Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AN9198

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-12-2003
Datum publicatie
02-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/478 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Namens eiser is in beroep aangevoerd, dat hij niet in staat is geweest de wijziging tijdig te melden, nu hij in die periode van wijzigingen een ernstig ongeluk kreeg, waardoor hij twee weken in het ziekenhuis opgenomen is geweest en in de periode daarna drie keer per week voor therapie naar het zieken-huis moest. Daardoor was eiser met zijn gedachten niet bij SVB-zaken. Het feit dat zijn partner meer inkomen is gaan ontvangen dan per 2001 was toegezegd en per oktober 2001 door hem aan verweerder was doorgegeven is geen activiteit van eiser geweest, maar van de verzekeringsarts, die zijn vrouw een andere uitkering wenste te geven zonder te weten dat eiser en zijn vrouw hier zelf niet beter van zouden worden, omdat eiser per april 2002 van zijn AOW-pensioen zou gaan genieten.

Eiser gaat ermee akkoord, dat het door verweerder te veel betaalde moet worden terugbetaald, maar een boete vindt eiser zeker niet op zijn plaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 478 AOW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[A] te Brunssum, eiser,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank

- Vestiging Roermond - , gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 21 februari 2003.

Kenmerk: RM 35484-0 92557.

Behandeling ter zitting: 20 november 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 21 februari 2003 heeft verweerder een door eiser inge-diend bezwaar-schrift d.d. 13 januari 2003 tegen een door verweerder genomen besluit van 20 december 2002 ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is door eiser beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 20 november 2003, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, medewerker beroepszaken.

II. OVERWEGINGEN.

A. De feiten.

Eiser heeft op 15 oktober 2001 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij heeft daarbij aangege-ven dat zijn (huwelijks)partner eigen inkomen heeft uit arbeid en daarnaast nog een inkomen in ver-band met arbeid namelijk een bedrijfspensioen van het Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie.

Bij besluit van 25 oktober 2001 heeft verweerder eiser met ingang van maart 2002 een ouderdoms-pensi-oen toegekend, alsmede een toeslag op dit ouder-domspensioen ten behoeve van de jongere partner van eiser. Op grond van de door eiser bij zijn aanvraag overgelegde gegevens heeft verweer-der het inkomen van eisers partner vast-gesteld op ƒ 621,57 per maand, zijnde ƒ 221,85 inkomen uit arbeid en ƒ 399,72 inkomen in ver-band met arbeid, namelijk een bedrijfspensioen van het Bedrijfs-pensioen-fonds. Daarbij is eiser meegedeeld dat het inkomen uit arbeid gedeeltelijk wordt ge-kort op de toeslag, terwijl het inkomen in verband met arbeid volledig op de toeslag in mindering wordt gebracht.

Op 30 september 2002 is bij verweerder een Inkomensopgaveformulier ingekomen waarop eiser heeft aangegeven dat zijn (huwelijks)partner naast haar bedrijfspensioen vanaf 1 juni 2002 een WAO-uitke-ring ontvangt van UWV Cadans. Daarbij heeft hij een brief gevoegd, gedateerd 7 juni 2002, waarbij UWV Cadans een specificatie heeft gegeven van de WAO-uitkering van de echtgenote van eiser.

Uit een door verweerder ingesteld onderzoek is gebleken dat UWV Cadans eisers partner reeds bij besluit van 15 oktober 2001 een WAO-uitkering heeft toegekend, ingaande 11 oktober 2001.

Bij besluit van 19 november 2002 heeft verweerder de hoogte van de toeslag op het AOW--pen-sioen van eiser ingaande maart 2002 herzien, aangezien uit het door eiser op 30 september 2002 retour gezonden Inkomensopgaveformulier is gebleken dat het inkomen van eisers partner is ge-wijzigd.

Bij brief van 19 november 2002 heeft verweerder eiser het voornemen kenbaar gemaakt het te veel ontvangen bedrag aan toeslag over de maanden maart 2002 tot en met oktober 2002 ter hoogte van € 1.470,74 terug te vorderen alsmede hem een boete op te leggen ten bedrage van € 154,--, aange-zien hij niet aan zijn mededelingsverplichting heeft voldaan.

