Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AL7283

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-10-2003
Datum publicatie
06-10-2003
Zaaknummer
80044 - HA ZA 02-1162
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(Nog) geen saneringsverplichting; toekomstige schade onvoldoende zeker.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2004/31 met annotatie van Bos
JBO 2005/300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Vonnis : 1 oktober 2003

Zaaknummer : 80044 / HA ZA 02-1162

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[Eiser sub 1],

en

[Eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. H.G.M.F. Rothkranz;

tegen:

[Gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. J.P.J.M. Föllings.

1. Het verloop van de procedure

[Eisers, G. c.s. ], hebben gedaagde, [T. ], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Op de eerstdienende dag hebben [Eisers] bij akte producties in het geding gebracht. [Gedaagde] heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Tenslotte hebben [Eisers] vonnis gevraagd en heeft [Gedaagde] verzocht een conclusie na comparitie te mogen nemen om producties over te leggen en deze toe te lichten. Aangezien de betreffende producties reeds bij dagvaarding waren overgelegd en de rechtbank re- en dupliek voor een goede instructie van de zaak niet noodzakelijk achtte, is de zaak na afloop van de comparitie naar de rol van 2 juli 2003 verwezen voor het wijzen van vonnis.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 In het kader van de door de overheid opgelegde "actie tankslag" heeft [Gedaagde] in 1993 een meldingsformulier ingediend bij de gemeente Vaals (hierna: de gemeente). Bij brief van 12 februari 1997 heeft de gemeente aangegeven dat op het perceel van [Gedaagde] bodemverontreiniging is geconstateerd als gevolg van een lekkage van een aan [Gedaagde] toebehorende huisbrandolietank. Na correspondentie over en weer tussen de gemeente en de gemachtigde van [Gedaagde] accepteert de gemeente bij brief van 21 oktober 1997 een IBC-variant (zijnde het isoleren, beheersen en controleren) van sanering, met dien verstande dat een erkend bedrijf de sanering uitvoert en [Gedaagde] aan de gemeente een saneringscertificaat verstrekt waaruit blijkt dat de door de gemeente genoemde saneringsmaatregelen zijn getroffen. Tot overlegging van een certificaat is het nooit gekomen.

In laatstgenoemde brief is -voor zover thans van belang- het volgende vermeld:

"Op basis van de namens de eigenaar van het perceel (…...) overgelegde gegevens (het eerder genoemde rapport van GEOCONSULT B.V.) en controle onzerzijds constateren wij het volgende. (...…) Er is sprake van ruimtegebrek en zeer slechte bereikbaarheid van de te saneren lokatie (…...) Om de verontreinigde grond integraal te verwijderen, is het noodzakelijk om een damwand naast het huis te plaatsen hetgeen niet mogelijk is. Gezien deze constateringen is derhalve het herstellen van de multifunctionaliteit van de bodem (het terug saneren naar de streefwaarde) in de huidige situatie technisch uitgesloten en wordt in de huidige situatie een kale IBC-variant, het isoleren, beheersen en controleren van de verontreinigde grond, als de meest doelmatige oplossing gezien, mits aan een aantal criteria wordt voldaan, nl. a. de verontreinigingsbron, de ondergrondse tank wordt opgeheven. Hiertoe dient de tank inwendig te worden gereinigd (…...) b. de enige verspreidingsmogelijkheid kan alleen onder invloed van infiltrerend regenwater optreden. Om dit verspreidingsrisico te beperken c.q. te voorkomen, dient de strook waaronder de tank is gelegen te worden verhard met tegels. Onder het zandbed van tegels dient een vloeistofdichte folie van voldoende sterkte te worden gelegd. Infiltrerend regenwater dient vervolgens via een drainage op de regenwaterafvoer te worden aangesloten.

Naar aanleiding van het vorenstaande verzoeken wij u bovenvermelde sanering uiterlijk voor 1 maart 1998 uit te voeren. Sanering dient door een erkend bedrijf uitgevoerd te worden. Door het bedrijf dient een saneringscertificaat aan ons college te worden overgelegd waaruit blijkt dat eerder voorgestelde saneringsmaatregelen zijn getroffen.

