Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0919

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-07-2003
Datum publicatie
19-01-2004
Zaaknummer
AWB 02 / 573 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoogte WW-uitkering na ontslag en aansluitende andere dienstbetrekking met loonverlies bij dezelfde werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 02/573 WW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiser,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -GAK Heerlen-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 15 maart 2002.

Kenmerk: B&B 430.010.20 0144.01.022.

Behandeling ter zitting: 9 juli 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 15 maart 2002 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van eiser genomen besluit inzake de toepassing van de Werkloosheidswet (Ww), waarbij een door hem ingediend bezwaarschrift ongegrond is verklaard en het primaire besluit onverkort is gehandhaafd.

Bij schrijven van 15 april 2002 heeft eiser hiertegen beroep aangetekend.

De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan eiser gezonden.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mevr. mr. M.H.V. Slenter, gemachtigde. Verweerder heeft zich met bericht niet doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN.

Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is sedert 15 augustus 1994 in dienst bij X B.V.

Eiser heeft op 31 december 1997 zijn werkzaamheden als onderhoudstimmerman bij zijn werkgever moeten staken tengevolge van medische klachten.

Op 25 februari 1999 zijn eiser en zijn werkgever overeengekomen dat eiser met ingang van 1 maart 1999 werkzaamheden als magazijnmedewerker/algemeen medewerker gaat uitoefenen tegen een aanzienlijk lager loon dan voorheen het geval was. Voor deze werkzaamheden is eiser per 20 februari 2001 uitgevallen.

Eiser werd per 26 augustus 2001 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht en heeft vervolgens een aanvraag om werkloosheidsuitkering ingediend.

Bij besluit van 22 november 2001 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat eiser met ingang van 27 augustus 2001 recht heeft op een loongerelateerde en een vervolguitkering.

Eisers uitkering bedraagt f 87,06 bruto per dag, zijnde 70% van het loon dat eiser gemiddeld per dag verdiende. Het dagloon WW werd vastgesteld op de verdiensten als magazijnmedewerker.

Eiser heeft geen recht op een uitkering ingevolge de Toeslagenwet.

Tegen dit besluit is door eiser een bezwaarschrift ingediend. Eiser is van mening dat het WW-dagloon dient te worden vastgesteld op zijn verdiensten als onderhoudstimmerman.

Eiser heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift tijdens de op 19 februari 2002 gehouden hoorzitting nader toe te lichten, waarvan een verslag is gemaakt.

Het bestreden besluit.

In het besluit op bezwaar heeft verweerder eisers bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat – onder verwijzing naar artikel 17 van de Dagloonregels WW – genoemd artikel niet van toepassing is omdat in eisers geval geen sprake is van na ontslag opnieuw arbeid in dienstbetrekking aanvaarden. Eisers dienstbetrekking is nimmer beëindigd.

Het beroep.

In beroep is door eiser aangevoerd dat hij van oordeel is dat artikel 17 van de Dagloonregels wel van toepassing is omdat zijn oude arbeidscontract met wederzijdse goedkeuring is ontbonden bij de aanvaarding van een nieuw contract. Deze ontbinding is volgens eiser gelijk aan een ontslag.

Eiser verzoekt - naar de rechtbank begrijpt – het bestreden besluit te vernietigen.

De rechtsvraag.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat artikel 17 van de Dagloonregels in het onderhavige geval niet van toepassing is.

De beoordeling.

Artikel 17 van de Dagloonregels WW luidt:

Met afwijking voor zoveel nodig van het bepaalde in de voorgaande artikelen zijn ten aanzien van de berekening van het dagloon voor de werknemer, die na ontslag uit een dienstbetrekking hetzij onmiddellijk, hetzij binnen 12 maanden na de ingang van dat ontslag, opnieuw arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard, de volgende bepalingen van dit artikel van toepassing, tenzij het bedoelde ontslag valt binnen de in het derde lid genoemde periode van 36 maanden, welke ingevolge een eerdere toepassing van dat lid ten aanzien van de werknemer in acht moet worden genomen.

Voor toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

ontslag: iedere beëindiging van een dienstbetrekking;

primair ontslag: het in het vorige lid bedoelde ontslag;

primaire werkloosheid: de werkloosheid die in onmiddellijke aansluiting aan het primaire ontslag is ontstaan dan wel zou ontstaan, indien de werknemer niet onmiddellijk na het ontslag andere arbeid had aanvaard;

primair dagloon: het dagloon, dat voor de werknemer zou hebben gegolden, indien de primaire werkloosheid onafgebroken zou hebben voortgeduurd.

