Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AN9159

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-11-2003
Datum publicatie
06-04-2004
Zaaknummer
02/594 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomensgfarantie na herplaatsing op medische gronden.

Het hoofd concernstaf van de gemeente heeft aan eiser medegedeeld dat de garantieregeling voor wat betreft het jaar 2000 niet leidt tot een betaling. Hieraan ligt ten grondslag dat de som van de bezoldiging uit de herplaatste betrekking en het totaal aan arbeidsongeschiktheids-uitkeringen meer bedraagt dan het omgerekend inkomen uit de oorspronkelijke betrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: 02/594 AW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [A-B], gevestigd te [plaats A], verweerder.

Datum bestreden besluit: 14 maart 2002.

Kenmerk: 106947.

Behandeling ter zitting: 23 oktober 2003.

I. PROCESVERLOOP.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 14 maart 2002 is namens verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 11 juli 2001 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is door eiser op 22 april 2002 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn aan eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 23 oktober 2003. Eiser is niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door […], beleidsmedewerker concernstaf bij de gemeente [A-B].

II. OVERWEGINGEN.

1. De feiten

Eiser is in 1982 in dienst getreden bij de voormalige gemeente A. Per 1 september 1987 is eiser om medische redenen herplaatst. Aangezien voor die andere betrekking een lager salaris gold, is aan eiser per die datum door het -destijds nog- Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) een zogenaamde herplaatsingtoelage toegekend, berekend conform artikel K 5 van de toen nog geldende Algemene Burgerlijke Pensioenwet (Abp-wet).

Eiser heeft op enig moment verweerder verzocht om een compenserende inkomensvoorziening omdat de aan hem in 1987 gegeven inkomensgarantie niet langer zou worden gerealiseerd. Dit heeft erin geresulteerd dat het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente [A] (gemakshalve hierna eveneens te noemen: verweerder) een bijzondere inkomensregeling “inkomensgarantie na herplaatsing” heeft vastgesteld voor medewerkers die om medische redenen zijn herplaatst.

Bij besluit van 17 oktober 2000 heeft verweerder de getroffen garantieregeling, ingaande

1 januari 2000, aan eiser bekendgemaakt. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij besluit van 11 juli 2001 heeft het hoofd concernstaf van de gemeente aan eiser medegedeeld dat de garantieregeling voor wat betreft het jaar 2000 niet leidt tot een betaling. Hieraan ligt ten grondslag dat de som van de bezoldiging uit de herplaatste betrekking en het totaal aan arbeidsongeschiktheids-uitkeringen meer bedraagt dan het omgerekend inkomen uit de oorspronkelijke betrekking.

Bij brief van 14 augustus 2001 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Daarbij is aangevoerd dat het niet meetellen van een eindejaarsuitkering bij het omgerekend inkomen uit de oorspronkelijke betrekking, terwijl de eindejaarsuitkering uitgekeerd door het USZO wel wordt meegenomen bij de vaststelling van het feitelijk inkomen, niet juist is.

Voorts is aangevoerd dat sprake is van een berekeningsfout en dat de overhevelingstoeslag en de nabetaling buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

Eiser is in de gelegenheid gesteld om op 12 november 2001 op het bezwaar te worden gehoord.

Hij heeft bij die gelegenheid onder meer naar voren gebracht, dat hij ook aanspraak had kunnen maken op een eindejaarsuitkering indien hij niet arbeidsongeschikt was geworden.

2. Het bestreden besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser gegrond verklaard voorzover het betreft hetgeen is aangevoerd omtrent de berekeningsfout, de overhevelingstoeslag en de nabetaling. Verweerder heeft het primaire besluit op dit punt herroepen. Verweerder volgt daarbij het advies van de Kamer Sociale Zaken, Wet voorzieningen gehandicapten en Personele Zaken (bezwarencommissie) waarin tevens is overwogen dat de eindejaarsuitkering terecht niet is meegeteld bij de vaststelling van het oorspronkelijk inkomen.

3. Het beroep.

Eiser kan zich ook met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Aangevoerd is -zakelijk weergegeven- dat door de werkgever in 1987 een inkomensgarantie is afgegeven die erop neer kwam dat het inkomen na herplaatsing hetzelfde zou blijven als ware hij nog blijven werken. Na invoering van de collectieve arbeidsvoorwaarden voor gemeenteambtenaren worden de verhoging van het salaris en de verhoging van de uitkering verschillend berekend. Bovendien zijn in genoemde arbeidsvoorwaarden alsook in de uitkeringswetgeving nieuwe regelingen opgenomen, zoals eindejaarsuitkeringen en eenmalige uitkeringen. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij op grond van de toezegging in 1987 recht heeft op genoemde componenten in die zin dat deze dienen te worden verrekend met de componenten van de Stichting Pensioenfonds ABP. Gevorderd wordt de beslissing te herzien.

