Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI1613

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
29-08-2003
Zaaknummer
30268 - HA ZA 97-410
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Causaal verband tussen onzorgvuldig handelen en de gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 27 augustus 2003

Zaaknummer : 30268 / HA ZA 97-410

De rechtbank te Maastricht, Sector Civiel, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer W. ],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. G.J.F.M. Linders;

tegen:

De rechtspersoonlijkheid bezittende STICHTING GEZONDHEIDSZORG OOSTELIJK ZUID-LIMBURG,

handelende onder de naam: Ziekenhuis de Wever en Gregorius,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde,

procureur mr. J.A.M.G. Vogels.

1. Het verdere verloop van de procedure

In haar vonnis van 2 november 2000 benoemde de rechtbank professor dr. E [M.] tot deskundige. De deskundige is overleden alvorens rapport uit te brengen.

Bij vonnis van 30 augustus 2001 werd professor dr. C.J.J. Avezaat in de plaats van professor [M.] tot deskundige benoemd. Hij heeft zijn rapport uitgebracht, dit bevindt zich bij de stukken.

Eiser heeft geconcludeerd na deskundigenbericht, onder overlegging van twee producties.

Daarop heeft gedaagde een conclusie na deskundigenbericht genomen.

Ten slotte hebben partijen wederom vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is, nader, bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 In haar tussenvonnis van 25 maart 1999 heeft de rechtbank geoordeeld dat de Stichting jegens [eiser] onzorgvuldig heeft gehandeld.

Voor het onderzoek naar de vraag of er een causaal verband bestaat tussen dit onzorgvuldig handelen en de door [eiser] gestelde schade heeft de rechtbank aan de deskundige een viertal vragen ter beantwoording voorgelegd.

2.2 De deskundige beantwoord vraag 2, inhoudend of uit de medische informatie blijkt dat vóór de operatie van 28 mei 1993 de diagnose is gesteld dat [eiser] leed aan het Parsonage-Turner Syndroom ontkennend, naar de rechtbank afleidt uit de beantwoording van deze vraag gelezen in onderling verband en samenhang met het door de deskundige aan de Rechtbank gerichte schrijven van 22 juni 2002, waarin hij nader ingaat op het commentaar van zijn collega Vissers op het deskundigenbericht. Hierdoor verliezen de aan de deskundige onder 3 gestelde vragen, die uitgaan van aanwezigheid van dit syndroom, hun belang.

2.2.1.Op grond van de conclusie van de deskundige oordeelt de rechtbank dat niet aannemelijk is dat [eiser] vóór de operatie aan dit syndroom leed zodat dit verweer geen bespreking meer behoeft.

2.3 Dan is nog slechts van belang het antwoord van de deskundige op de vragen 1 en 4 .

Vraag 1 luidde: Kunt u aangeven hoe en in welke mate van waarschijnlijkheid het verloop van de klachten van [eiser] zou zijn geweest en hoe diens huidige situatie zou zijn geweest indien de door Dr. [S. ] op 28 mei 1993 uitgevoerde ingreep niet zou hebben plaats gehad ?

2.3.1 Bij de beoordeling van het antwoord op deze vragen stelt de rechtbank voorop dat zij in haar vonnis van 25 maart 1999 reeds heeft beslist dat de op 1 augustus 1996 door professor [M.] uitgebrachte rapportage partijen bindt. Voor zover professor Avezaat in het thans door hem uitgebrachte rapport uitgebrachte rapport buiten het kader van de hem voorgelegde vragen tot een ander oordeel komt dan professor [M.] destijds zal de rechtbank daaraan voorbijgaan.

2.3.2 De deskundige vermeldt allereerst dat hij, alhoewel dit voor hem zeer ongebruikelijk is, heeft besloten de patiënt niet te zien en te onderzoeken. Dit omdat, na een oproep van [eiser] voor anamnese en onderzoek, hem uit contacten met de huisarts, de behandelend anesthesioloog-pijnbestrijder en de chirurg-traumatoloog dr.Visser is gebleken dat het voor [eiser] zeer bezwaarlijk was voor een onderzoek naar Rotterdam te komen en dat een dergelijk bezoek zijn gezondheid zelfs zou kunnen schaden.

