Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AN9134

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-11-2003
Datum publicatie
01-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/333 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In beroep is door eiseres aangevoerd dat zij gedwongen was te verhuizen; er was kortgezegd sprake van een noodsituatie.

Eiseres verzoekt –zo verstaat de rechtbank – het bestreden besluit te vernietigen en over te gaan tot toekenning van bijstand om niet in de plaats van leenbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 333 NABW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[A] te Landgraaf, eiseres,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Landgraaf, gevestigd te Landgraaf, verweerder.

Datum bestreden besluit: 17 december 2002.

Kenmerk: Afd. 3.2. Ma Nr. 5169/02.

Behandeling ter zitting: 11 november 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 17 december 2002, verzonden op 10 januari 2003, heeft verweerder aan eiseres mededeling gedaan van een ten aanzien van eiseres genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw), waarbij een namens eiseres ingediend bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond is verklaard.

Bij schrijven van 5 februari 2003 heeft eiseres hiertegen ter griffie van deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuurs-recht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan eiseres gezonden.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 11 november 2003, alwaar eiseres niet is verschenen. Namens verweerder is mevrouw mr. A.M.M. Maayen verschenen.

II. OVERWEGINGEN.

Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Op 12 maart 2002 heeft eiseres zich tot verweerder gewend met een aanvraag tot toekenning van bijzondere bijstand in diverse kosten.

Bij besluit van 30 mei 2002 is aan eiseres medegedeeld – verkort weergegeven - dat aan haar een bedrag ad € 2.605, 96 in de vorm van leenbijstand aan verhuis- en inrichtingskosten wordt toegekend en dat de maandelijkse aflossing € 25,-- bedraagt.

Hiertegen is door eiseres op 22 juni 2002 bezwaar aangetekend. Eiseres heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift toe te lichten op de op 25 september 2002 gehouden hoorzitting voor de commissie voor de bezwaarschriften gemeente Landgraaf.

Het bestreden besluit.

Verweerder heeft eiseresses bezwaren – onder overname van het advies van vorengenoemde commissie - ongegrond verklaard.

Hieraan heeft verweerder, onder verwijzing naar de artikelen 7, 21,en 39 van de Abw, ten grondslag gelegd dat door de maandelijkse afbetaling de bestaanszekerheid van eiseres wordt aangetast en dat het door de Kredietbank Limburg samen met eiseres opgestelde schuldhulpsaneringsplan wordt doorkruist.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de terugbetaling van de leenbijstand wordt opgeschort totdat eiseres haar aflossingen ten behoeve van de schuldsanering bij de Kredietbank Limburg heeft voldaan, waarbij vervolgens de hoogte van het bedrag aan aflossing dient te worden bezien.

Het beroep.

In beroep is door eiseres aangevoerd dat zij gedwongen was te verhuizen; er was kortgezegd sprake van een noodsituatie.

Eiseres verzoekt –zo verstaat de rechtbank – het bestreden besluit te vernietigen en over te gaan tot toekenning van bijstand om niet in de plaats van leenbijstand.

De rechtsvraag.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten over te gaan tot leenbijstand in de plaats van bijstand om niet (onder gelijktijdige opschorting van de terugbetalingsverplichting).

De beoordeling.

Artikel 299, eerste lid, onder a, van de Faillissementswet bepaalt:

De schuldsaneringsregeling werkt ten aanzien van:

Vorderingen op de schuldenaar die ten tijde van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaan.

Eiseres is op 9 oktober 2003 onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen komen te vallen.

Dit betekent dat na ommekomst van de termijn (gedurende welke eiseres onder de werking van de Wet schuldsanering natuurlijke personen, verder: WSNP valt) de schuldenaar een nieuwe start kan maken en schuld op grond van het bepaalde in artikel 358, eerste lid, van de Faillssementswet niet langer afdwingbaar is. Er resteert een natuurlijke verbintenis; eiseres kan volstaan met een vrijwillige terugbetaling.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres in de onderhavige procedure geen belang meer heeft bij de handhaving van haar beroep nu de vordering niet opeisbaar meer is en na ommekomst van de termijn van de schuldsaneringsregeling niet meer afdwingbaar is. Met andere woorden; er bestaat geen terugbetalingsverplichting meer.

Bovendien zal een zorgvuldige toepassing van het bepaalde in artikel 21, tweede lid, van de Abw verweerder tot dezelfde slotsom moeten brengen.

Mitsdien zal eiseres niet-ontvankelijk worden verklaard in haar beroep.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. R.J.G.H. Seerden in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2003 door mr. Seerden voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Schrammen w.g. R.J.G.H. Seerden

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 26 november 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.