Wij merken uitdrukkelijk op dat indien zich in de toekomst gewijzigde omstandigheden voordoen in die zin dat er nieuwe feiten boven tafel komen welke het rechtvaardigen dat verder aanvullend onderzoek en/of sanering alsnog noodzakelijk is, ons college zich alle rechten voorbehoudt om de situatie ter plaatse opnieuw te beoordelen".

2.2 Bij brief van 1 juni 1999 bericht het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente aan [Eisers] onder meer het volgende:

"Uit de door de Fa. v. Doorn op 21 mei 1999 overgelegde bescheiden (zie bijlage) maken wij op dat de werkzaamheden/saneringsmaatregelen genoemd onder a en b (daarbij verwijzend naar de bij de onder 2.1 aangehaalde brief genoemde punten a en b, rechtbank) inmiddels naar behoren zijn uitgevoerd. Wij kunnen derhalve met de door de Fa. v. Doorn en de Fa. Verol onder begeleiding van Milieukundig Adviesbureau Geoconsult uitgevoerde sanering instemmen".

2.3 [Eisers] hebben, nadat een bezichting van het hierna te melden onroerend goed heeft plaatsgevonden waarbij ook [Gedaagde] aanwezig was, alsmede nadat onderhandelingen hebben plaatsgevonden over de voorwaarden waaronder tot (ver)koop zou worden overgegaan, op 14 april 1999 te Heerlen met [Gedaagde] een koopovereenkomst gesloten terzake diens woning met tuin te [adres]

In artikel 5 van de koopovereenkomst is onder meer bepaald:

"1. De feitelijke levering (aflevering) van het verkochte aan koper zal geschieden in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt (...…)

2. Het registergoed zal bij de feitelijke levering de eigenschappen bezitten die voor het gebruik als in lid 6 van dit artikel omschreven, nodig zijn. Aan koper kenbare gebreken die daaraan in de weg zouden kunnen staan, komen voor diens risico".

In artikel 10 van de koopovereenkomst is onder meer bepaald:

"Verkoper garandeert (...…) het navolgende: (...…)

b. voor zover aan verkoper bekend zijn er geen feiten die er op wijzen dat het verkochte enige verontreiniging bevat die ten nadele strekt van het in artikel 5 lid 6 omschreven gebruik door koper of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot sanering van het registergoed, dan wel tot het nemen van andere maatregelen;

c. voor zover aan koper bekend is in het verkochte een ondergrondse tank voor het opslaan van vloeistoffen aanwezig. Het opslaan van deze vloeistoffen is beëindigd en van deze beëindiging is kennis gegeven aan het bevoegd gezag. De tank is geleegd en schoongemaakt overeenkomstig de geldende voorschriften".

In de notariële leveringsakte van 17 mei 1999 is in artikel 6 -voor zover thans van belang- het volgende bepaald:

"1. In het verkochte is een ondergrondse tank voor het opslaan van vloeistoffen aanwezig. Het opslaan van deze vloeistoffen is beëindigd en van deze beëindiging is kennis gegeven aan het bevoegd gezag. De tank is geleegd en schoongemaakt. Ten bewijzen van deze sanering is het betreffende certificaat door verkoper aan koper afgegeven.

2. Aan verkoper is niet bekend, dat het verkochte enige verontreiniging bevat, die ten nadele strekt van het hiervoren omschreven gebruik door koper of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot schoning van het verkochte, danwel tot het nemen van andere maatregelen, zulks overeenkomstig de huidige maatstaven, zoals vastgelegd in de vigerende wettelijke bepalingen en verordeningen".

