Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI5660

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-09-2003
Datum publicatie
04-09-2003
Zaaknummer
76025 / Ha Za 02-595
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling Huwelijksgoederengemeenschap in nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 3 september 2003

Zaaknummer : 76025 / HA ZA 02-595

De rechtbank Maastricht, sector civiel, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[mevrouw B. ],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

procureur mr. H.J.M. [S. ];

tegen:

1. [P.C.],

wonende te [woonplaats],

2. [L.C.],

wonende te [woonplaats],

3. [M.C.],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

procureur mr. J.J.M. Hermans.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, [mevrouw B. ], heeft gedaagden in conventie, eisers in reconventie, [de erven C. ], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en gevorderd als in die dagvaarding vermeld. De erven [C. ] hebben daarna onder het overleggen van producties geantwoord in conventie en een eis in reconventie ingesteld. [Mevrouw B. ] heeft daarop een akte houdende wijziging van eis in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie genomen waarbij producties zijn overgelegd.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. De comparitie is aangehouden waarna door de erven [C. ] bij brief van 2 december 2002 en door [Mevrouw B. ] bij brief van 9 december 2002 nadere stukken zijn overgelegd. De comparitie is voortgezet. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, welke zich bij de stukken bevinden.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

In conventie:

2.1 [Mevrouw B. ] is op 10 juni 1993 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [de heer ] [C. ], verder te noemen [C. ]. Dit huwelijk is ontbonden door echtscheiding. In dat kader is door [Mevrouw B. ] en [C. ] een echtscheidingsconvenant opgemaakt d.d. 28 september 1998. Op 13 oktober 2001 is [C. ] overleden met achterlating als zijn erfgenamen de erven [C. ], gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

2.2 Volgens [Mevrouw B. ] heeft verdeling van de volgende activa plaatsgevonden:

1. Hooge Huys 7244244 ter waarde van f 71.977,98

2. Depotwaarde Hooge Huys ter waarde van f 24.820,45

3. Bankrekeningen Direktbank ter waarde van f 11.422,51

Roparco ter waarde van f 14.966,15

Giro ter waarde van f 3.000,--

4. waarde verzekeringsportefeuille van f 28.073,32

5. waardepapieren ter hoogte van f 96.433,60,

waarvan zowel [Mevrouw B. ] als [C. ] en nu dus de erven [C. ], recht hebben op de helft van de waarde.

Terzake de rekening van de Direktbank en de Roparco merkt zij op dat weliswaar in het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat de rekening bij de Direktbank zal worden toegescheiden aan de vrouw en de Roparco rekening zal worden toegescheiden aan de man doch partijen hebben besloten de bedragen bij helfte in de verdeling te betrekken nu het hier bedragen betreffen die in dezelfde orde van grootte liggen. Het girotegoed ziet op gelden welke zijn opgebouwd tijdens de periode dat partijen in gemeenschap waren gehuwd en waren derhalve een gezamenlijk boedelactief.

2.3 Volgens [Mevrouw B. ] dient nog verdeling plaats te vinden van de volgende activa en/of onderdelen:

6. voormalige echtelijke woning.

[Mevrouw B. ] stelt dat destijds ingevolge het convenant een onderhandse verkoopwaarde van de woning is bepaald van f 300.000,-- in verband met de verkoop van deze woning aan [H.S. ]. Aangezien die verkoop geen doorgang heeft gevonden zal thans nog verdeling van de woning moeten plaatsvinden waarbij hypothecaire verplichtingen en eventueel bijkomende directe kosten daarop in mindering moeten worden gebracht.

7. de aan de hypotheek verbonden levensverzekeringspolis van Hooge Huys Verzekeringen onder polisnummer 2739500 waarvan de waarde op 10 september 1998 f 28.061,06 bedroeg. [Mevrouw B. ] is gerechtigd tot 50% van die actuele waarde.

8. uit hoofde van de reeds geëffectueerde inboedelverdeling is zij gerechtigd tot f 1.500,-- wegens overbedeling.

