Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AN7729

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
03-095020-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Fraude, Omzetbelasting, BTW, Meineed

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/095020-01

Datum uitspraak: 23 oktober 2003

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum en -plaats verdachte],

wonende te [adres verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 september en 6, 8, 9 en 10 oktober 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

[B.V.]. in of omstreeks de periode van 31 juli 1999 tot en met 5 oktober 2000, in elk geval in de/het ja(a)r(en) 1999 en/of 2000 in de gemeente [G] en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over de/het aangiftetijdvak(ken)

2e kwartaal 1999 (blad 2004) en/of

3e kwartaal 1999 (blad 2274) en/of

1e kwartaal 2000 (blad 2007) en/of

2e kwartaal 2000 (blad 2008) en/of

3e kwartaal 2000 (blad 2009)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,

immers heeft die B.V. (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te [G] ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) tijdvak(ken) (telkens) een te hoog bedrag aan door haar verrichte leveringen (naar landen) binnen de EU en/of een te hoog bedrag aan voorbelasting en/of aan verschuldigde of te vorderen belasting nihil opgegeven,

zulks terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

2.

[B.V.]. in of omstreeks de/het ja(a)r(en) 1999 en/of 2000 in het arrondissement [M] en/of elders in Nederland een of meer facturen gericht aan [T], te weten

Factuurnummer 12300, gedateerd 02-04-1999 en/of

Factuurnummer 12307, gedateerd 22-04-1999 en/of

Factuurnummer 12315, gedateerd 07-05-1999 en/of

Factuurnummer 12322, gedateerd 20-05-1999 en/of

Factuurnummer 12326, gedateerd 04-06-1999 en/of

Factuurnummer 12332, gedateerd 11-06-1999 en/of

Factuurnummer 12615, gedateerd 02-10-2000 en/of

Factuurnummer 12619, gedateerd 13-10-2000 en/of

een of meer andere facturen

(blad 903 t/m 921 en 1899 t/m 1902)

-zijnde die factu(u)r(en) (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -valselijk heeft opgemaakt of heeft doen opmaken,

immers heeft [B.V.]. voornoemd (telkens) valselijk op die factu(u)r(en) vermeld of doen vermelden - zakelijk weergegeven -dat [B.V.]. aan [T] voornoemd een aantal op die factu(u)r(en) vermelde voertuigen van het merk type [NP] heeft geleverd of verkocht voor een op die factu(u)r(en) vermeld bedrag aan geld,

zulks (telkens) met het oogmerk om die factu(u)r(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het bovenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

[B.V.]. in of omstreeks de/het ja(a)r(en) 1999 en/of 2000, in het arrondissement [M] en/of elders in Nederland een of meer factu(u)r(en) gericht aan [M], te weten

Factuurnummer 15401, gedateerd 03-11-1999 en/of

Factuurnummer 15404, gedateerd 10-11-1999 en/of

Factuurnummer 15412, gedateerd 29-11-1999 en/of

Factuurnummer 15413, gedateerd 01-12-1999 en/of

Factuurnummer 15415, gedateerd 10-12-1999 en/of

Factuurnummer 15418, gedateerd 29-12-1999 en/of

een of meer andere facturen

(blad 632 t/m 649)

- zijnde die factu(u)r(en) (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -

valselijk heeft opgemaakt of heeft doen opmaken,

immers heeft [B.V.]. voornoemd (telkens) valselijk op die factu(u)r(en) vermeld of doen vermelden - zakelijk weergegeven -dat [B.V.]. aan [M]. voornoemd een aantal op die factu(u)r(en) vermelde voertuigen van het merk/type [N] heeft geleverd of verkocht voor een op die factu(u)r(en) vermeld bedrag aan geld,

zulks (telkens) met het oogmerk om die factu(u)r(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, tot de/het bovenomschreven feit(en) opdracht heeft gegeven en/of aan die verboden gedraging(en) feitelijke leiding heeft gegeven;.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De gedingstukken geven de rechtbank aanleiding ambtshalve te onderzoeken of het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in verband met de vraag of het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. Door de verdediging is bepleit de termijn te laten aanvangen op 17 januari 2001, zijnde de datum waarop verdachte openheid van zaken heeft gegeven bij de belastingdienst te [G]. De rechtbank kan zich met deze stelling verenigen. Daarvan uitgaande had de strafzaak tegen verdachte in beginsel moeten zijn afgerond met een eindvonnis in eerste instantie op 17 januari 2003. De rechtbank is van oordeel dat zulks, gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, niet mogelijk is geweest. Om die reden dient de termijn in haar ogen te worden verlengd tot 20 maart 2003, gelijk aan de einddatum van de redelijke termijn in de zaken van de medeverdachten.

Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn geschonden.

Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn houdt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang van verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, zou een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie geen passende reactie vormen.

De rechtbank vindt in de termijnoverschrijding -gelijk ook de raadsman heeft bepleit- aanleiding een lagere straf op te leggen dan de rechtbank zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd.

Ook overigens zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. Het openbaar ministerie is derhalve ontvankelijk.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

[B.V.]. in de periode van 31 juli 1999 tot en met 5 oktober 2000, in de gemeente [G] opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:

a.

aangiften voor de omzetbelasting over de aangiftetijdvakken

2e kwartaal 1999 (blad 2004) en

3e kwartaal 1999 (blad 2274)

onjuist heeft gedaan,

immers heeft die B.V. opzettelijk op de bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te [G] ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde tijdvakken een te hoog bedrag aan door haar verrichte leveringen binnen de EU en een te hoog bedrag aan voorbelasting opgegeven,

zulks terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte tezamen en in vereniging met een ander opdracht heeft gegeven en/of aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte tezamen en in vereniging met anderen feitelijke leiding heeft gegeven;

b.

aangiften voor de omzetbelasting over de aangiftetijdvakken

1e kwartaal 2000 (blad 2007) en

2e kwartaal 2000 (blad 2008) en

3e kwartaal 2000 (blad 2009)

onvolledig heeft gedaan,

immers heeft die B.V. opzettelijk aan verschuldigde of te vorderen belasting nihil opgegeven,

zulks terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten verdachte tezamen en in vereniging met een ander opdracht heeft gegeven;

2.

[B.V.]. in de jaren 1999 en 2000 in Nederland facturen gericht aan [T], te weten

factuurnummer 12300, gedateerd 02-04-1999 en

factuurnummer 12307, gedateerd 22-04-1999 en

factuurnummer 12315, gedateerd 07-05-1999 en

factuurnummer 12322, gedateerd 20-05-1999 en

factuurnummer 12326, gedateerd 04-06-1999 en

factuurnummer 12332, gedateerd 11-06-1999 en

factuurnummer 12615, gedateerd 02-10-2000 en

factuurnummer 12619, gedateerd 13-10-2000 en

andere facturen (blad 903 t/m 921 en 1899 t/m 1902)

-zijnde die facturen geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft doen opmaken,

immers heeft [B.V.]. voornoemd valselijk op die facturen doen vermelden - zakelijk weergegeven -

dat [B.V.]. aan [T] voornoemd een aantal op die facturen vermelde voertuigen van het merk/type [N] heeft geleverd voor een op die facturen vermeld bedrag aan geld,

zulks met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander tot de bovenomschreven feiten opdracht heeft gegeven en/of tezamen en in vereniging met anderen aan die verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

[B.V.]. in de jaren 1999 en 2000, in Nederland facturen gericht aan [M], te weten

factuurnummer 15401, gedateerd 03-11-1999 en

factuurnummer 15404, gedateerd 10-11-1999 en

factuurnummer 15412, gedateerd 29-11-1999 en

factuurnummer 15413, gedateerd 01-12-1999 en

factuurnummer 15415, gedateerd 10-12-1999 en

factuurnummer 15418, gedateerd 29-12-1999 en

andere facturen (blad 632 t/m 649)

- zijnde die facturen geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft doen opmaken,

immers heeft [B.V.]. voornoemd valselijk op die facturen doen vermelden - zakelijk weergegeven -

dat [B.V.]. aan [M]. voornoemd een aantal op die facturen vermelde voertuigen van het merk/type [N] heeft geleverd voor een op die facturen vermeld bedrag aan geld,

zulks met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander tot de bovenomschreven feiten opdracht heeft gegeven en tezamen en/of in vereniging met anderen aan die verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere overweging in verband met het bewijs

In verband met de bewezenverklaring overweegt de rechtbank als volgt:

Centrale vraag in verband met de beoordeling van het aan verdachte tenlastegelegde is of de (maximaal) 582 [N] - al dan niet - hebben bestaan.

De rechtbank beantwoordt deze vraag negatief. De rechtbank doet dit oordeel steunen op de in dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen, in verband waarmee de rechtbank het navolgende opmerkt.

Zowel de verdachten [S] als [U] hebben steeds verklaard dat sprake is geweest van reële auto's en transacties.