2.4 [Eisers] stellen -samengevat en voor zover thans van belang- het volgende:

Na het sluiten van de koopovereenkomst en het passeren van de transportakte bleek dat er sprake was van bodemverontreiniging. [Gedaagde] wist ten tijde van het sluiten van de voorlopige koopovereenkomst dat niet was voldaan aan de verplichting tot sanering alsmede aan de eis van de gemeente dat een certificaat moest worden overgelegd. [Gedaagde] is met [Eisers] overeengekomen dat bij de notariële levering het certificaat zou worden overgelegd waaruit zou blijken dat de ondergrondse tank gesaneerd was, terwijl [Gedaagde] wist dat hij geen certificaat had en ook nimmer zou kunnen overleggen, omdat hij daarvoor geen offerte had gevraagd c.q. geen tot afgifte van een (KIWA-)certificaat bevoegd bedrijf had ingeschakeld c.q. had moeten weten dat hij een erkend bedrijf had moeten inschakelen. [Gedaagde] heeft verklaard dat hij het certificaat alsnog zou overleggen, doch dit is tot op heden, ondanks ingebrekestelling, niet gebeurd.

Door voormelde gang van zaken en door geen melding te maken van de bestaande bodemverontreiniging heeft [Gedaagde] [Eisers] bewust onjuist ingelicht althans onvoldoende ingelicht. Doordat [Gedaagde] niets heeft medegedeeld over bodemverontreiniging konden [Eisers] ook niet weten dat sprake was van een IBC-sanering, inhoudende dat de bodemverontreiniging ter plaatse aanwezig blijft, zodat [Eisers] in de toekomst door strengere wetgeving alsnog kunnen worden gedwongen tot verwijdering van de bodemverontreiniging.

De koper van een woning mag verwachten dat de daarbij behorende grond niet verontreinigd is, althans niet zodanig verontreinigd dat het gekochte niet meer voor een woning is geschikt.

[Eisers] zouden met wetenschap van de bodemverontreiniging de voorlopige koopovereenkomst nooit hebben gesloten onder de overeengekomen voorwaarden en zouden nooit tot het sluiten van de daarop voortbouwende notariële akte zijn overgegaan. Laatstgenoemden hebben daardoor schade geleden.

2.5 [Eisers] stellen zich primair op het standpunt dat [Gedaagde] aan hen dient te vergoeden:

a) de kosten van sanering, door Keulen B.V. geraamd op € 22.008,34;

b) de meerkosten van sanering, door Keulen B.V. geraamd op € 13.613,41;

c) de kosten van begeleiding van de sanering, door Geoconsult Milieutechniek B.V. geraamd op € 1.964,87,

en voorts dat [Gedaagde] alsnog dient te zorgen voor verstrekking van een wettelijk certificaat als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de notariële akte binnen vier weken na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 226,89 per dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde] hiermee nalatig blijft tot een bedrag van € 11.344,51.

Subsidiair stellen [Eisers] zich op het standpunt dat [Gedaagde] aan hen dient te vergoeden een bedrag van € 4.537,80 wegens verminderde bruikbaarheid van de grond.

2.6 [Eisers] hebben op grond van het vorenstaande gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: [Gedaagde] veroordeelt om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan [Eisers] te betalen een bedrag van € 37.586,62 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding althans vanaf de datum conclusie van eis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede [Gedaagde] veroordeelt tot het verstrekken aan [Eisers] van een certificaat als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de notariële akte binnen vier weken na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een boete ter grootte van € 226,89 per dag of gedeelte van een dag dat [Gedaagde] hiermee nalatig blijft, tot een bedrag ter grootte

van € 11.344,51;

2. subsidiair: [Gedaagde] veroordeelt om binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan [Eisers] te betalen een bedrag van € 4.537,80, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

alsmede [Gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding.

2.7 De vordering wordt door [Gedaagde] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en het proces-verbaal van comparitie.

3. De beoordeling

3.1 Wanprestatie zijdens [Gedaagde] vormt de grondslag voor de door [Eisers] ingestelde vordering tot vergoeding van de nog te maken saneringskosten.