9. de tijdens het huwelijk verkochte verzekeringsportefeuille. Volgens [Mevrouw B. ] hebben zij en [C. ] deze portefeuille verkocht voor f 50.000,--. Er is verder afgesproken dat betaling van deze portefeuille zou plaatsvinden tegen vestiging van een direct ingaande lijfrente op het leven van beide echtelieden. Dat partijen daarna bij echtscheidingsconvenant hebben afgesproken dat [C. ], aangezien hij op dat moment niet over de benodigde middelen beschikte, vooralsnog maandelijks dat bedrag aan lijfrente zou blijven ontvangen, doet volgens [Mevrouw B. ] niet af aan het feit dat de restwaarde, welke op 28 september 1998

f 28.073,32 bedroeg, nog moet worden meegenomen in de verdeling.

10. een restitutie inkomstenbelasting over het belastingjaar 1999 ad f 927,--, welk bedrag de Belastingdienst heeft overgemaakt op het rekeningnummer van [C. ] maar volgens echtscheidingsconvenant aan [Mevrouw B. ] toebehoort.

11. Kosten welk gepaard gingen met de crematie en uitvaart van [C. ] welke door [Mevrouw B. ] zijn betaald maar een schuld betreffen van de boedel c.q. nalatenschap aldus [Mevrouw B. ]. Het gaat hier om een bedrag van € 3.711,62.

12. [Mevrouw B. ] is volgens haar stellingen tevens gerechtigd tot 50% van enige vordering zoals die mocht worden toegewezen in een procedure met [de heer en mevrouw K. ], als verwoord in artikel 7 van het convenant.

2.4 [Mevrouw B. ] heeft op grond van het vorenstaande, na wijziging van eis, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. De erven [C. ] hoofdelijk zal veroordelen, des dat de een betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd, aan [Mevrouw B. ] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de somma van f 20.096,74 c.q. € 9.119,50, betreffende het verschil tussen de door de heer [H.S. ] becijferde deelgerechtigheid van [Mevrouw B. ] ad f 125.352,--, althans voorzover betrekking hebbende op de activa zoals die blijkens diezelfde verklaring van [S. ] in de verdeling tussen partijen zijn betrokken enerzijds en het uit dien hoofde inmiddels door de erven [C. ] betaalde bedrag ad f 105.255,26 anderzijds, vorengenoemd bedrag ad f 20.096,74 c.q. het euro-equivalent daarvan ad € 9.119,50 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening;

2. vast zal stellen tussen partijen de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarin [Mevrouw B. ] gehuwd is geweest met wijlen de heer H.M.H. [C. ], voorzover die verdeling blijkens het overzicht van de heer [S. ] nog niet heeft plaatsgevonden en wel in die mate en vorm als door [Mevrouw B. ] onder het 15e aangezien der inleidende dagvaarding nader aangegeven behoudens het onder sub d van dat "aangezien" vermelde, c.q. zal verklaren voor recht dat tot de onverdeelde boedel behoort de in het 15e aangezien der inleidende dagvaarding nader omschreven activa en verdeling dient plaats te hebben overeenkomstig de aldaar door [Mevrouw B. ] aangegeven mate van deelgerechtigheid, onder gelijktijdige bepaling, dat terzake de waarde van de voormalige echtelijke woning, staande en gelegen [adres] de verdeling van de uit de verkoop van de litigieuze onroerende zaak voortvloeiende verkoopopbrengst gelijkelijk tussen partijen dient plaats te vinden op basis van de verkoopwaarde in het economisch verkeer ten tijde van die verkoop;

3. De erven [C. ] zal veroordelen binnen uiterlijk 48 uur na betekening van een in deze te wijzen vonnis hun onverwijlde en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de door de rechtbank vast te stelen c.q. vastgestelde verdeling, daaronder begrepen het verlenen van onverwijlde en onvoorwaardelijke medewerking aan het ter verkoop in bemiddeling geven van het litigieuze pand, staande en gelegen [adres] aan een door de rechtbank nader aan te wijzen c.q. te benoemen erkende makelaar en tegen een door die makelaar nader te bepalen verkoopprijs, alsmede voor zoveel nodig de erven [C. ] zal veroordelen hun gave en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het ondertekenen van de onderhandse verkoopakte alsmede het verlijden van de notariële transportakte en wel door op eerste verzoek van [Mevrouw B. ] danwel van de met de verkoop- en eigendomsoverdracht belaste notaris, op diens kantoor te verschijnen en alle voor de verkoop- en/of eigendomsoverdracht noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten, benevens de erven [C. ] zal veroordelen hun onverwijlde en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan een verdeling bij helfte van de uit de verkoop voortvloeiende verkoopopbrengst, na aftrek van de op dit pand rustende hypothecaire lasten, makelaarscourtage en eventueel overige direct kosten, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 1.000,-- voor elke dag danwel elke keer dat de erven [C. ], des dat de een betaald hebben de ander zal zijn bevrijd, nadat 48 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis zal zijn verstreken, in gebreke blijven aan een dan wel meerdere van bovenomschreven geboden te voldoen.