Tot dit besluit heeft bovendien bijgedragen dat voor beantwoording van de hem gestelde vragen een nader onderzoek niet strikt noodzakelijk is omdat hij zijn antwoord op deze vragen baseert op de gegevens uit de medische dossiers en de door hem van de huisarts en anesthesioloog ontvangen informatie. Hij tekent hierbij aan dat echter zodra de huidige situatie van [eiser] ter sprake komt zich de noodzaak, dan wel wenselijkheid, om [eiser] in persoon te zien zich dan wel voordoet.

2.3.3 De deskundige neemt tot uitgangspunt dat de aandoening waarvoor [eiser] door [S. ] werd behandeld bestond uit: een brachialgie op basis van compressie van de wortel C7 rechts door een combinatie van een discusprolaps en spondylose. Hij onderscheidt dan de volgende mogelijkheden met betrekking tot het natuurlijk beloop van de situatie vóór de ingreep:

a) een geleidelijke verbetering van de klachten, met of zonder conservatieve therapie, tot een voor de patiënt dragelijke situatie die de levenswijze niet, of slechts in geringe mate, beïnvloedt. Met lange tussenpozen kunnen de klachten recidiveren, waardoor het functioneren van de patiënt opnieuw belemmerd wordt, waarna weer, met of zonder therapie, een evenwichtssituatie kan optreden.

b) de nek- en armklachten hadden kunnen blijven bestaan of nog verergeren in het kader waarvan de indicatie tot operatieve behandeling zich opnieuw had opgedrongen. Deze indicatie had zich ook opgedrongen, indien de periodes van de klachten elkaar snel hadden opgevolgd. In dergelijke gevallen is voor het stellen van de operatieve indicatie maatgevend de last die de patiënt van zijn klachten en/of symptomen ondervindt, waardoor hij niet kan functioneren op een niveau dat door hem wordt gewenst.

c) een progressief beloop, waarvan de snelheid kan variëren, leidende tot min of meer ernstige uitvalsverschijnselen aan de arm, maar vooral tot een myelopathie, waardoor het functioneren zodanig ernstig wordt belemmerd dat een operatieve behandeling noodzakelijk wordt.

De deskundige tekent hierbij aan dat in deze situatie in het algemeen geldt dat de operatieve resultaten beter zijn naarmate de patiënt eerder wordt behandeld.

In het algemeen geldt bij een operatieve ingreep dat de kans op stabilisatie van de situatie het grootst is, dat er een kleinere kans is dat er een verbetering optreedt en dat de kans op voortgaande achteruitgang -ondanks de operatie- het kleinst is.

2.3.4 Vooropstellend dat hij geen op wetenschappelijke gegevens gefundeerde uitspraak kan doen over de mate van waarschijnlijkheid van het natuurlijk beloop van de klachten van eiser is de deskundige van oordeel dat in het algemeen de sub c genoemde mogelijkheid op een progressief verloop het kleinst is en dat de mogelijkheden genoemd onder sub a en sub b elkander waarschijnlijk in evenwicht houden.

Bij een benige compressie van de zenuwstructuren (wortels en ruggenmerg) - bij eiser was er een combinatie van beide factoren aanwezig- is er echter een grotere kans op een beloop zoals genoemd sub b of sub c dan bij een weke discusprolaps.

2.3.5 In de aan hem ter beschikking gestelde medische dossiers zijn volgens hem geen aanwijzingen te vinden dat de huidige situatie van eiser verklaard kan worden door de operatie aan de halswervelkolom:

- er zijn geen aanwijzingen dat de operatie niet volgens de regelen van de kunst is uitgevoerd;

- volgens het operatieverslag hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan;

- uit het postoperatieve beloop blijkt niet van complicaties;

- het recidiveren van de klachten en de uitbreiding van het klachtenpatroon deden zich voor na een min of meer klachtenvrij interval.

- het röntgenonderzoek na de operatie laat een uitgesproken goed resultaat zien van de decompressie van de wortel: de klachten kunnen uit deze foto's niet worden verklaard.

2.3.6 Naar het oordeel van de deskundige is er in dit geval geen sprake van instabiliteit, omdat er uit het dossier geen klachten of symptomen naar voren komen die op instabiliteit wijzen. Ook het radiologisch onderzoek biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt. Indien er instabiliteit door de operatie zou zijn ontstaan dan had dit eventueel op de MRI van 1994 al naar voren kunnen komen. Er dreigt dus geen gevaar voor verlamming.

