Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AN7546

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-11-2003
Datum publicatie
06-04-2004
Zaaknummer
AWB 03 / 1117 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser ontvangt reeds zeer geruime tijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Eiser heeft verweerder verzocht om verhoging van zijn dagloon met terugwerkende kracht, omdat hij al jaren volledig hulpbehoevend is en verzorging nodig heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03/1117 WAO

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -GAK Maastricht-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 25 juli 2003.

Kenmerk: 88401610.

Behandeling ter zitting: 21 oktober 2003

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het door de gemachtigde van eiser ingediende bezwaarschrift van 6 mei 2003 ongegrond verklaard.

Tegen bovengenoemd besluit heeft de gemachtigde van eiser, mr. P.H.M. Hartmans, advocate te Gulpen, bij schrijven van 30 juli 2003 beroep ingesteld.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 21 oktober 2003, alwaar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. I.A.H. Olivers-Schuwirth.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Eiser ontvangt reeds zeer geruime tijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%.

Eiser heeft verweerder op 25 maart 2003 verzocht om verhoging van zijn dagloon met terugwerkende kracht, omdat hij al jaren volledig hulpbehoevend is en verzorging nodig heeft.

Eiser voldoet blijkens de rapportage van 16 april 2003 van de verzekeringsarts Verstraelen niet aan de criteria voor toepassing van artikel 22 van de WAO. Verweerder heeft eisers aanvraag derhalve bij besluit van 28 april 2003 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiser bij schrijven van 6 mei 2003 een bezwaarschrift ingediend.

Eiser heeft afgezien van de mogelijkheid zijn bezwaren ter hoorzitting nader toe te lichten.

Bezwaarverzekeringsarts Jonker heeft in een rapportage van 14 juli 2003 het standpunt van de verzekeringsarts bevestigd.

II.2. Bij het thans bestreden besluit van 25 juli 2003 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat op grond van de beschikbare medische gegevens alsmede de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep terecht is besloten om de aanvraag af te wijzen.

II.3. Eiser stelt zich in het beroepschrift op het standpunt dat hij zeer fors is beperkt, waardoor hij voor zijn ADL activiteiten volledig is aangewezen op hulp van anderen. Het bestreden besluit kan, nu het aan een motiveringsgebrek lijdt, niet in stand blijven. Namens eiser wordt derhalve verzocht om gegrondverklaring van het beroep alsmede om verweerder op grond van artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de door hem geleden schade in de vorm van wettelijke rente.

II.4. Verweerder stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat eisers stelling dat de medische beperkingen onjuist zijn vastgesteld niet is onderbouwd met (nieuwe) medische gegevens.

II.5. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of eisers verzoek om verhoging van zijn dagloon terecht en op goede gronden is afgewezen.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Artikel 22 van de WAO bepaalt dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, indien de betrokkene in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, verkeert, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste 100/108 maal zijn dagloon of zijn vervolgdagloon wordt verhoogd.

Het LISV –de rechtsvoorganger van verweerder- heeft in het besluit Nadere regelgeving verhoging arbeidsongeschiktheidsuitkering bij hulpbehoevendheid (WAO, WAZ en WAJONG) 1999 haar beleid ter zake van een hogere uitkering ingeval van hulpbehoevendheid neergelegd. Dit besluit is op 23 januari 1998 in werking getreden. In dit beleid is een onderscheid gemaakt naar indeling in de categorieën 85% en 100%.

Ten aanzien van de categorie 100% wordt de restrictieve uitleg van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) gehanteerd en ten aanzien van de categorie 85% zijn de minder stringente voorwaarden van toepassing. In het eerste geval worden strictere eisen gesteld aan het samenstel van omstandigheden zoals in hoeverre hulp nodig is bij de essentiële dagelijks terugkerende levensverrichtingen en er oppassing noodzakelijk is (c.q. handreikingen van derden nodig zijn). Ook speelt een rol in welke mate oppassing en verzorging wordt genoten uit hoofde van een andere voorziening.

Dit beleid kan naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de ter zake relevante jurisprudentie van de CRvB, de rechterlijke toets doorstaan.

Verweerder heeft zich teneinde te bepalen in hoeverre eisers uitkering onder toepassing van artikel 22 van de WAO verhoogd dient te worden, laten adviseren door de (bezwaar)verzekeringsarts.

Uit de medische rapportages van 16 april 2003 en 14 juli 2003 blijkt dat er op 15 april 2003 een huisbezoek heeft plaatsgevonden en dat er dossierstudie is verricht.