4. De erven [C. ] hoofdelijk zal veroordelen, des dat de een betaald hebbende de ander zal zijn bevrijd, aan [Mevrouw B. ] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de bedragen zoals de erven [C. ] die op grond van het hierboven onder sub 2 en 3 bepaald zullen blijken aan [Mevrouw B. ] verschuldigd te zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum der inleidende dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

2.5 De vordering wordt door de erven [C. ] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in conventie en het gestelde ter comparitie na antwoord.

In reconventie:

2.6 Volgens de erven [C. ] heeft [Mevrouw B. ] belastingteruggaven verkregen over de jaren 1997 en 1998 welke nog niet volgens artikel 11 van het tussen [Mevrouw B. ] en [C. ] bestaande echtscheidingsconvenant zijn gedeeld. Verdeling daarvan dient nog plaats te vinden.

2.7 Met betrekking tot het pand aan [adres] stellen de erven [C. ] dat verdeling daarvan reeds heeft plaatsgevonden en [Mevrouw B. ] dienaangaande niets meer heeft te vorderen.

2.8 Volgens de erven [C. ] dienen beide partijen de advocaatkosten voor de helft te voldoen. Aangezien [Mevrouw B. ] niets van deze rekening heeft voldaan, hebben de erven [C. ] nog recht op de helft van dat bedrag zijnde f 1.498,59. Daarnaast heeft [Mevrouw B. ], aldus de erven [C. ] de aan [C. ] toebehorende auto, kenteken [XX-XX-XX], merk Mazda 323, afgevoerd en op 20 oktober 2001 met alle bescheiden verkocht aan een garagehouder te Urmond voor een bedrag van f 3.000,-- welk bedrag [Mevrouw B. ] zich heeft toegeëigend, aldus de erven [C. ]. Dit bedrag wensen zij tevens van [Mevrouw B. ] te ontvangen.

2.9 Voor het overige heeft verdeling volgens het echtscheidingsconvenant plaatsgevonden middels betaling aan [Mevrouw B. ] van een bedrag van f 126.291,26, aldus de erven [C. ]

2.10 De erven [C. ] hebben op grond van het vorenstaande in reconventie gevorderd dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. voor recht zal verklaren dat de opbrengst van het pand [adres] geheel en al de erven [C. ] toekomt, nu partijen reeds overeengekomen zijn dat de verkoop van het pand kan plaatsvinden via een door notariskantoor Poeth en Voncken te Stein aan te wijzen makelaar;

2. partij [Mevrouw B. ] zal veroordelen om terzake voormeld aan de erven [C. ] te voldoen de somma van f 4.498,59, oftewel € 2.041,37, te vermeerderen met de helft van de teruggaven van de Belastingen over de jaren 1997 en 1998, die partij [Mevrouw B. ] ontvangen heeft; een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 augustus 2002 over deze bedragen;

in conventie en in reconventie: partij [Mevrouw B. ] zal veroordelen in de kosten van deze procedure

2.11 De vordering in reconventie wordt door [Mevrouw B. ] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en het gestelde ter comparitie.

3. De beoordeling

3.1

Gezien de verwevenheid van de stellingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank de zaak verder als een geheel behandelen.

In conventie en in reconventie:

3.2

Alvorens de posten waarvan verdeling wordt gevorderd verder te bespreken overweegt de rechtbank het volgende ten aanzien van de begrafeniskosten.