Op 6 december 2002 is eiser tijdens een hoorgesprek in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze ten aanzien van de voorgenomen boeteoplegging kenbaar te maken. Hij heeft toen aangegeven dat hij zich totaal niet bewust is wat hij fout heeft gedaan. Hij heeft alles gemeld wat hij verplicht was te melden. Eiser meent dat de vergissing is ontstaan doordat met het ontslag van zijn echtgenote een en ander is misgegaan. Zijn vrouw zal met ingang van 1 februari 2003 ontslagen worden. Zij wordt voor 80/100% afgekeurd.

Eiser heeft bij die gelegenheid een aantal brieven van UWV Cadans overgelegd, waaronder een besluit d.d. 8 april 2002, waarbij eisers echtgenote een WAO-uitkering is toegekend per 11 oktober 2001, alsmede een brief d.d. 6 mei 2002, waarin eisers echtgenote wordt meegedeeld, dat haar WAO-uitkering tot dan toe door haar (vroegere) werkgever aan haar werd overgemaakt en dat UWV Cadans die uitkering rechtstreeks aan haar uitbetaalt.

Verweerder heeft bij besluit van 20 december 2002 van eiser de ten onrechte uitbetaalde toeslag ad € 1.470,74 teruggevorderd en aan eiser een boete opgelegd van € 154,--. Verweerder heeft op 30 september 2002 geconstateerd dat eisers echtgenote met ingang van 11 oktober 2001 een WAO-uitkering, die tussentijds gewijzigd is, ontvangt. Eiser heeft deze wijzigingen van haar uitkering niet binnen vier weken aan verweerder doorgegeven. Verweerder is niet gebleken van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken van verwijtbaarheid voor het niet doorgeven van deze wijziging.

De door eiser aangevoerde omstandigheden zijn niet zo zwaarwegend dat eiser verweerder niet van de gewijzigde omstandigheden betreffende haar werkkring op de hoogte had kunnen brengen. Dit is voor verweerder dan ook geen reden om de boete te verlagen of van de oplegging van een boete af

te zien.

Tegen voormeld besluit heeft eiser bij brief d.d. 13 januari 2003 bezwaar gemaakt. Daarbij is aan-gevoerd, dat bij de eerste opgave voor de vaststelling van de AOW-toeslag ten behoeve van eisers echtgenote duidelijk in de kopie stond vermeld dat zijn echtgenote een uitkering kreeg. Zij was van mening dat dit een WAO-uitkering was, omdat hierover met de verzekeringsdeskundige was gespro-ken. In juni 2002 is deze WAO-uitkering, welke eerst werd verzorgd door Drielanden Thuiszorg B.V., overgenomen door Cadans. In een brief van Drielanden Thuiszorg B.V. d.d. 26 augustus 2002 be-tref-fende het verzoek beëindiging arbeidsovereenkomst werd duidelijk vermeld dat de beëindiging van het dienstverband geen consequenties voor de huidige uitkering inhield. Eiser is het ermee eens dat het te veel betaalde dient te worden terugbetaald. De opgelegde boete lijkt hem echter niet op zijn plaats. Na een leven van 65 jaar zonder dat er ooit een boete is opgelegd voor enig vergrijp heeft hij er onoverkomelijke moeite mee ingedeeld te worden bij diegenen, die zich niet aan de regels houden.

Eiser is in de gelegenheid gesteld om op het bezwaarschrift te worden gehoord.

Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

Bij brief van 19 februari 2003 heeft UWV Cadans verweerder een aantal besluiten toegezonden met betrekking tot de WAO-uitkering van eisers partner. Daaruit blijkt, dat UWV Cadans haar bij besluit van 15 oktober 2001 ingaande 11 oktober 2001 een WAO-uitkering heeft toegekend en haar bij besluit van 5 december 2001 heeft meegedeeld, dat deze WAO-uitkering met terug-werkende kracht wordt verhoogd. Bij besluit van 19 februari 2002 heeft UWV Cadans eisers partner meege-deeld, dat zij geen recht heeft op een WAO-uitkering, aangezien zij per 11 oktober 2001 geschikt wordt geacht voor gang-baar werk, met welk besluit de beschikking d.d. 15 oktober 2001 is komen te vervallen.

B. Het besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Bij het besluit van 25 oktober 2001 was een “Overzicht van uw verplichtingen” gevoegd. Een van de verplichtingen betrof het doorgeven van een wijziging in het inkomen van de (huwelijks)partner.