Zou men het bewijs van instabiliteit willen leveren dan zou alsnog een röntgenonderzoek van de wervelkolom dienen plaats te vinden inclusief flexie- en extensiefoto's

2.3.7 Samenvattend komt de deskundige tot het oordeel dat hij de huidige klachten niet beter kan karakteriseren dan ze te duiden als behorend tot een chronisch pijnsyndroom, welk syndroom naar zijn oordeel geen onderdeel uitmaakt van het natuurlijk beloop van de oorspronkelijke aandoening te weten: een brachialgie op basis van compressie van de wortel C7 rechts door een combinatie van een discusprolaps en spondylose. Deze klachten kunnen niet worden verklaard uit de operatie aan de halswervelkolom en er zijn geen aanwijzingen dat de operatie niet volgens de regelen van de kunst is uitgevoerd.

2.4 Dan resteert nog vraag 4 welke luidde: geeft onderhavige zaak u overigens nog aanleiding tot het maken van op- of aanmerkingen.

Hier maakt de deskundige de opmerking dat hij de visie van professor [M.] die de uitgevoerde ingreep te groot achtte niet deelt.

2.4.1 De rechtbank zal aan dit oordeel voorbijgaan nu op dit punt door professor [M.] bindend tussen partijen is beslist.

2.5 De vraag die thans moet worden beantwoord is of onder de omstandigheden van dit geval de schade redelijkerwijs aan gedaagde dient te worden toegerekend.

Zowel professor [M.] als professor Avezaat wijten de huidige klachten van W. niet aan de operatie of de wijze waarop deze is uitgevoerd. Zij hebben voor deze klachten geen andere verklaring dan dat deze waarschijnlijk voortkomen uit een psychosomatische fixatie. De rechtbank aanvaard deze conclusie en maakt die tot de hare.

De vraag is dan of de Stichting terzake een verwijt treft.

2.6 In het deskundigenbericht van professor Avezaat leest de rechtbank dat niet met enige zekerheid te voorspellen was wat de gevolgen van de operatie voor [eiser] zouden zijn. Onder die omstandigheden mag van een arts in redelijkheid worden verwacht dat hij de tijd neemt om aan zijn patiënt duidelijk te maken wat de verschillende mogelijkheden zijn met de daaraan verbonden risico's opdat de patiënt een weloverwogen beslissing kan nemen over de vraag welk risico hij wil accepteren. Daarnaast mag, naar het oordeel van de rechtbank, van een arts na een ingrijpende operatie ook een redelijke mate van nazorg worden verwacht

Dat informatie op deze wijze, en een daaruit voortvloeiend overleg, achterwege is gebleven staat in deze procedure, op grond van de door de rechtbank in het tussenvonnis geoordeelde, vast.

Professor [M.] schrijft hierover als "onnodige verwarring stichten bij een argwanende patiënt, onzorgvuldige voorlichting, niet gewezen op mogelijke risico's, geen aandacht voor angsten en grote zorgen bij de heer [eiser] die daardoor totaal paranoïde wordt ..".

Professor Avezaat noteert hier: de verklaring van professor [M.] van "een door de medische wereld geluxeerde psychosomatische luxatie"sluit goed aan bij de door hem in zijn deskundigenbericht neergelegde overwegingen.

Dit alles in onderling verband en samenhang bezien brengt de rechtbank tot het oordeel dat aannemelijk dat er in deze zaak sprake was van gebrekkige informatie voor de operatie in combinatie met een zich na de operatie voordoende problematiek die postoperatief niet goed werd opgevangen.

Daarmee is de tekortkoming van gedaagde gegeven.

3 Het vorenstaande brengt mee dat de vordering zal worden toegewezen, met veroordeling van de Stichting in de kosten van de procedure, met dien verstande dat de gevorderde uitvoerbaar verklaring bij voorraad bij de gevraagde verklaring voor recht, als niet berustend op de wet, zal worden afgewezen.

3. De uitspraak

De rechtbank:

verklaart voor recht dat de Stichting aansprakelijk is voor de gevolgen van de op 28 mei 1993 uitgevoerde operatie;

veroordeelt de Stichting om aan [eiser] te voldoen alle geleden en nog te lijden schade, die schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met de wettelijke rente over de uit te keren bedragen vanaf 1 mei 1995 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure, daaronder begrepen die van de deskundige die door haar zijn voorgeschoten zodat deze ten hare laste blijven , ten belope van € 1.956,95 waarvan: griffie € 32,93, dagvaarding € 167,90 salaris € 1.756,12;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad met betrekking tot de schadestaat en de kostenveroordeling;

wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, rechter, en ter openbare zitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.