Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI6107

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
05-09-2003
Zaaknummer
77006 - HA ZA 02-737
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersaansprakelijkheid. Aanrijding tussen snorfiets en voetganger. Overmacht in de zin van artikel 185 WVW aan zijde van de bestuurder van de snorfiets? Afweging van de fout van de voetganger en de aan de bestuurder van de snorfiets toe te rekenen omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 6 augustus 2003

Zaaknummer : 77006 / HA ZA 02-737

De rechtbank [woonplaats], sector civiel, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[Mevrouw F.]

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. H.A.J. Stollenwerck;

tegen:

[Mevrouw M. ],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. F.G.F.M. Tripels.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres,[Eiseres], heeft [gedaagde (M.)], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Op de eerstdienende dag heeft [Eiseres] bij akte producties in het geding gebracht. [Gedaagde] heeft daarna onder het overleggen van een productie geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Op 11 september 1998 heeft er op de voor het openbaar verkeer openstaande ventweg gelegen ter linkerzijde van de Brusselsestraat te Maastricht een ongeval plaatsgevonden waarbij waren betrokken [Eiseres] als voetganger en [Gedaagde] als bestuurder van een zogenaamde snorfiets, zijnde een motorrijtuig als bedoeld in de WAM, respectievelijk 185 WVW.

[Gedaagde] reed als bestuurder van de snorfiets over het fietspad vanuit de richting rotonde Emmaplein deze ventweg op. Zowel ter linkerzijde (wit bestelbusje) als ter rechterzijde (personenauto Volkswagen Golf) van deze ventweg stonden auto's geparkeerd.

[Eiseres], die wilde oversteken, stond stil achter het witte bestelbusje op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer van [Gedaagde].

In de lezing van [Eiseres] werd zij, nadat zij zich ervan vergewist had dat zij zonder verkeershinder over kon steken, plotseling geconfronteerd met de snorfiets van [Gedaagde], die met hoge snelheid reed op die (voor [Gedaagde] de rijstrook bestemd voor het haar tegemoetkomend verkeer) rijstrook op de ventweg en [Gedaagde] reed pardoes tegen haar op.

[Eiseres] liep daardoor letsel op, onder meer bestaande uit beschadiging van een beenzenuw rechts en blijvende littekens aan beide benen.

[Eiseres] houdt [Gedaagde] uit onrechtmatige daad aansprakelijk voor de dientengevolge geleden schade, nu [Gedaagde] volgens haar niet alleen te hard reed, maar bovendien op de rijstrook voor het haar tegemoetkomend verkeer en dus, gelet op de onoverzichtelijke situatie ter plaatse met geparkeerde auto's aan weerszijden van beide stroken, veel voorzichtiger had moeten rijden.

[Eiseres] heeft op grond van het vorenstaande gevorderd:

· dat [Gedaagde] bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen de schade, die zij geleden heeft door het ongeval van 11 september 1998 in Maastricht, welke schade moet worden opgemaakt bij staat en vereffend als volgens de wet, met bijrekening van de wettelijke rente vanaf 11 september 1998 tot en met de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [Gedaagde] in de kosten van deze procedure.

De vordering wordt door [Gedaagde] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en het procesverbaal van de comparitie.

3. De beoordeling

3.1 [Gedaagde] heeft de door [Eiseres] gestelde toedracht van het ongeval ten dele betwist.

In dit verband heeft zij vooreerst - onder verwijzing naar een door haar ontworpen situatieschets alsmede door haar in geding gebrachte foto's en de foto's zoals deze zijn gehecht aan het rapport van Europreventie - de zijdens [Eiseres] omschreven situatie met betrekking tot de ventweg ter plekke van het ongeval betwist. [Eiseres] stelde dat de ventweg ter plekke werd gescheiden door een onderbroken witte streep en alszodanig werd gescheiden in twee rijstroken. Uit de ten processe voorhanden foto's blijkt echter dat - zoals [Gedaagde] stelt - dat inderdaad niet het geval is, hetgeen overigens ter comparitie door of namens [Eiseres] met zoveel woorden is erkend. De onderbroken witte streep betreft niet de afscheiding van de rijbanen doch de afscheiding van de parkeerstrook ter rechterzijde (bezien vanuit de rijrichting van [Gedaagde]) van de betreffende ventweg met het overige gedeelte van de weg.

3.2 Verder betwist [Gedaagde] dat zij te hard heeft gereden. Volgens haar was haar snelheid wat sneller dan stapvoets doch beslist niet harder dan 10 km per uur.

