nihil aan griffierecht (niet geheven) en € 998,- voor salaris procureur;

Veroordeelt [naam gedaagde sub 2] in de kosten van de incidentele procedure, gerezen aan de zijde van de curator en tot op heden begroot op € 195.- voor salaris procureur;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sijmonsma, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.