Bij eisers aanvraag voor een AOW-pensioen was destijds ook een informatieblad gevoegd waarin aangegeven was dat wijzigingen in zijn omstandigheden binnen vier weken moesten worden gemeld bij verweerder.

Tijdens het hoorgesprek op het kantoor van verweerder heeft eiser een aantal kopieën van bewijs-stukken overgelegd. Hierbij was onder andere een beschikking van UWV Cadans d.d. 8 april 2002.

In deze beschikking is aangegeven dat eisers partner vanaf 11 oktober 2001 recht heeft op een WAO-uitkering. Bij navraag bij UWV Cadans is gebleken dat eiser reeds eerder, namelijk op 15 oktober 2001, bericht heeft ontvangen dat aan zijn partner een WAO-uitkering was toegekend met ingang van 11 oktober 2001.

Eiser heeft tijdens de bezwaarprocedure aangegeven dat met betrekking tot de toekenning van de WAO-uitkering een en ander nogal rommelig is verlopen. Hij heeft verschillende malen een nieuwe beschikking ontvangen van het UWV Cadans en hij was op een gegeven moment het spoor bijster.

Eiser heeft echter reeds op 15 oktober 2001 een beschikking ontvangen van het UWV Cadans waarin expliciet was aangegeven dat zijn partner vanaf 11 oktober 2001 recht had op een WAO-uitkering. Volgens zijn opgave op het aan verweerder toegezonden formulier “Inkomen (huwelijks)partner” van 6 oktober 2001 had ze daaraan voorafgaand een inkomen uit dienstbetrekking. De wijziging van in-komen uit dienstbetrekking naar een inkomen uit een WAO-uitkering is een wijziging die eiser binnen vier weken had moeten doorgeven bij verweerder. Door eiser is echter de genoemde wijziging in zijn omstandigheden niet (tijdig) doorgegeven aan verweerder. Op grond van het Boetebesluit sociale-zekerheidswetten is verweerder vervolgens verplicht aan eiser een boete op te leggen.

De hoogte van de op te leggen boete is gerelateerd aan het benadelingsbedrag. Dit betreft het bedrag dat als gevolg van het niet of niet tijdig doorgeven van een wijziging in de omstandigheden ten on-rechte wordt uitbetaald. De boete wordt vervolgens vastgesteld op 10% van het benadelings-bedrag, met dien verstande dat deze een veelvoud van € 11,-- bedraagt en ten minste € 45,--. Dit betekent in het geval van eiser een boete van € 154,--.

Volgens het beleid van verweerder kan er slechts sprake zijn van geen verwijtbaarheid als betrokkene het niet kan worden verweten dat hij niet aan zijn mededelingsverplichting heeft voldaan. Dit is het geval, indien betrokkene in onvoorziene en ongewenste omstandigheden verkeerde die niet tot het normale levenspatroon behoren en die het belanghebbende feitelijk onmogelijk maakten aan zijn verplichtingen te voldoen. Dit is voor eiser niet van toepassing en er kan dus geen sprake zijn van geen verwijtbaarheid. Van verminderde verwijtbaarheid is sprake, indien de gerechtigde de wijziging wel zelf heeft doorgegeven, maar niet binnen de gestelde termijn van vier weken. Eiser heeft de wijzi-ging gemeld op het formulier “Inkomensopgave in verband met de inkomensafhankelijke toeslag op grond van de AOW”. Dit betreft een door verweerder aan eiser toegezonden formulier, zodat niet gesteld kan worden dat eiser de wijziging uit eigen beweging heeft doorgegeven.

Er kan derhalve ook geen sprake zijn van verminderde verwijtbaarheid.

C. Het beroep.

Namens eiser is in beroep aangevoerd, dat hij niet in staat is geweest de wijziging tijdig te melden, nu hij in die periode van wijzigingen een ernstig ongeluk kreeg, waardoor hij twee weken in het zieken-huis opgenomen is geweest en in de periode daarna drie keer per week voor therapie naar het zieken-huis moest. Daardoor was eiser met zijn gedachten niet bij SVB-zaken. Het feit dat zijn partner meer inkomen is gaan ontvangen dan per 2001 was toegezegd en per oktober 2001 door hem aan verweer-der was doorge-geven is geen activiteit van eiser geweest, maar van de verzekeringsarts, die zijn vrouw een andere uitkering wenste te geven zonder te weten dat eiser en zijn vrouw hier zelf niet beter van zouden worden, omdat eiser per april 2002 van zijn AOW-pensioen zou gaan genieten.