De begrafeniskosten van [C. ] zijn geheel door [Mevrouw B. ] voldaan. Zij stelt de erven [C. ] enkele keren te hebben gemaand deze kosten te voldoen. Nadat tevens buitengerechtelijke incassokosten werden gevorderd heeft [Mevrouw B. ] de kosten voldaan.

Volgens [Mevrouw B. ] hebben de erven [C. ] herhaaldelijk aangegeven de kosten voor de begrafenis op zich te zullen nemen waarna zij toen formeel de opdracht verstrekt heeft aan de begrafenisondernemer. De erven [C. ] stellen deze kosten niet te zullen voldoen nu zij geen opdracht daartoe hebben gegeven.

Wat er verder van deze discussie ook zij, de rechtbank is van oordeel dat de kosten van de begrafenis vallen in de nalatenschap van de erven [C. ] en als zodanig ook door hen moeten worden voldaan. Deze vordering ligt aldus voor toewijzing gereed.

3.3

Partijen twisten over de vraag of volledige verdeling van de tussen [Mevrouw B. ] en [C. ] bestaand hebbende huwelijksgoederengemeenschap heeft plaatsgevonden Volgens [Mevrouw B. ] is dat niet het geval en moet nog verdeling van een groot aantal posten plaatsvinden. Volgens de erven [C. ] is - op een aantal kleine punten na - geheel gescheiden en gedeeld en hoeven alleen die paar punten nog te worden afgewerkt.

3.4

Vast staat [C. ] aan [Mevrouw B. ] een bedrag heeft voldaan van f 126.291,26. In de berekening van de erven [C. ] in de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van dit bedrag is door de erven [C. ] een bedrag van

f 21.036,07 niet opgenomen hetgeen de berekening onjuist maakt, waarop [Mevrouw B. ] terecht opmerkt dat zij nog gerechtigd is tot dat laatstgenoemde bedrag. Ter comparitie wordt door de erven [C. ], naar het oordeel van de rechtbank, genoegzaam aangetoond dat ook dit bedrag van f 21.036,07 door [Mevrouw B. ] is ontvangen waarmee de rechtbank komt tot de vaststelling als verwoord in de eerste zin van deze alinea.

Vast staat verder dat [Mevrouw B. ] en [C. ] op 28 september 1998 een echtscheidingsconvenant hebben opgemaakt om de verdeling van de tussen hen bestaand hebbende gemeenschap van goederen te regelen. Dit convenant nu, door [Mevrouw B. ] en [C. ] ondertekend, zal de rechtbank als uitgangspunt nemen bij de verdere bespreking van de zaak.

3.5

Voordat verder wordt geoordeeld wil de rechtbank nu alvast opmerken dat in artikel 7 van het convenant staat vermeld dat [C. ] en [Mevrouw B. ] ieder recht hebben op de helft van de vordering op [de heer en mevrouw K. ] welke in een procedure bij de rechtbank Maastricht onder rolnummer 42182/HA ZA 98-1142 is gevorderd.

Nu deze procedure is geëindigd zonder dat daaruit enig actief is voortgekomen en partijen, naar ook uit de stukken blijkt, verder afzien van enige vordering hieruit, zal de rechtbank dit verder buiten beschouwing laten.

3.6

Uit de overgelegde stukken blijkt volgens de rechtbank genoegzaam dat in ieder geval verdeling heeft plaatsgevonden van de beide koopsompolissen inclusief het depot, waarbij [Mevrouw B. ] deze bedragen via Van Nierop Assuradeuren heeft verkregen. Dat betekent verdeling van de volgende posten:

a. levensverzekering Hooge Huys onder nummer 7244224 ad f 71.977,28;

b. levensverzekering Hooge Huys onder nummer 7239500 ad f 28.061,06;

c. premiedepotovereenkomst Hooge Huys onder nummer 50002 ad f 24.820,45.