De toedracht van het ongeval wordt vervolgens door haar als volgt omschreven. Op de ventweg heeft zij eerst de voor haar links langs de stoeprand geparkeerde witte bestelbus aan de rechterzijde gepasseerd. Vanwege de op de parkeerstrook staande Volkswagen Golf was de ruimte voor haar beperkt. Plotseling rende [Eiseres] zonder hierbij naar rechts te kijken direct achter deze bestelbus vandaan, gaande in de richting van het bushokje. [Eiseres] is feitelijk tegen haar snorfiets aangerend, aldus [Gedaagde]. Krachtig remmen kon de botsing niet meer voorkomen, want de botsing was meteen een feit. Volgens [Gedaagde] kwam [Eiseres] uit het niets ineens de weg oprennen, terwijl [Eiseres] vóór het ongeval aan het zicht van haar - [Gedaagde] - was onttrokken omdat [Eiseres] zich pal achter de witte bestelbus ophield.

Voorts betwist [Gedaagde] [Eiseres]s stelling als zou zij niet voldoende rechts hebben gereden. [Gedaagde] stelt zoveel mogelijk rechts van de ventweg te hebben gereden, hetgeen ook niet anders kon omdat ter linkerzijde het bestelbusje geparkeerd stond.

3.2 Gelet op het bovenstaande stelt [Gedaagde] zich dan ook op het standpunt dat er sprake is van overmacht, nu zij niet te hard reed, haar verkeersgedrag voldoende had aangepast en niet hoefde te verwachten dat een volwassene plotsklaps, zonder op het verkeer komende uit haar - [Gedaagde]s- richting te letten, direct vanachter het bestelbusje de ventweg zou oprennen. Op een dergelijk handelen hoefde zij niet bedacht te zijn.

3.3 Ter comparitie heeft [Eiseres] betwist dat [Gedaagde] slechts 10 km per uur zou hebben gereden en dat zij - [Eiseres]- de straat oprende. Volgens haar had de aanrijding niet plaats gevonden indien [Gedaagde] meer naar rechts hadden gereden. [Eiseres] betwist dan ook dat [Gedaagde] een beroep op overmacht toekomt.

3.4 Centraal in het debat tussen partijen staat derhalve de vraag of [Gedaagde] zich ter bevrijding van haar aansprakelijkheid als bestuurder/eigenaar van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 185 WVW een beroep op overmacht toekomt.

Daarbij dient voorop te staan dat het beroep op overmacht slechts kan slagen indien aannemelijk is dat de bestuurder rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, waarbij de fouten van de andere weggebruikers- daaronder begrepen het slachtoffer - alleen van belang zijn indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden.

3.5 Bij de beoordeling van de vraag of er al dan niet sprake is van overmacht baseert de rechtbank zich voor wat betreft de ongevallocatie op de door [Eiseres] bij akte overgelegde polaroidfoto van de ongevallocatie vanuit de rijrichting van [Gedaagde] alsmede op de bij het rapport van Europreventie & Expertise BV d.d. 13 oktober 1999 behorende fotoreportage, met name de foto's 8 en 9.

Op grond van de in dit verband eensluidende stellingen van partijen staat vast dat ter linkerzijde (gezien vanuit de rijrichting van [Gedaagde]) van de ventweg langs de stoeprand een wit bestelbusje geparkeerd stond en ter rechterzijde een personenauto (volkswagen Golf).

Zulks impliceert dat - mede gelet op de uit voornoemde foto's blijkende beperkte breedte van die ventweg - de ruimte om tussen die geparkeerde auto's door te manoeuvreren voor [Gedaagde] zeer beperkt was.

Daarbij komt dat voor [Gedaagde] duidelijk zichtbaar was dat zich (bezien vanuit haar rijrichting) ter rechterzijde van de ventweg een bushalte bevond, waardoor de kans op onverhoeds en op het laatste moment overstekende voetgangers in potentie groter was en anticipatie daarop derhalve van [Gedaagde] geëist mocht worden.

Onder die omstandigheden diende [Gedaagde] als bestuurder van een motorrijtuig bij het bepalen van haar verkeersgedrag en met name bij het bepalen van haar rijsnelheid rekening te houden met mogelijke onverwachte gedragingen van weggebruikers die vanachter een geparkeerde auto de weg zouden kunnen oversteken.

Te meer nu de ter linkerzijde van de ventweg geparkeerde auto een bestelbusje betrof, waardoor het overzicht voor [Gedaagde] nog extra beperkt werd, nu immers een feit van algemene bekendheid is dat een bestelbus hoger is dan een personenauto en derhalve niet zichtbaar is of er zich achter die auto mogelijk voetgangers bevinden die van plan zijn om over te steken.

3.6 [Gedaagde] diende haar rijgedrag op bovenstaande omstandigheden af te stemmen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank met zich bracht dat [Gedaagde] bij het manoeuvreren tussen de geparkeerde auto's, gelet op de daarbij beperkte ruimte en onoverzichtelijkheid in bovenstaande zin, niet harder dan stapvoets diende te rijden.

Nu mede op grond van haar eigen verklaring echter vaststaat dat [Gedaagde] in ieder geval harder dan stapvoets reed en [Gedaagde] derhalve in dit opzicht een verwijt te maken valt, acht de rechtbank haar beroep op overmacht ongegrond.