Indien het dagloon, uitsluitend berekend naar de in het eerste lid bedoelde na het primaire ontslag aanvaarde arbeid, lager zou zijn dan het primaire dagloon, wordt niettemin gedurende elke door ontslag ontstane werkloosheidsperiode, welke binnen 36 maanden na het primaire ontslag aanvangt, het dagloon vastgesteld op een bedrag, dat niet lager is dan het primaire dagloon. Indien de werknemer op de datum van het primaire ontslag 57,5 jaar of ouder is, is de in de vorige zin genoemde termijn van 36 maanden niet van toepassing.

Met betrekking tot de werknemer op wie het bepaalde in artikel 10, eerste lid van toepassing is, wordt het bepaalde in het vorige lid op deze wijze toegepast, dat eerst het dagloon en het primaire dagloon worden vastgesteld zonder toepassing van artikel 10, eerste lid. Indien het op deze wijze berekende dagloon lager is dan het op deze wijze berekende primaire dagloon, wordt het dagloon vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het primaire dagloon. Op vorenbedoeld bedrag wordt vervolgens het bepaalde in artikel 10, eerste lid toegepast.

Het in het derde lid bepaalde geldt niet, indien:

de primaire werkloosheid een verwijtbare werkloosheid is;

de werknemer bij de ingang van het primaire ontslag of gedurende de werkloosheidsperiode, waarover uitkering wordt toegekend, moet worden beschouwd als een werknemer op wie het bepaalde in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, artikel 8, artikel 12 of van artikel 14, eerste lid, van toepassing is.

[vervallen.]

De in het eerste lid genoemde termijn van 12 maanden wordt verlengd met in deze periode gelegen perioden van arbeidsongeschiktheid.

De toelichting bij bovenstaand artikel vermeldt dat met deze regeling wordt beoogd te voorkomen dat een werknemer, die binnen 12 maanden na de beëindiging van zijn dienstbetrekking werk aanvaardt tegen een lager loon, achtergesteld wordt bij diegene, die langdurig werkloos blijft.

Blijkens het tweede lid wordt onder “ontslag” verstaan: iedere beëindiging van de dienstbetrekking.

In het onderhavige geval is sprake van werkloosheid die voortvloeit uit de beëindiging van eisers arbeidsovereenkomst met zijn werkgever waarbij eiser de functie “magazijnmedewerker/algemeen medewerker” vervulde tegen een overeengekomen bedrag aan loon. Deze functie is ingegaan op 1 maart 1999.

Voorheen is eiser in hetzelfde bedrijf werkzaam geweest als timmerman. Hierbij ontving eiser maandelijks een brutosalaris dat maandelijks ongeveer f 800,-- hoger lag dan zijn loon dan magazijnmedewerker.

Weinig waarde kan naar het oordeel van de rechtbank worden gehecht aan het feit dat eiser bij dezelfde werkgever onafgebroken werkzaam is gebleven, nu in de jurisprudentie is uitgemaakt dat de toepassing van dit artikel ook mogelijk is indien onmiddellijk na het eerste ontslag opnieuw arbeid in een dienstbetrekking wordt aanvaard, dus zonder dat sprake is geweest van enige vorm van werkloosheid.

De rechtbank onderschrijft niet verweerders standpunt dat geen sprake is geweest van een ontslag cq. beëindiging van de dienstbetrekking. Aan dit oordeel legt zij ten grondslag dat eiser inhoudelijk ander werk heeft aanvaard tegen een andere looncategorie, dat hiertoe (opnieuw) een arbeidscontract door partijen is aangegaan en dat eiser zich niet meer kan beroepen op de bepalingen van het oude contract als timmerman, en tenslotte, dat eiser bij het niet aanvaarden van deze functie naar, gelet op het verhandelde ter zitting, moet worden aangenomen ontslagen zou zijn.

Het kan verder niet in overeenstemming met de strekking van de regeling worden geacht, dat deze regeling niet van toepassing zou zijn bij aanvaarding van nieuw werk bij de “oude” werkgever, terwijl bij aanvaarding van werk bij een “nieuwe” werkgever toepassing van de regeling niet ter discussie staat.

Tenslotte acht de rechtbank van belang dat bij eiser sprake is van aanvaarding van werk waaraan een onvrijwillige terugtred in functie en salaris ten grondslag heeft gelegen en bijvoorbeeld niet het feit dat eiser vrijwillig minder dagen is gaan werken.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit niet wordt gedragen door een deugdelijke motivering als vereist in artikel 7:12 van de Awb. Het besluit komt dan ook om die reden voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

Het bedrag van de verletkosten wordt vastgesteld op een netto uurloon van € 6,86. Het tijdverzuim wordt vastgesteld op 4 uren, zodat het te vergoeden bedrag wegens verletkosten € 27,44 bedraagt.

Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,-- wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 27,44 te betalen door voornoemde rechtspersoon.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2003

w.g. C. Schrammen w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 28 juli 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.