Deze posten worden door de erven [C. ] in de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie ook genoemd als zijnde verdeeld tussen [Mevrouw B. ] en [C. ]. Daaraan gekoppeld stellen zij dat dan ook verdeling van de echtelijke woning heeft plaatsgevonden en dat aan [Mevrouw B. ] wegens overbedeling een bedrag van f 50.000,-- is voldaan. Volgens de erven [C. ] zijn [Mevrouw B. ] en [C. ], toen de verkoop aan [S. ] geen doorgang vond, overeengekomen dat het pand aan [C. ] werd toebedeeld voor een bedrag van f 300.000,--. [C. ] is de eigenaars- en hypotheeklasten blijven voldoen en heeft [Mevrouw B. ] gesommeerd mee te werken aan toescheiding van het pand aan [C. ] waaraan deze heeft geweigerd mee te werken, aldus de erven [C. ]. Dit wordt door [Mevrouw B. ] betwist.

Deze stellingname van de erven [C. ] met betrekking tot de woning aan [adres] wordt door de rechtbank onderschreven. Dat de echtelijke woning reeds verdeeld zou zijn acht de rechtbank des te meer aannemelijk nu uit de stukken is af te leiden dat de daaraan gekoppelde levensverzekering is afgekocht en de daaraan gekoppelde depotovereenkomst is uitbetaald en tevens vanaf het moment dat [C. ] alleen in de woning verbleef de eigenaars- en hypotheeklasten, als onbetwist gesteld door de erven [C. ], door hem zijn voldaan.

Eveneens heeft verdeling plaatsgevonden van:

d. roerende goederen waarbij [Mevrouw B. ] nog aanspraak maakt op f 1.500,-- wegens overbedeling.

3.7

Dat betekent dat verder nog moet worden bekeken of de volgende posten reeds in de verdeling zijn meegenomen en zo ja, voor welk bedrag. Partijen hebben daaromtrent veelal haaks op elkaar staande standpunten naar voren gebracht.

Het gaat daarbij om de volgende posten en bedragen:

e. de restwaarde van de tijdens de huwelijksgoederengemeenschap verkochte

verzekeringsportefeuille ad f 28.073,32;

f. bankrekening Direktbank ad f 11.422,51;

g. bankrekening Roparco ad f 14.966,15;

h. inkomstenbelasting 1997 en 1998 ad respectievelijk f 2.195,-- en f 2.888,--. Volgens [Mevrouw B. ] hebben de erven

[C. ] nog haar belastingteruggave over 1999 ad f 927,-- ontvangen welke zij terugvordert;

i. advocaatkosten terzake de echtscheiding ad f 5.054,69;

j. saldo girorekening ad f 3.000,--;

k. waardepapieren ad f 96.433,32.

3.8.1

Volgens artikel 1 van het convenant is aan [C. ] toegescheiden een inkomen uit persoonlijke lijfrente ad f 548,17 per maand. Deze lijfrente was oorspronkelijk een op beider levens afgesloten lijfrente, uit te keren tot het 65e levensjaar, naar aanleiding van de verkoop van de assurantieportefeuille door beide echtelieden aan [S. ].

Deze lijfrente wordt in het convenant uitdrukkelijk aan [C. ] toegescheiden en [Mevrouw B. ] kan hierop, aldus de erven [C. ], geen aanspraak meer doen gelden.

Volgens [Mevrouw B. ] dient verdeling van het restant van de waarde van deze lijfrente nog plaats te vinden. Volgens haar stellingen ter comparitie is nader afgesproken dat [C. ] de lijfrente uit de verzekeringspolis wel mocht hebben maar dat er nog wel een verdeling moest komen.

In het convenant is een lijfrente aan [C. ] is toegescheiden. Volgens mr. Kooi, de advocaat die het echtscheidingsconvenant voor [C. ] en [Mevrouw B. ] heeft opgemaakt, is dit aan [C. ] toegescheiden als basisinkomen (productie 3 bij brief van 2 december 2002). De door [Mevrouw B. ] gestelde nadere afspraak hieromtrent wordt niet nader onderbouwd. Met name wordt niet aangegeven wanneer een nadere afspraak hieromtrent is gemaakt en evenmin de reden daarvoor. Nu zij dit heeft nagelaten acht de rechtbank een algemeen bewijsaanbod terzake een dergelijk onvoldoende duidelijk omschreven afspraak die volledig haaks staat op de inhoud van het echtscheidingsconvenant onvoldoende om tot bewijs van haar stelling dienaangaande te worden toegelaten zodat zij er van zal uitgaan dat verdeling van de restwaarde niet hoefde plaats te vinden.