5. De beoordeling.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op het bestreden besluit en de gronden van beroep, de overhevelingstoeslag en nabetaling niet meer in geschil is.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft kunnen besluiten om bij de vaststelling van het oorspronkelijk inkomen de eindejaarsuitkering niet mee te tellen, terwijl de eindejaarsuitkering van het USZO wel bij het feitelijk inkomen is meegerekend. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel K 5, lid 2, van de op 1 januari 1996 ingetrokken Abp-wet, bedroeg de herplaatsingtoelage jaarlijks het nadelig verschil tussen het tot een jaarbedrag herleide ambtelijk inkomen bedoeld in artikel C 1 uit de oorspronkelijke betrekking, met inachtneming van de wijzigingen in de bezoldiging van het rijkspersoneel bedoeld in artikel A 8, en het daarmee overeenkomende inkomen uit de nieuwe betrekking.

In artikel C 1, lid 1, van de Abp-wet is neergelegd dat het ambtelijk inkomen omvat alle inkomsten in geld die een ambtenaar terzake zijn dienstverhouding ontvangt met uitzondering van de in dit artikellid opgesomde gevallen.

Vaststaat dat eiser in 1987 aanspraak maakte op een herplaatsingtoelage op grond van genoemd artikel van de Abp-wet. Aangezien in die tijd de afspraken over algemene salarisinpassingen voor het rijkspersoneel feitelijk voor alle andere categorieën van overheidspersoneel golden ontstond voor eiser bij zijn herplaatsing het perspectief op per saldo het behoud van het geïndexeerde bruto-inkomen zoals dat op de dag voorafgaande aan zijn herplaatsing gold. De salarisafspraken voor het rijkspersoneel gelden inmiddels niet meer voor alle overheidssectoren. Iedere sector maakt afzonderlijk afspraken. Vervolgens wordt op basis van die afspraken een gewogen gemiddelde bepaald waarmee de berekeningsgrondslagen voor de door het ABP en de USZO te verrichten uitkering worden aangepast.

Op basis hiervan is voor eiser per 1 januari 2000 een situatie ontstaan waarbij het totale bruto-inkomen is gedaald beneden het geïndexeerde inkomen onmiddellijk voorafgaande aan de herplaatsing.

Eiser heeft verweerder hierop gewezen en aangevoerd dat de werkgever hem in 1987 een inkomensgarantie heeft afgegeven die erop neerkwam dat het inkomen na herplaatsing hetzelfde zou blijven als ware hij blijven werken.

De rechtbank stelt vast dat zich van deze inkomensgarantie geen stukken in het dossier bevinden. In de nota alsmede in het verweerschrift is evenwel terug te vinden dat er van werkgeverszijde mededelingen met genoemde strekking aan eiser zijn gedaan. Hoewel partijen de term werkgever niet verder hebben geëxpliciteerd, is niet weersproken dat genoemde toezeggingen niet bevoegdelijk zouden zijn gedaan. In het navolgende neemt de rechtbank dan ook als vaststaand aan dat in 1987 aan eiser dergelijke garantie is gegeven door of namens het bevoegd gezag.

De rechtbank vat het beroep van eiser op als een beroep op het vertrouwensbeginsel en is van oordeel dat dit beroep slaagt.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder aan deze in 1987 gegeven garantie geen expliciete overweging heeft gewijd. Enkel in genoemde nota heeft verweerder zich uitgelaten omtrent deze garantie in die zin dat in het midden wordt gelaten of de mededelingen over de garanties de status hebben van toezegging met de -algemene- vermelding dat de negatieve gevolgen van een wetswijziging niet per definitie door de vroegere werkgever gecompenseerd dienen te worden.

In het advies van de bezwarencommissie, welk onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, is overwogen dat verweerder niet tot een dergelijke regeling verplicht is en zodoende zelf de invulling en uitvoering ervan kan bepalen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheid geen afbreuk doet aan het feit dat eiser in een eerder stadium is toegezegd dat zijn inkomen gelijk zou blijven.