De verklaringen van [S] en [U] bevatten echter diverse tegenstrijdigheden. Zo verklaren zij - bijvoorbeeld - verschillend over het uiterlijk van de auto's, de wijze van betalen van de auto's bij de aflevering áán en dóór [T] respectievelijk [M] en over de plaats van aflevering. Daarnaast valt op dat [S] ter ondersteuning van de juistheid van zijn verklaring verwijst naar Spaanse vrachtauto's die bij de transacties met [P] betrokken zouden zijn, terwijl [U] eveneens melding maakt van deze auto's, maar die betrokkenheid juist uitdrukkelijk ontkent. Tegenstrijdigheden als deze zijn ter terechtzitting uitdrukkelijk aan de orde gesteld, zonder dat [S] en [U] terzake aannemelijke verklaringen hebben afgelegd.

Daarnaast is sprake van ongerijmdheden in de verklaringen van met name [S] in relatie tot de (overige) inhoud van het dossier. Dat is onder meer het geval waar het gaat om de - kennelijk - structureel en over lange tijd fout vermelde chassisnummers. Voorts ontbreken essentiële stukken, die de juistheid van de verklaringen van [S] en [U] zouden kunnen steunen, zoals inkoopfacturen aan de zijde van [A] en bescheiden inzake bestellingen, transporten en (transport)verzekeringen. Tenslotte hecht de rechtbank in dit verband belang aan de omstandigheid dat het onderzoek door de Spaanse autoriteiten - in het kader van een aan hen gericht rechtshulpverzoek - op geen van de onderzochte punten gegevens heeft opgeleverd die de verklaringen van [S] en [U] nadrukkelijk kunnen steunen. Ook deze onderwerpen zijn ter terechtzitting uitdrukkelijk aan de orde gesteld, zonder dat [S] en [U] terzake aannemelijke verklaringen hebben afgelegd.

De verklaringen van [S] en [U] worden gesteund door de verklaringen van enkele getuigen, die verklaren[M]rein van [M] hebben waargenomen. Gelet op de overige inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat deze verklaringen geen geloof verdienen. De rechtbank wijst in dit verband - bijvoorbeeld - op de verklaring van [K], waarin sprake is van een groene [P], terwijl op geen van de zich in het dossier bevindende facturen melding wordt gemaakt van een [P] in een groene kleur.

De verklaringen van de andere verdachten in de zaak - en met name van [D] en [P] - sloten aanvankelijk aan op de verklaringen van [S] en [U]. Nadien heeft [D] verklaard dat de auto's niet hebben bestaan; [P] heeft verklaard dat hij deze auto's nooit heeft gezien en ervan uitgaat dat zij nooit hebben bestaan.

[D] heeft daarnaast uitgebreid verklaard over de wijze waarop de auto's en de bijbehorende gegevens werden gefingeerd, hoe vervolgens bij deze gefingeerde gegevens behorende facturen en andere (onder meer op afleveringen c.q. betalingen betrekking hebbende) stukken werden vervaardigd en hoe de op de facturen vermelde omzetbelasting vervolgens werd verwerkt in de aangiftes omzetbelasting van [A] [T] en [M]. Dit alles zou hebben plaatsgevonden met de uitdrukkelijke en uitsluitende bedoeling om zonder recht aanspraak te kunnen maken op teruggaven van omzetbelasting.

De rechtbank acht deze (latere) verklaringen van [D] en [P] geloofwaardig, in elk geval voorzover zij relevant zijn in verband met de onderhavige bewezenverklaring. Zij zijn grotendeels consistent - zowel inwendig als onderling vergeleken - en vinden op veel punten steun in de zich in het dossier bevindende stukken uit de boekhoudingen van [A] [T] en [M], zoals nader beschreven en geanalyseerd in de desbetreffende processen-verbaal van de FIOD. Zij stemmen ook overeen met de verklaringen van diverse getuigen, die verklaren dat zij op of om het bedrijfsterrein van [M] nooit [P]s hebben waargenomen.

De verklaringen van [D] en [P] vinden daarnaast steun in de verklaringen van verdachte. Deze verklaringen zijn weliswaar duidelijk minder helder en consistent met betrekking tot verdachtes eigen rol, maar bevestigen wel de juistheid van de verklaringen van [D] en [P] waar het gaat om het antwoord op de centrale vraag die hier aan de orde is.

Door [S] is aangegeven dat de verklaringen van [D] en [P] ongeloofwaardig zijn, omdat zij zijn ingegeven door eigenbelang en/of omdat zij anderszins ongeloofwaardig zijn. De rechtbank kan de verdachte op dit punt niet volgen. Veeleer constateert de rechtbank dat [D] en [P], door in het nadeel van [S] en [U] te verklaren, tevens hun eigen belangen hebben geschaad. Niettemin hebben zij deze verklaringen afgelegd, in de kennelijke behoefte (zo vat de rechtbank dat althans op) om, los van de consequenties daarvan, de waarheid te zeggen.