3.8.2

Volgens [Mevrouw B. ] hebben zij en [C. ] wat betreft de Direktbank en de Roparco nadere afspraken gemaakt inhoudende de bedragen op beide rekeningen bij helfte te verdelen nu dit bedragen betreffen die in dezelfde orde van grootte liggen. Dit wordt door de erven [C. ] betwist

Nu deze van het convenant afwijkende afspraak door [Mevrouw B. ] onvoldoende is onderbouwd, noch daarvan specifiek bewijs wordt aangeboden, hetgeen in het licht van hetgeen [Mevrouw B. ] en [C. ] bij convenant hebben afgesproken in de rede had gelegen, is de rechtbank van oordeel dat deze nadere afspraak onvoldoende is komen vast te staan en zal zij de stelling van de erven [C. ] volgen omtrent de wijze van verdeling van deze rekeningen en de daadwerkelijk uitvoering daarvan.

Ten aanzien van de girorekening overweegt de rechtbank dat ook hiervan in het convenant geen melding wordt gemaakt en de nadere afspraak als door [Mevrouw B. ] gesteld onaannemelijk is nu door haar enkel de giro van [C. ] in de verdeling wordt meegenomen en niet - als voor de hand liggend en ook door de erven [C. ] gesteld - ook tevens haar eigen bankrekening waarop ten tijde van de opmaak van het echtscheidingsconvenant een positief saldo was te zien.

3.8.3

Ten aanzien van de belastingaanslagen zij vermeld dat de belastingaanslag over 1997 reeds voor de peildatum genoemd in het echtscheidingsconvenant op de girorekening was binnengekomen en daarmee reeds in het oordeel omtrent de girorekening als onder 3.8.2 verwoord is meegenomen.

De restitutie inkomstenbelasting/premie over het jaar 1999 van [Mevrouw B. ] ad f 927,-- is door de Ontvanger op het rekeningnummer van [C. ] gestort. [Mevrouw B. ] vordert teruggave hiervan. Nu, zoals door [Mevrouw B. ] erkend, dit bedrag reeds aan haar is gerestitueerd, zal dit bedrag verder buiten beschouwing blijven.

De belastingaanslag over 1998 ad f 2.888,-- is door [Mevrouw B. ] ontvangen en moet nog bij helfte worden verdeeld. Volgens [Mevrouw B. ] heeft zij op 24 juli 1999 een bedrag van f 1.400,-- aan [C. ] voldaan en het restant terugbetaald voor de verjaardag van [C. ]. De erven [C. ] betwisten enige betaling terzake te hebben ontvangen.

Gezien deze betwisting zal [Mevrouw B. ] worden toegelaten tot bewijs van haar stellingen als in het dictum te verwoorden.

3.8.4

Artikel 12 van het convenant tussen [Mevrouw B. ] en [C. ] bepaalt dat de advocaatkosten bij helfte door partijen worden voldaan.

Uit de stukken is gebleken dat aan advocaatkosten is voldaan door [C. ] een bedrag van f 2.997,19 (productie 4 bij brief van 2 december 2002) en door [Mevrouw B. ] een bedrag van f 2.057,50 (productie 5 bij brief van 2 december 2002). Dit betekent dat door [C. ] f 939,69 meer aan advocaatkosten is voldaan. Hiervan kunnen de erven [C. ] op grond van het convenant de helft terugvorderen van [Mevrouw B. ].

[Mevrouw B. ] stelt echter nog f 1.000,-- te hebben betaald aan mr. Kooi. Van de zijde van de erven [C. ] wordt deze betaling betwist. [Mevrouw B. ] zal dan ook worden toegelaten tot bewijs van haar stelling als in het dictum te verwoorden.