In het advies is vervolgens overwogen dat de bezwarencommissie het door verweerder gekozen uitgangspunt dat het oorspronkelijk inkomen gegarandeerd dient te blijven niet onredelijk acht. De commissie acht het zodoende evenmin onredelijk om voor de vaststelling van het feitelijk inkomen uit te gaan van de oorspronkelijke inkomenscomponenten inclusief de generieke salarisaanpassingen, en voor de vaststelling van het feitelijk inkomen van de daadwerkelijk ontvangen componenten. De rechtbank kan de commissie, en aldus verweerder, hierin niet volgen. Ook de stelling van verweerder dat de meergenoemde inkomenscomponenten er ten tijde van de ingangsdatum van de herplaatsing van eiser niet waren en om die reden buiten beschouwing worden gelaten, acht de rechtbank dan ook te kort door de bocht. Hiertoe is overwogen dat verweerder op geen enkele wijze is ingegaan op het feit dat, indien de herplaatsing zich niet had voorgedaan, eisers inkomen mede omvatte de verbeteringen in arbeidsvoorwaarden. De rechtbank acht het, gezien de aan eiser gegeven inkomenscompensatie, dan ook niet meer dan redelijk dat de eindejaarsuitkering en eenmalige uitkeringen op grond van het CAR/UWO dienen te worden meegerekend bij de vaststelling van het oorspronkelijk inkomen. Ten aanzien van de eenmalige uitkeringen merkt de rechtbank op dat, hoewel eiser eerst in beroep heeft aangevoerd dat ook deze uitkeringen dienen te worden meegeteld, verweerder in het verweerschrift noch ter zitting hierin onderscheid heeft gemaakt met de eindejaarsuitkering.

In het verweerschrift voor de hoorzitting is aangegeven dat ten principale gold en geldt dat verbeteringen in de arbeidsvoorwaarden buiten beschouwing blijven bij de berekening van de herplaatsingtoelage. Afgezien van het feit dat verweerder heeft nagelaten aan te geven waarop deze stelling is gebaseerd, valt niet zonder meer in te zien dat dit afbreuk kan doen aan de inkomensgarantie in 1987.

Gelet op de toelichting op artikel 3:6 van het CAR/UWO, waarin de eindejaarsuitkering is geregeld, wordt de eindejaarsuitkering van enig jaar gebaseerd op de vanaf januari van dat jaar opgebouwde aanspraken per maand. De rechtbank stelt vast dat eiser, indien hij niet was herplaatst, eveneens maandelijks deze aanspraken zou opbouwen en jaarlijks recht zou hebben gehad op een eindejaarsuitkering. Door eiser deze uitkering, en eenmalige uitkeringen, te onthouden in die zin dat deze niet worden meegerekend bij het omgerekend oorspronkelijk inkomen, wordt eiser financieel benadeeld ten opzichte van collega’s die in dezelfde functie werkzaam waren en zijn gebleven. Dit verhoudt zich niet met de hem in 1987 gedane toezegging en evenmin met - hoewel de rechtbank zich realiseert dat hierop door eiser geen beroep is gedaan - het gelijkheidsbeginsel.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat eiser tegen het besluit van

17 oktober 2000 geen bezwaar heeft gemaakt, het bovenstaande niet anders kan maken. Hiertoe acht de rechtbank mede van belang dat hierin weliswaar is opgenomen dat afspraken anders dan in termen van generieke salarisverhogingen buiten beschouwing blijven, echter dat het eiser niet aanstonds duidelijk had hoeven zijn dat verweerder de eindejaarsuitkering en eenmalige uitkeringen niet zou meerekenen. Daarbij komt dat eiser in eerste instantie geen kennis heeft kunnen nemen van genoemde nota waarin uitgebreider op de beargumentering van het door verweerder ingenomen standpunt wordt ingegaan. Door verweerder is overigens ook niet tegengeworpen dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen genoemd besluit.

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel om de gegeven garantie dat het inkomen hetzelfde zou blijven als ware hij blijven werken, niet volledig na te komen. Het vertrouwensbeginsel noopt er dan ook toe dat de componenten waarop eiser recht zou hebben indien hij niet was herplaatst bij het oorspronkelijk inkomen worden meegeteld. Gelet hierop kan de in het bestreden besluit gemaakte berekening van de aan eiser toekomende inkomensgarantie geen stand houden.

Het beroep is derhalve gegrond.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,-- wordt vergoed door verweerder.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. I.H.J. van Neer

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2003 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. I. van Neer w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 17 november 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.