Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AM3298

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
27-10-2003
Zaaknummer
03/005392-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf opgelegd van 30 maanden voor twee overvallen en een openlijke geweldpleging op klaarlichte dag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/005392-03

Datum uitspraak: 1 oktober 2003

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

[M.] [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [A.] - Huis van Bewaring [A.] Noord De Berg te [A.].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 september 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 10 mei 2003 te [M.] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer 1200 euro), althans een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [V.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) [slachtoffer 2] in het gezicht heeft geslagen, althans zijn, verdachtes en/of zijn mededader(s), handen in het gelaat van [slachtoffer 2] heeft geduwd en/of tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld, ik wil geld" en/of vervolgens een voorwerp heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 1] en/of een kettingslot heeft/hebben getoond;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 10 mei 2003 te [M.] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (ongeveer 1200 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [V.], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) [slachtoffer 2] in het gezicht heeft geslagen, althans zijn, verdachtes en/of zijn mededader(s), handen in het gelaat van [slachtoffer 2] heeft geduwd en/of tegen die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezegd: "Geld, geld, ik wil geld" en/of vervolgens een voorwerp heeft/hebben gericht op die [slachtoffer 1] en/of een kettingslot heeft/hebben getoond;

2.

hij op of omstreeks 8 april 2003 te [M.] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, te weten [H.], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het met geschoeide voet trappen tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] en/of het een of meermalen slaan van die [slachtoffer 3], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 3] een of meermalen heeft geslagen, en welk door hem gepleegd geweld enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 3] ten gevolge heeft gehad (010301-03);

3.

hij op of omstreeks 1 maart 2003 te [M.] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (ongeveer 250 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een mes heeft/hebben getoond aan die [slachtoffer 5] en/of tegen die [slachtoffer 5] heeft/hebben gezegd: "Als je ons verraad dan vind/of steek ik jou, althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1 primair.

hij op 10 mei 2003 te [M.] tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld toebehorende aan [V.], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij [slachtoffer 2] in het gezicht heeft geslagen en tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd: "Geld, geld, ik wil geld" en zijn mededader die [slachtoffer 1] een kettingslot heeft getoond;

2.

hij op 8 april 2003 te [M.] met een ander op of aan de openbare weg, te weten [H.], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het met geschoeide voet trappen tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] en het meermalen slaan van die [slachtoffer 3], waarbij hij, verdachte, die [slachtoffer 3] meermalen heeft geslagen;

3.

hij op 1 maart 2003 te [M.] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (ongeveer 250 euro) toebehorende aan [slachtoffer 4], welke werd diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte een mes heeft getoond aan die [slachtoffer 5] en tegen die [slachtoffer 5] heeft gezegd: "Als je ons verraadt dan vind/of steek ik jou," althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

Ten aanzien van feit 1 primair:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste lid, juncto artikel 312, tweede lid aanhef en sub 2º van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van feit 2:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 141, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van feit 3:

diefstal, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 juncto artikel 312, eerste en tweede lid, aanhef en sub 2º van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met het gewelddadige karakter van het bewezenverklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is. Daarbij heeft de rechtbank gelet op de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht bij de slachtoffers, in het bijzonder bij het slachtoffer [slachtoffer 3]. De heer [slachtoffer 3] werd zonder aanleiding op klaarlichte dag geconfronteerd met openlijke geweldpleging jegens zijn persoon waarvan hij hevige pijn heeft ondervonden en gedurende geruime tijd gevoelens van angst.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte reeds eerder ter zake van diefstallen is veroordeeld.

Tenslotte heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt aan strafbare feiten, ter zake waarvan de officier van justitie heeft medegedeeld dat verdachte daarvoor niet afzonderlijk is of zal worden vervolgd, te weten:

- 060425-03 27 mei 2003, Albert Heijn Helmstraat, gemeente [M.],

diefstal van levensmiddelen bij de Albert Heijn;

- 100756-03 11 februari 2003, de Hertogsingel, gemeente [M.],

als bestuurder bromfiets rijden, terwijl alcoholgehalte adem 436-570

AAG;

- 101209-03 08 juni 2002, de Tongerseweg, gemeente [M.],

als best. bromfiets rijden, terwijl alcoholgehalte adem 235 t/m 435

UGL.

De op te leggen straf en maatregel zijn -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering van de benadeelde partij.

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [slachtoffer 3] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd. Ter terechtzitting heeft [slachtoffer 3] zijn vordering mondeling toegelicht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] door het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht ter zake van de volgende schadeposten:

- doktersnota € 62,40;

- stoomkosten jas en trui € 18,--;

- beschadigde jas, waarvan de schade door de rechtbank geschat wordt op een bedrag van € 100,--.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ten aanzien van de beschadigde jas zal voor het overige worden afgewezen, daar ter terechtzitting de gestelde schade in zoverre niet is komen vast te staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [slachtoffer 3] door het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade wordt door de rechtbank naar billijkheid vastgesteld op een bedrag van€ 1000,--.

Het resterende deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ten aanzien van de immateriële schade zal niet-ontvankelijk worden verklaard. Eventuele vervolgschade kan momenteel niet worden ingeschat.

Nu verdachte onder meer ter zake van het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer [slachtoffer 3], zijnde de hiervoor genoemde benadeelde partij, aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van DERTIG maanden;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], Dianahof 24, 6215 RB [M.], te betalen een bedrag van € 1180,40 (zegge: EENDUIZENDEENHONDERDTACHTIG euro en VEERTIG eurocent);

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige af;

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige in zijn vordering ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk is en dat hij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 3] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 1180,40 (zegge: EENDUIZENDEENHONDERDTACHTIG euro en VEERTIG eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] voormeld bedrag van € 1180,40 heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 1180,40 heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door [rechters], in tegenwoordigheid van [griffier], en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2003.