3.7 Het bovenstaande laat echter onverlet dat ook [Eiseres] een verwijt te maken valt.

Immers zij had zich als volwassen weggebruiker dienen te realiseren dat zij zich, gezien de situatie ter plekke alwaar aan weerszijden van de ventweg zich geparkeerde auto's bevonden en met name aan haar zijde de (hogere) bestelbus, er nauwelijks van kon vergewissen of zij zonder verkeershinder kon oversteken. Te meer nu de breedte van de betreffende ventweg beperkt was waardoor mogelijk naderend verkeer bij het passeren van de bestelbus zeer beperkt zou zijn in het bepalen van de afstand waarmede die bus (en dus ook [Eiseres] zelf) zou kunnen worden gepasseerd en waarbij [Eiseres] zich bovendien diende te realiseren dat zij - van achter de bestelbus - voor [Gedaagde] niet zichtbaar was.

Van haar had dan ook verwacht mogen worden dat zij de ventweg op een meer overzichtelijke plaats was overgestoken, althans op een plaats waar zich aan haar kant van de ventweg geen geparkeerde auto bevond en waar zij derhalve voldoende, althans meer uitzicht had op en dientengevolge voldoende c.q. meer afstand kon houden met betrekking tot eventueel tegemoetkomend verkeer.

Ook deze omstandigheid moet geacht worden in relevante mate te hebben bijgedragen aan het ongeval.

3.8 Nu uit eerderomschreven foto's betreffende de ongevalslocatie blijkt dat de ruimte die zich tussen de geparkeerde auto's bevond niet anders dan zeer beperkt kan zijn geweest, komt de rechtbank [Eiseres]s stelling (die overigens impliciet door [Gedaagde] wordt bevestigd) dat zij, toen zij iets achter het busje vandaan kwam om naar de andere kant te kijken, prompt werd aangereden aannemelijk voor en kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven of [Eiseres] de weg rustig wilde oversteken danwel de weg oprende nu zulks voor de ongevaltoedracht van ondergeschikte betekenis is.

Tevens is op grond van het bovenstaande [Eiseres]s stelling dat [Gedaagde] op de rijstrook voor het haar tegemoetkomend verkeer zou hebben gereden achterhaald, nu - gelet op de naast de parkeerstrook beperkte overblijvende ruimte van de ventweg alsmede de ter linkerzijde (gezien vanuit de rijrichting van [Gedaagde]) geparkeerde bestelbus - [Gedaagde] nagenoeg niet anders dan (uiterst) rechts van de ventweg kan hebben gereden.

3.9 Bezien in het licht van alle omstandigheden van het geval is de rechtbank in verband met de door [Gedaagde] ingeroepen eigen schuld van [Eiseres] als bedoeld in artikel 6:101 lid 1 BW van oordeel dat de wederzijdse causale bijdrage gesteld moet worden op 50%.

Dat, zoals [Eiseres] stelt, [Gedaagde] harder dan 10 km per uur zou hebben gereden acht de rechtbank geen omstandigheid die de wederzijdse causaliteitsbijdrage danwel de ernst of de mate van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten beinvloed, nu de rechtbank gelet op alle omstandigheden aannemelijk acht dat, zo [Gedaagde] al harder dan 10 km zou hebben gereden, zij in ieder geval - gelet op met name de beperkte ruimte waarbinnen zij diende te manoeuvreren alsmede het feit dat zij vergezeld was van haar vriendin die zich per fiets verplaatste - haar snelheid had aangepast en niet veel harder dan 10 á 20 km per uur zal hebben gereden. Die snelheid heeft geen invloed op de causaliteitsafweging noch op de mate van verwijtbaarheid en noopt naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet tot een (billijkheids)correctie op deze schadeverdeling.

Het bovenstaande impliceert dat [Gedaagde] aansprakelijk is voor 50% van de schade van [Eiseres].

3.10 Hoewel door [Eiseres] aanvankelijk is gevorderd de schade op te maken bij staat en te vereffenen als volgens de wet, is vervolgens door partijen ter comparitie aangegeven dat, nu met betrekking tot de medische situatie van [Eiseres] kennelijk thans een eindtoestand is bereikt, het in bedoeling van partijen ligt de (omvang van de) schade in deze procedure mee te nemen.

De rechtbank zal [Eiseres] derhalve in de gelegenheid stellen bij akte zijn vordering te dien aanzien te wijzigen c.q. aan te passen en de (omvang van de) schade nader te concretiseren en te onderbouwen.

Zonodig kan [Gedaagde] daarop reageren bij antwoordakte.

3.11 De rechtbank zal bepalen dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

3.12 In afwachting van voormelde akte houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

4 Uitspraak

De rechtbank:

verwijst de zaak naar de rol van 1 oktober 2003 teneinde Mr. Stollenwerck in de gelegenheid te stellen bij akte zijn eis te wijzigen en zich uit te laten als in dit vonnis onder overweging 3.10 aangegeven.

bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit vonnis is gewezen door mr. Douffet-Evertz, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.