Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI6097

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-08-2003
Datum publicatie
05-09-2003
Zaaknummer
AWB 02 / 1460 WRO Z THA
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering vrijstelling ex artikel 19 WRO ten behoeve van gebruik pand als vakantiewoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02 / 1460 WRO Z THA

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te Banholt, eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Margraten, verweerder.

Datum bestreden besluit: 5 september 2002.

Kenmerk: 6178.

Behandeling ter zitting: 22 juli 2003.

I. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 september 2002 (ook op deze datum bekendgemaakt) heeft verweerder het door eiser op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen zijn besluit van 20 november 2001 ongegrond verklaard. Bij laatst-genoemd besluit heeft verweerder geweigerd een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) te verlenen ten behoeve van het gebruik van het pand [adres] te Banholt als vakantiewoning.

Eiser heeft bij schrijven gedateerd 13 september 2002, ter griffie ontvangen op 30 september 2002, beroep ingesteld tegen het besluit van 5 september 2002.

Verweerder heeft op 24 oktober 2002 een verweerschrift ingezonden; dit verweerschrift is, met de door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken, in afschrift aan eiser gezonden.

De in de loop van de procedure aan het dossier toevoegde stukken, afkomstig van verweerder, zijn eveneens in afschrift aan eiser gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 22 juli 2003, alwaar eiser in persoon is verschenen.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. mr. S.T.C. Lahaye, ambtenaar der gemeente.

II. Overwegingen

Eiser is (mede-)eigenaar van het pand [adres] te Banholt. Hij heeft zich bij schrijven van 9 februari 2001 tot verweerder gewend met het verzoek -zakelijk weergegeven- dit pand als vakantiewoning te mogen gebruiken. De aanvraag strekt feitelijk tot het legaliseren van het bestaande gebruik van het pand.

Niet in geding is dat gebruik van het pand [adres] als vakantiewoning in strijd is met de op dat pand ingevolge het ter plaatse vigerende bestemmingsplan “Kern Banholt” rustende bestemming. Verweerder heeft het verzoek van eiser dan ook opgevat als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO ten behoeve van het door eiser voorgestane gebruik.

Na aanvankelijk een positief voornemen ten aanzien van de gevraagde vrijstelling kenbaar te hebben gemaakt, heeft verweerder bij het in rubriek I genoemde (primaire) besluit van 20 november 2001 (verzonden op 23 november 2001) alsnog besloten deze vrijstelling te weigeren. Blijkens het dictum van dit besluit is deze weigering ingegeven door

"het gebrek aan voldoende parkeermogelijkheden, de te verwachten overlast (zeker in combinatie met de momenteel aanwezige vakantiewoning), de milieubelemmering alsmede (…) de dichte bebouwingsstructuur ter plaatse waardoor geconcludeerd dient te worden dat de omgeving niet geschikt is voor de door u gewenste activiteit (…)."

Uit de overwegingen van het besluit blijkt echter dat de weigering ook is gebaseerd op de omstandigheid dat het voorgestane gebruik van het pand [adres] als vakantiewoning strijdig is met (de uitgangspunten van) het toekomstig bestemmingsplan voor het gebied waarin het pand is gelegen.

Eiser heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Ter zake van dit bezwaarschrift heeft op 7 maart 2002 een hoorzitting plaatsgevonden van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaar- en Beroepschriften, een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb (verder te noemen: de commissie). Van het horen is verslagen gemaakt. De commissie heeft verweerder op 7 maart 2002 van advies gediend. Overeenkomstig (en onder verwijzing naar) dit advies heeft verweerder bij het thans bestreden besluit de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft zich ook met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. In beroep is met name aangevoerd dat eiser -gelet op hem in het verleden gedane, mondelinge toezeggingen zijdens verweerder- er op vertrouwde dat het gebruik van het pand [adres] als vakantiewoning zou worden toegestaan. Eiser stelt schade te lijden als gevolg van het niet (langer) toestaan van dit gebruik. Voorts heeft eiser in het beroepschrift gesteld dat geen sprake is van overlast als gevolg van het reeds bestaande gebruik als vakantiewoning. Ten slotte heeft eiser betoogd dat evenmin sprake kan zijn van milieubelemmeringen die de gevraagde vrijstelling in de weg zouden staan.

Bij de beoordeling van dit beroep stelt de rechtbank voorop dat bij de besluitvorming omtrent het al dan niet verlenen van een vrijstelling als hier in geding aan verweerder een ruime mate van beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt. Dit houdt in dat de -bij het bestreden besluit de facto gehandhaafde- weigering de gevraagde vrijstelling te verlenen alleen dan niet in stand kan blijven indien geoordeeld moet worden dat verweerder in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen dan wel dat het besluit anderszins in strijd is met enige rechtsregel.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het onderhavige geval niet worden geoordeeld dat verweerder niet in redelijkheid tot de litigieuze weigering is kunnen komen. Hoewel eiser kan worden nagegeven dat betwijfeld moet worden of in de gestelde milieubelemmering (de aanwezigheid van een ponyfarm in de nabijheid van het pand) een reden voor deze weigering kan worden gevonden (de weigering is naar het oordeel van de rechtbank op dit punt van een weinig draagkrachtige motivering voorzien), moet worden geoordeeld dat de overige aan de weigering ten grondslag gelegde gronden deze weigering kunnen dragen. Het door verweerder (dan wel de raad van verweerders gemeente) voorgestane planologische beleid, dat zijn weerslag zal krijgen in het toekomstige bestemmingsplan voor het betrokken gebied, acht de rechtbank niet onredelijk. Voorts heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank, gelet ook op de zich in het dossier bevindende foto’s, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat gebruik van het pand [adres] als vakantiewoning vanwege de dichte bebouwingsstructuur ter plaatse onwenselijk is en tot (meer) overlast en parkeerproblemen zal leiden.

Gelet hierop heeft verweerder bij het nemen van het bestreden besluit terecht een groter gewicht kunnen toekennen aan de belangen gemoeid met de handhaving van het vigerende en toekomstige planologische regime dan aan de (vooral financiële) belangen van eiser. De beweerdelijk van de zijde van verweerder gedane mondelinge toezeggingen omtrent de toelaatbaarheid van het gebruik van het pand [adres] als vakantiewoning -wat er verder ook zij van het (niet met bewijzen onderbouwde) bestaan van deze toezeggingen- leiden niet tot een ander oordeel, temeer nu uit de stukken blijkt dat verweerder eiser reeds bij schrijven van 26 oktober 1995 heeft medegedeeld dat gebruik als vakantiewoning niet als passende bestemming is aan te merken.

Uit het vorenstaande volgt dat moet worden geoordeeld dat hetgeen door eiser is aangevoerd niet kan leiden tot het oordeel dat het beroep gegrond moeten worden geacht. Daar ook niet is gebleken van andere feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, is de rechtbank van oordeel dat dit besluit de rechterlijke toets kan doorstaan, zodat het hiertegen gerichte beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Mitsdien wordt, mede gelet op artikel 8:70 van de Awb, beslist als volgt.

III. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, mr. J.N.F. Sleddens en mr. F.L.G. Geisel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op

12 augustus 2003 door mr. Kleijkers voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Ferwerda w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 12 augustus 2003

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.