Eiser gaat ermee akkoord, dat het door verweerder te veel betaalde moet worden terugbetaald, maar een boete vindt eiser zeker niet op zijn plaats.

D. Het verweer.

Verweerder heeft naar voren gebracht, dat onder “onverwijld” in de zin van artikel 49 van de AOW moet worden verstaan binnen vier weken nadat het van belang zijnde feit heeft plaatsgevonden of de relevante wijziging van omstandigheden is ingetreden. Eiser heeft nagelaten om binnen vier weken te melden dat zijn partner een WAO-uitkering, zijnde inkomen in verband met arbeid, is gaan ontvangen, die anders dan inkomen uit een dienstbetrekking volledig op de toeslag in mindering moet worden gebracht. Eiser heeft evenmin op het door verweerder op 30 september 2002 retour ontvangen Inkomensopgaveformulier aangegeven, dat zijn partner ingaande oktober 2001 een WAO-uitkering ontving. Op dat formulier noemt eiser een door verweerder niet te herleiden datum van 1 juni 2002. Ten gevolge van het feit dat eiser de mededelingsverplichting heeft geschonden is hem een bedrag van € 1.470,74 te veel aan toeslag betaald. De boete is conform het bepaalde in artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten vastgesteld op € 154,--, zijnde 10% van het benadelingsbedrag en afgerond op een veelvoud van € 11,--. Verweerder is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de boete moet worden verlaagd dan wel moet worden afgezien van het opleggen van een boete. De omstandigheden zoals genoemd in het beroepschrift kunnen er niet toe leiden dat in casu sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Verweerder acht het niet aannemelijk dat eiser ten gevolge van het feit dat hij in februari 2002 voor twee weken opgenomen is geweest in het ziekenhuis niet in staat is om tijdig de wijziging in de aard van het inkomen van zijn echtgenote te vermelden, zeker nu reeds bij beschikking van 15 oktober 2001 aan de echtgenote van eiser kenbaar is gemaakt dat ingaande 11 oktober 2001 recht bestond op een WAO-uitkering. Daarnaast is het niet aannemelijk dat de toe-kenning van de WAO-uitkering zonder medeweten van eiser dan wel diens echtgenote is geschied, nu in diverse beschikkingen van UWV Cadans kenbaar is gemaakt dat de echtgenote van eiser recht had op een WAO-uitkering.

E. De beoordeling.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 49 van de AOW is de pensioengerechtigde verplicht aan de Sociale Verzekerings-bank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt uitbetaald.

Blijkens verweerders Beleidsregels 2002 verstaat verweerder onder “onverwijld” in de zin van artikel 49 van de AOW: binnen vier weken nadat het van belang zijnde feit heeft plaatsgevonden of de relevante wijziging van omstandigheden is ingetreden.

Voorts heeft blijkens die Beleidsregels (bijlage II, artikel 2, aanhef en onder d) de mede-de-lings--ver-plich-ting van de pensioengerechtigde in ieder geval betrekking op het onverwijld melden van een wijziging in de aard van het in-komen van zijn partner, alsmede een niet-conjuncturele verhoging van het inkomen van die partner, als de partner jonger is dan 65 jaar en de pensioengerechtigde een toeslag voor die partner ontvangt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet voldaan aan zijn verplichting verweerder onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van de wijziging in de aard van het inkomen van zijn partner, alsmede de wijzigingen in dat inkomen.

Eiser heeft verweerder immers niet - althans niet binnen vier weken - in kennis gesteld van de volgende mededelingen en besluiten van UWV Cadans:

1. het besluit d.d. 15 oktober 2001, waarbij eisers partner per 11 oktober 2001 een WAO-uitkering is toegekend;

2. het besluit d.d. 5 december 2001, waarbij die WAO-uitkering per 11 oktober 2001 is verhoogd;

3. het besluit d.d. 19 februari 2002, waarbij eisers partner is meegedeeld, dat zij geen recht heeft op WAO-uitkering;

4. het besluit d.d. 8 april 2002, waarbij eisers partner wederom per 11 oktober 2001 een WAO-uitkering is toegekend;

5. de brief d.d. 6 mei 2002, waarbij eisers partner is meegedeeld, dat de WAO-uitkering, die eerst door haar werkgever werd betaald, nu door UWV Cadans wordt betaald;

6. de specificatie van de WAO-uitkering d.d. 7 juni 2002;

7. de specificatie van de WAO-uitkering d.d. 5 juli 2002.