3.9

Gezien het hiervoren overwogene is de rechtbank van oordeel dat, met uitzondering van de punten waarop nog nader bewijs is toegestaan, de tussen [Mevrouw B. ] en [C. ] bestaand hebbende huwelijksgoederengemeenschap is gescheiden en gedeeld. Dat is te meer aannemelijk nu door partij [Mevrouw B. ] geen stukken zijn aangedragen waaruit blijkt dat er tot aan thans aanhangige procedure, door haar en [C. ] nog besprekingen zijn geweest om tot verdere verdeling te komen. De rechtbank mag er derhalve van uitgaan dat vrijwel direct na de ondertekening van het convenant uitvoering is gegeven aan de daarin gestelde afspraken hetgeen ook in overeenstemming is met de stukken zoals ze door partijen zijn overgelegd.

3.10

Volgens [Mevrouw B. ] hebben [C. ] en zij, om hen moverende redenen, in het convenant destijds bewust geen melding gemaakt van de aanwezigheid van waardepapieren aan toonder ten belope van een waarde van f 96.443,60. Volgens haar was er wel degelijk sprake van de aanwezigheid van waardepapieren tot dit bedrag hetgeen zij onderbouwd met enkele schriftelijke getuigenverklaringen.

De erven [C. ] betwisten dat dergelijke waardepapieren tot de door [Mevrouw B. ] gestelde waarde aanwezig waren.

De rechtbank is van oordeel dat, nu in het convenant geen melding is gemaakt van deze waardepapieren en daarin tevens is vermeld dat voor zover [Mevrouw B. ] en [C. ] bekend tot de huwelijksgoederengemeenschap geen andere dan de in het convenant genoemde activa behoren, [Mevrouw B. ] bewijs zal moeten leveren van haar stelling dat ten tijde van het uit elkaar gaan van partijen sprake was van het bestaan van waardepapieren aan toonder tot een bedrag van f 96.443,60 waarvan verdeling nog moet plaatsvinden Daartoe zal zij worden toegelaten.

3.11

Volgens de erven [C. ] heeft [Mevrouw B. ] zich een auto, merk Mazda 323, kenteken [XX-XX-XX], onrechtmatig toegeëigend en deze auto op 21 oktober 2001 voor f 3.000,-- verkocht aan een garagehouder te Urmond. Deze auto behoorde in eigendom toe aan [C. ] zodat ook het voor deze auto door [Mevrouw B. ] verkregen bedrag aan [C. ], althans de erven [C. ], toebehoort, aldus de erven [C. ].

Naar de stelling van [Mevrouw B. ] was deze auto gekocht tijdens huwelijk maar heeft zij daarin, wegens gebrek aan een rijbewijs, nooit gereden. Zij betwist dat de auto in haar bezit zou hebben gehad en dat zij de auto zou hebben verkocht.

Gezien de uitdrukkelijke betwisting van [Mevrouw B. ] zullen de erven [C. ] worden toegelaten tot het bewijs van hun stelling als in het dictum te verwoorden.

3.12

In afwachting van de bewijslevering aan de zijde van beide partijen houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

4. De uitspraak

De rechtbank:

In conventie:

laat [Mevrouw B. ] toe om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen, te bewijzen dat

a. door haar aan [C. ] is voldaan een bedrag van f 1.444,-- zijnde de helft van de belastingaanslag over 1998;

b. door haar f 1.000,-- aan mr Kooi is voldaan ter voldoening van de kosten voor het opmaken van het

echtscheidingsconvenant;

c. ten tijde van de verdeling van de tussen [C. ] en [Mevrouw B. ] bestaand hebbende huwelijksgoederengemeenschap, sprake

was van het bestaan van waardepapieren aan toonder tot een bedrag van f 96.443,60;

In reconventie:

laat de erven [C. ] toe om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen, te bewijzen dat

d. aan [C. ] toebehoorde een Mazda 323, kenteken [XX-XX-XX] welke auto door [Mevrouw B. ] voor f 3.000,-- is verkocht;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Maastricht aan het St. Annadal 1 op een datum en tijdstip als door de rechtbank zal worden bepaald, nadat [Mevrouw B. ] en de erven [C. ] bij akte hebben opgegeven of getuigen zullen worden voorgebracht, in dat geval onder opgave van het aantal en - zo mogelijk - de personalia van de getuigen;

verwijst de zaak naar de rol van 1 oktober 2003 met peremptoirstelling voor akte houdende opgave getuigen aan de zijde van beide partijen, alsmede voor akte houdende verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave aan de zijde van beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Acker, rechter en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.