Al het voorgaande tezamen genomen leidt de rechtbank tot het oordeel:

- dat, nu de [P]s niet hebben bestaan, zij in de jaren 1999 en 2000 geen voorwerp kunnen zijn geweest van reële transacties tussen [A] [T] en [M] enerzijds en hun respectieve afnemers anderzijds;

- dat de in de bewezenverklaring(en) genoemde facturen, uitgaa[A]] [T] en [M], waaruit zou moeten volgen dat wèl sprake is geweest van reële transacties, valselijk zijn opgemaakt;

- dat de omzetbelasting zoals vermeld op de genoemde facturen - voor zover dat is gebeurd - ten onrechte is verwerkt in de in de bewezenverklaring genoemde aangiftes omzetbelasting van [A] [T] en [M], zodat sprake is van onjuiste aangiftes.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, meermalen gepleegd, terwijl verdachte tot de feiten opdracht heeft gegeven,

en/of

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen,

strafbaar gesteld bij artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, juncto artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, terwijl verdachte tot de feiten opdracht heeft gegeven,

en/of

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste lid, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, juncto artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 2°,van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, terwijl verdachte tot de feiten opdracht heeft gegeven,

en/of

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, terwijl verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste lid, juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, juncto artikel 51, tweede lid, aanhef en onder 2°,van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het navolgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij eerst in de loop van 1999 het vermoeden kreeg dat de gang van zaken met betrekking de handel tussen [A] en [T] niet in orde was. In de ogen van de rechtbank is dit niet aannemelijk geworden. Hoewel de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat verdachte de fraude samen met de medeverdachte [S] heeft opgezet, heeft verdachte in de ogen van de rechtbank wèl vanaf het eerste begin geweten dat er sprake was van gefingeerde handel met het oogmerk ten onrechte BTW terug te vorderen. Daarbij wist verdachte tevens op welke wijze de gefingeerde handel was opgezet. De rechtbank wijst in dit verband op de achtergrond van verdachte, die reeds jarenlang in de zakenwereld verkeert en weet "wat daar te koop is". Dit beeld van verdachte is bevestigd door zijn optreden ter terechtzitting.

Voorts wijst de rechtbank erop dat verdachte in mei 2000 nog een valse belastingaangifte over het vierde kwartaal 1999 per fax heeft overgelegd aan een belastingambtenaar. Dat past in het beeld van een verdachte die bewust en volledig meewerkt om de frauduleuze opzet te laten slagen. Als ervan uit wordt gegaan dat verdachte pas in de loop van 1999 ontdekte wat er aan de hand was, is dit optreden onbegrijpelijk en - zou niettemin van deze lezing worden uitgegaan - ook bijzonder kwalijk.

De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met de omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten hebben plaatsgevonden gedurende een ruime periode, die zich uitstrekt over de jaren 1999 en 2000. Verdachte heeft - uitsluitend met het oog op persoonlijk financieel gewin - bijgedragen aan een zeer stelselmatig opgezette BTW-fraude, waardoor werd getracht om de Nederlandse staat te benadelen voor een bedrag van ruim € 2.000.000,-. Daar komt bij dat de omzetbelasting nagenoeg uitsluitend kan functioneren op basis van het vertrouwen dat de formulieren en facturen die aan de aangiften ten grondslag liggen correct zijn. Ondermijning van dit vertrouwen, zoals dat in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden, ondergraaft dit stelsel in ernstige mate.

Dat verdachte uiteindelijk naar de fiscus is gestapt en, naar eigen zeggen, openheid van zaken heeft gegeven, doet hier niet aan af. De rechtbank is van oordeel dat verdachte slechts uit eigenbelang naar de fiscus is gestapt, omdat hij inzag dat de opgezette fraudeconstructie niet lang stand zou kunnen houden en zou kunnen leiden tot persoonlijke aansprakelijkheid. Daar komt bij dat de verklaringen die verdachte heeft afgelegd met betrekking tot zijn betrokkenheid bij deze BTW-fraude inconsistent en niet helder zijn, zeker waar het betreft zijn eigen rol. Hetgeen hieromtrent door verdachte is aangevoerd met betrekking tot mogelijke strafvermindering treft dan ook geen doel.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat hij niet eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld.

Gelet op het vorenoverwogene kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich meebrengt. In verband met de hiervoor vermelde schending van verdachtes recht op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn heeft de rechtbank de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf verminderd met twee maanden.

De op te leggen straf is -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 57 en 91.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van TWINTIG MAANDEN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. W.J.J. Beurskens, voorzitter, mr. M.J.H.T. Peters en mr. R.A.J. van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 oktober 2003.