Eiser is blijkens deze rapportages rolstoelgebonden en beschikt onder meer over een electrische rolstoel. Hij kan zich zeer beperkt met krukken binnenshuis verplaatsen. Hij woont in een volledig aangepaste woning (hoog-laag keuken, schaftlift, aangepaste douche, toilet met extra spoelwater en föhn). Eiser wordt dagelijks door een medewerker van de Groene Kruis Zorg (GKZ) geholpen bij het wassen en aankleden.

Voorts is eiser blijkens de medische rapportages zeer fors beperkt in zijn mobiliteit. Door de aanpassingen in de woning kan hij toch voor een groot deel zelfstandig functioneren. Naast de klachten van het bewegingsapparaat bestaan er geen andere chronische aandoeningen, zodat de kans op het acuut onwel worden niet verhoogd is. Eiser kan zonder problemen langere tijd alleen gelaten worden. Door de woningaanpassingen en de hulp van GKZ hoeft eiser niet in opvallende mate door zijn huisgenoten geholpen te worden. Eiser verkeert derhalve volgens die rapportages niet in een toestand waarin hij voortdurend toezicht en verzorging nodig heeft.

Ter beantwoording van de hierboven gestelde rechtsvraag overweegt de rechtbank verder het navolgende.

Blijkens enkele voorliggende gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onbetwist en/of onweersproken komen vast te staan dat eiser in de ochtend gewassen en aangekleed wordt door een medewerker van het GKZ en in de avond noodzakelijkerwijs verzorgd wordt door zijn echtgenote.

Eiser hoeft blijkens de medische rapportages door de aanpassingen in de woning niet in opvallende mate door huisgenoten geholpen te worden. Bij het innemen van dit standpunt is door de medisch adviseur er van uitgegaan dat eiser de toiletgang geheel zelfstandig kan uitvoeren, omdat hij over een aangepaste toilet beschikt.

Eiser bestrijdt dit echter ter zitting. Hij geeft aan, ondanks het aangepaste toilet, niet in staat te zijn zonder begeleiding naar het toilet te gaan, omdat hij niet in staat is zich zonder hulp weer aan te kleden.

Eisers standpunt komt de rechtbank, gelet op het feit dat sprake is van hulp bij het wassen en aankleden door een medewerker van de GKZ en het ‘s-avonds aangewezen zijn op de noodzakelijke hulp van zijn echtgenote, niet onaannemelijk voor. In de medische rapportages is aan dit punt echter geen, althans onvoldoende aandacht besteed. Enig onderzoek op dit punt had bij de beoordeling van de toiletgang naar het oordeel van de rechtbank echter wel voor de hand gelegen. Het medisch advies moet, nu dit niet is gebeurd, op dit punt dan ook voor onvoldoende toereikend gehouden worden. Het al dan niet in staat zijn zich aan- en uit te kleden en het maken van de toiletgang behoort immers tot de dagelijks terugkerende essentiële (ADL) levensverrichtingen. Juist de mate waarin bij deze verrichtingen hulp nodig is, is (mede) bepalend voor de vraag of geregelde verzorging nodig is (dan wel handreikingen van derden nodig zijn).

Op grond van het voorgaande is dan ook onvoldoende komen vast te staan of eiser al dan niet aan de criteria voor toepassing van een verhoging van de uitkering tot 85% (of 100%) voldoet. Gelet op het feit dat onvoldoende onderzoek is verricht naar alle relevante feiten en omstandigheden kan het bestreden besluit derhalve wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:9 jo 7:12, eerste lid, van de Awb geen stand kan houden en komt het voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal dan ook verweerder opdragen een nieuwe beslissing op eisers bezwaarschrift van 6 mei 2003 te nemen, met inachtneming van de inhoud van deze uitspraak.

De rechtbank ziet, gezien het vorenstaande, aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 1 punt met een waarde van € 322,00 toe voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,00 x 1 = € 644,00.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verzoek om vergoeding van de wettelijke rente het volgende. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd en dat aan verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het ligt daarom thans niet op de weg van de rechtbank om zich over mogelijke schade uit te spreken. Er staat immers nog niet vast hoe het nieuwe besluit zal gaan luiden. Verweerder zal bij het nemen van een nieuw besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen aanwezig zijn om renteschade te vergoeden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70; 8:72; 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 6 mei 2003, met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,00 wordt vergoed door verweerders Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen aan de griffier van deze rechtbank.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van mr. C.M. Bunschoten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2003

door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C.M. Bunschoten w.g. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 4 november 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.