Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AN4545

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
31-10-2003
Zaaknummer
03-008431-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld wegens (medeplegen van) verduistering van grote som geld, welke ten onrechte op haar girorekening werd gestort. Een aanzienlijk deel van het geld heeft zij gespendeerd, terwijl zij wist dit niet te kunnen terugbetalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/008431-02

Datum uitspraak: 29 oktober 2003

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -datum verdachte],

wonende te [woonplaats verdachte].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat zij in of omstreeks de periode van 18 juni 2002 tot en met 29 augustus 2002, in elk geval in het jaar 2002, in de gemeente [H], althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (telkens) een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed toebehorende aan [N en/of SP], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of haar mededader(s) anders dan door misdrijf, te weten als gebruiker van en/of als gerechtigde op het [gironummer], onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

A.

zij in de periode van 18 juni 2002 tot en met 5 augustus 2002 en in de periode van 25 tot en met 29 augustus 2002 in Nederland, meermalen, opzettelijk (telkens) een hoeveelheid geld, toebehorende aan [N], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gebruiker van en/of als gerechtigde op het [gironummer], onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

B.

zij in of omstreeks de periode van 6 augustus 2002 tot en met 24 augustus 2002 in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk (telkens) een hoeveelheid geld toebehorende aan [N], welk goed verdachte en haar mededader anders dan door misdrijf, te weten als gebruiker van en/of als gerechtigde op het [gironummer], onder zich hadden, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

T.a.v. A.:

verduistering,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht;

T.a.v. B.:

medeplegen van verduistering,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 321 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving en de mate waarin het bewezen verklaarde schade teweeg heeft gebracht.

De rechtbank laat ten nadele van de verdachte meewegen dat zij in ruim twee maanden tijd een bedrag van ongeveer € 155.309,-- heeft uitgegeven terwijl zij wist dat dit bedrag niet binnen afzienbare tijd zal kunnen worden terugbetaald.

De rechtbank heeft er ten voordele van de verdachte rekening mee gehouden dat

- verdachte nog niet eerder is veroordeeld en dat zij bereid is gebleken de

teweeggebrachte schade te vergoeden;

- de reclassering het gevaar voor herhaling niet aanwezig acht;

- verdachte de zorg heeft voor een jong kind en binnenkort zal bevallen van haar tweede kind.

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, blijkens het onderzoek ter terechtzitting toebehorend aan [naam verdachte], zullen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

De op te leggen straf is -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de 9, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [SP] zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Namens de verdachte wordt door de raadsman aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat het niet juist is dat verdachte geld heeft verduisterd dat toebehoorde aan de [SP]. Op het moment dat de verduistering plaatsvond behoorde het geld immers toe aan [N] die het geld op de verkeerde bankrekening gestort had. [N] heeft het geld dan ook teruggevorderd van verdachte middels een civiele procedure. Het zou onlogisch zijn wanneer verdachte behalve [N] het bedrag eveneens zou moeten terugbetalen aan de [SP], die naar de mening van de raadsman niet rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van de gepleegde verduistering. De raadsman stelt, dat de [SP] dan ook niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende:

In de onderhavige zaak heeft [N] diverse malen geld gestort op de postbankrekening van verdachte. Het geld was subsidie, bestemd voor de [SP]. De rechtbank heeft verdachte bij vonnis van 25 oktober 2002 veroordeeld tot betaling van € 336.808,12, vermeerderd met de wettelijke rente over € 332.705,-- vanaf 29 augustus 2002 tot aan de dag der algehele voldoening aan [N]. Deze veroordeling is gegrond op de stelling van [N] dat de gemeente onverschuldigd een bedrag van € 332.705,-- -in drie maandelijkse termijnen- overgeboekt heeft op de postbankrekening van [verdachte]. Op het moment dat de verduistering plaatsvond behoorde het geld nog niet toe aan de [SP]. Niet is komen vast te staan dat [SP] rechtstreeks schade is toegebracht door het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit, zodat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt verdachte tot het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast;

- verklaart de benadeelde partij [SP] in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [SP] in de kosten, door verdachte

ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- gelast de teruggave aan [naam verdachte] van het inbeslaggenomene, te weten:

2 2 stuks papier, diverse papieren bescheiden;

22 6 poststukken, 2xRabo, 1xSNS, 1xPostbank, 2xABNAmro;

29 2 bankbescheiden, aantal onbekend;

30 2 stuks papier, aantal onbekend, diverse persoonlijke bescheiden.

Dit vonnis is aldus gewezen door [rechters], in tegenwoordigheid van [griffier], en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 oktober 2003.