Daargelaten de vraag of er sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [Gedaagde] jegens [Eisers], dient de vordering van [Eisers] naar het oordeel van de rechtbank hoe dan ook te worden afgewezen, nu, hoewel [Eisers] stellen schade te hebben geleden, zij naar het oordeel van de rechtbank tot dusverre niet de schade hebben geleden waarvan zij in onderhavige procedure vergoeding vorderen. Sanering van de grond als geraamd door Keulen B.V. heeft immers nog niet plaatsgevonden. Bovendien is onduidelijk of er ooit (op de door Keulen B.V. vermelde wijze) gesaneerd zal dan wel behoeft te worden, nu daar in ieder geval van de zijde van de gemeente vooralsnog geen verplichting toe bestaat. De gemeente heeft immers zelf verklaard genoegen te nemen met de sanering zoals die door [Gedaagde] is uitgevoerd, tenzij zich in de toekomst omstandigheden voordoen in die zin dat nieuwe feiten boven tafel komen welke het rechtvaardigen dat verder aanvullend onderzoek en/of sanering noodzakelijk is. Feiten of omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat (in de toekomst) volledig gesaneerd dient te worden zijn echter gesteld noch gebleken.

Ook voor zover de rechtbank de vordering tot schadevergoeding zijdens [Eisers] zou dienen te beschouwen als een toekomstige vordering, dient de vordering te worden afgewezen, nu, op grond van hetgeen hiervoor reeds is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank het intreden van de door [Eisers] geraamde schade (de door Keulen B.V. berekende saneringskosten) onvoldoende zeker is.

3.2 Daarnaast stellen [Eisers] zich op het standpunt dat, zo begrijpt de rechtbank, [Gedaagde] wanprestatie heeft gepleegd door geen certificaat aan hen te verstrekken, hoewel in de notariële transportakte in artikel 6 is bepaald: "De tank is geleegd en schoongemaakt. Ten bewijzen van deze sanering is het betreffende certificaat door verkoper aan koper afgegeven".

Vast staat dat van de IBC-sanering door het bedrijf dat de sanering heeft uitgevoerd geen (KIWA-)certificaat aan [Gedaagde] is verstrekt. [Gedaagde] kan niet verstrekken wat hij niet in zijn bezit heeft. Nu bovendien [Eisers] in het bezit zijn van de verklaring van de gemeente, inhoudende dat de gemeente met de door [Gedaagde] uitgevoerde IBC-variant van saneren kan instemmen, dient de vordering van [Eisers] tot het verstrekken van een certificaat als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de notariële akte, te worden afgewezen.

3.3 Ook de subsidiaire vordering tot betaling van een bedrag van € 4.537,80 dient te worden afgewezen.

[Eisers] stellen dat zij bedoeld bedrag vorderen wegens verminderde bruikbaarheid van de grond. Ter comparitie heeft eiseres sub 2 [eiser sub 2]) gesteld dat zij rozen wilde planten op de plaats waar nu de folie ligt ten gevolge van de IBC-sanering. Vanwege de folie is het volgens [eiser sub 2] niet meer mogelijk op de door haar gewenste plaats rozen te planten.

Uit voorgaande stellingen van [eiser sub 2] begrijpt de rechtbank dat [eiser sub 2] zich op het standpunt stelt dat zij door de wanprestatie van [Gedaagde] genot derft, aangezien de rozen niet geplant kunnen worden op de door haar gewenste plaats en zij daardoor ook niet van de rozen (op die plaats) kan genieten. De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 6:106 BW (immateriële schadevergoeding) geen aanknopingspunt geeft om gederfd genot als het onderhavige te vergoeden.

Ook indien en voor zover de vordering niet dient te worden begrepen als een vordering tot immateriële schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, aangezien [Eisers] het gevorderde bedrag van € 4.537,80 wegens verminderde bruikbaarheid van de grond, niet hebben gespecificeerd, alsmede niet hebben aangegeven hoe dit bedrag is opgebouwd en waarom het voor vergoeding in aanmerking zou komen.

3.4 Al het vorenstaande brengt met zich dat de vorderingen van [Eisers] dienen te worden afgewezen en dat [Eisers], als de in het ongelijk gestelde partij, de kosten van het geding aan de zijde van [Gedaagde] gevallen dienen te dragen.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [Eisers] in de kosten van het geding aan de zijde van [Gedaagde] gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 715,- aan vast recht en € 998,- voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Kerpel-van de Poel, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.