Voormelde specificatie van de WAO-uitkering d.d. 7 juni 2002 heeft eiser weliswaar aan verweerder doen toekomen, maar pas op 30 september 2002, derhalve niet binnen vier weken na ontvangst van die specificatie. Bovendien heeft eiser dit niet uit eigen beweging gedaan, maar naar aanleiding van een hem toegezonden inkomensopgave-formulier.

Ingevolge artikel 17c, eerste lid, van de AOW legt de Sociale verzekeringsbank, indien de pensioen-gerechtigde de verplichting, bedoeld in artikel 49, niet of niet behoorlijk is nagekomen, hem een boete op van ten hoogste € 2.269.

Ingevolge artikel 17c, tweede lid, van de AOW wordt de hoogte van de boete afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de pensioengerechtigde de gedraging verweten kan worden en

de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge artikel 17c, vierde lid, van de AOW kan de Sociale Verzekeringsbank, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten van het opleggen van een boete af te zien.

Ingevolge artikel 17c, zevende lid, van de AOW worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot het eerste en het tweede lid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten (hierna het Besluit) wordt de boete vast-gesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 45 wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit wordt de boete naar boven afgerond op een veelvoud van € 11.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit wordt de boete, die is berekend met toepassing van artikel 2, verhoogd of verlaagd, indien de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging ver-we-ten kan worden of de omstandigheden waarin hij verkeert daartoe aanleiding geven. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaar-heid ontbreekt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser, nu deze de verplichting, bedoeld in artikel 49 van de AOW, niet of niet behoorlijk is nagekomen, terecht een boete opgelegd.

Deze boete heeft verweerder overeenkomstig voormelde bepalingen terecht vastgesteld op een bedrag van € 154,--, nu het benadelingsbedrag € 1.470,74 bedraagt.

Eiser heeft in beroep aangevoerd, dat hij niet in staat is geweest de onderhavige wijzigingen tijdig te melden, nu hij in de betreffende periode een ernstig ongeluk kreeg, waardoor hij twee weken in het zieken-huis opgeno-men is geweest en in de periode daarna drie keer per week voor therapie naar het zieken-huis moest.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen voormelde omstandigheden niet worden beschouwd als uitzonderlijke omstandigheden zoals ernstige ziekte of bovenmate belastende familie-omstandig-heden, die het niet voldoen aan een mededelingsplicht zoals in casu kunnen veront-schuldigen.

Eiser moest in staat worden geacht zijn belangen door een ander te doen behartigen dan wel verweerder te verwittigen dat hij wegens ziekte niet direct aan zijn mededelingsplicht kon voldoen.

Overigens vond het betreffende ongeval - naar eiser ter zitting heeft gesteld - plaats in april 2002, zodat eiser verweerder in ieder geval van voormeld besluit d.d. 15 oktober 2001 op de hoogte had kunnen stellen. Tot april 2002 was er immers nog geen sprake van een medische problematiek.

Voorts heeft eiser aangevoerd, dat het feit dat zijn partner meer inkomen is gaan ontvangen dan per 2001 was toegezegd en per oktober 2001 door hem aan verweer-der was doorge-geven geen activiteit van eiser is geweest, maar van de verzekeringsarts, die zijn vrouw een andere uitkering wenste te geven zonder te weten dat eiser en zijn vrouw hier zelf niet beter van zouden worden.

Ook deze omstandigheid kan naar het oordeel van de rechtbank niet als excuus worden aangevoerd.

Eiser had simpelweg een kopie van voormelde bescheiden aan verweerder moeten toesturen, waarna verweerder eisers recht op toeslag nader kon beoordelen.

De rechtbank is dan ook niet gebleken dat elke vorm van verwijtbaarheid bij eiser ontbrak, noch van dringende redenen die verweerder hadden moeten nopen van het opleggen van een boete af te zien.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de hoogte van voormelde boete in overeenstemming worden geacht met de ernst van de gedraging, de mate waarin eiser de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiser voor ongegrond moet worden gehouden.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2003 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 1 december 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.