Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0918

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-07-2003
Datum publicatie
19-01-2004
Zaaknummer
AWB 02 / 1752 NABW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AS7345
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers dienden bij verweerder een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van vloerbedekking en een bankstel. Verweerder heeft aan eisers medegedeeld dat de aanvraag is afgewezen, omdat de overgelegde rekeningen van voor 1 oktober 2001 dateren en omdat het bankstel in het buitenland is aangeschaft.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AS7345.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 191

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 02/1752 NABW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A en B te C, eisers,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 15 oktober 2002.

Kenmerk: 01.21/020021-22B/WS.

Behandeling ter zitting:27 juni 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij schrijven van 18 oktober 2002 heeft verweerder aan eisers mededeling gedaan van een ten aanzien van hen genomen beslissing op bezwaar d.d. 15 oktober 2002 inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen deze beslissing is door M.B. van Loenhout, medewerker van de stichting Vluchtelingenwerk Heerlen, namens eisers op 22 november 2002 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 27 juni 2003 alwaar eisers zich hebben doen vertegenwoordigen door M.B. van Loenhout.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer W.G. Savelbergh.

II. OVERWEGINGEN.

Eisers ontvangen een bijstandsuitkering van verweerder. Op 1 november 2001 dienden eisers bij verweerder een aanvraag in voor bijzondere bijstand voor de aanschafkosten van vloerbedekking en een bankstel. De aanvraag werd op 19 november 2001 in behandeling genomen. De vloerbedekking is aangeschaft bij Kwantum (vestiging 023) op 7 september 2001 voor een prijs van ƒ643,75 (€292,12). Het bankstel is op 26 september 2001 aangeschaft bij Debetz Einkaufszentrum für Wohnbedarf GmbH te Herzogenrath, Duitsland voor de prijs van DM 2567,= (€1312,49).

Bij beslissing van 10 december 2001 heeft verweerder aan eisers medegedeeld dat de aanvraag is afgewezen, omdat de overgelegde rekeningen van voor 1 oktober 2001 dateren en omdat het bankstel in het buitenland is aangeschaft.

Tegen dit besluit is door M.B. van Loenhout namens eisers op 10 januari 2002 bezwaar aangetekend. Niet betwist wordt dat de kosten gemaakt zijn voor 1 oktober 2001. Aangevoerd wordt dat het eisers niet bekend waren met de regeling dat zij verplicht zijn om het bankstel in Nederland te kopen. Aangevoerd wordt dat beperking tot Nederlandse bedrijven onlogisch is, omdat algemeen bekend is dat men in Duitsland meer keuze heeft en ook vaak nog goedkoper uit is. Deze opmerking wordt geplaatst in het licht van het Europees recht.

Voorts wordt aangevoerd dat eisers via de oude witgoedregeling ƒ375,00 hebben ontvangen voor nieuwe vloerbedekking. Zij verzoeken op grond van de overgangsregeling ƒ325,00 te ontvangen van verweerder.

Ter hoorzitting van 8 augustus 2002 is namens eisers tevens aangevoerd dat er sprake is van strijdigheid met Europese regelgeving.

Bij de bestreden beslissing heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Aan de ongegrond verklaring ligt ten grondslag dat de aanvraag is afgewezen, omdat de overgelegde rekeningen van voor 1 oktober 2001 waren en omdat er strijd was met het territorialiteitsbeginsel.

Verweerder onderbouwt dit standpunt aldus:

· het territorialiteitsbeginsel – zoals dat in art. 7 lid 1 Abw is vervat en is uitgelegd door de Centrale Raad van Beroep – verzet zich tegen vergoeding van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die betrekking hebben op kosten die niet aan Nederland zijn verbonden;

· dat de Algemene bijstandswet als rechtsscheppende voorziening zich niet uitstrekt buiten het Nederlandse grondgebied en derhalve verweerder geen keuze- of beleidsvrijheid laat;

· dat op grond van de regeling “categoriale bijstand duurzame gebruiksgoederen” van 1 oktober 2001 (hierna: Regeling duurzame gebruiksgoederen) alleen nota’s worden geaccepteerd van bedrijven die bij de Kamer van Koophandel zijn ingeschreven;

· dat de Regeling duurzame gebruiksgoederen genoegzaam bekend is gemaakt;

· dat het niet relevant is waar goederen die in de regeling worden genoemd het goedkoopst zijn.

Eisers kunnen zich met deze beslissing niet verenigen. In beroep wordt – kort gezegd – namens hen aangevoerd dat het territorialiteitsbeginsel achterhaald is, met name in het licht van de door de Europese wetgeving gegarandeerde vrije handel. Gesteld wordt dat er sprake is van strijd met Europese wet- en regelgeving. Voorts wordt geageerd tegen de lange beslistermijn die verweerder hanteert.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daarbij spitst dit geschil zich toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om de aanvraag van eisers af te wijzen.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De volgende bepalingen en beleidsregels zijn naar het oordeel van de rechtbank relevant.

Artikel 39 lid 2 Abw

In afwijking van artikel 6, onderdeel b, kan bijzondere bijstand ook aan een persoon, behorend tot een bepaalde categorie, worden verleend, zonder dat behoeft te worden nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

Op grond van genoemd artikellid heeft verweerder categoriaal beleid ontwikkeld dat is neergelegd in de Regeling duurzame gebruiksgoederen. Dit beleid komt er kort gezegd op neer dat voor personen van 21 jaar en ouder en die reeds 5 jaar of langer een bruto inkomen op minimumloon hebben bijstand kan worden verstrekt voor een aantal met name genoemde duurzame, essentiële gebruiksgoederen, alsmede de reparatie daarvan, ter hoogte van ƒ700,00 per 12 maanden. Volgens dit beleid worden enkel nota’s geaccepteerd, die betrekking hebben op de verstrekkingsperiode en die niet ouder zijn dan 1 jaar voorafgaand aan de aanvraag en die afkomstig zijn van bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijven. Zowel vloerbedekking als een bankstel zijn in de lijst van essentiële gebruiksgoederen opgenomen.

De Regeling duurzame gebruiksgoederen heeft de “Witgoedregeling 1997” (hierna: Witgoedregeling) vervangen. Voor bankstellen en vloerbedekking werd tot 1 oktober 2001 in voorkomend geval bijzondere bijstand verstrekt op grond van art. 39 lid 1 Abw. De overgangsregeling van de Regeling duurzame gebruiksgoederen is niet van toepassing op de onderhavige zaak, nu deze alleen betrekking heeft op de Witgoedregeling.

Vast staat dat eisers behoren tot de doelgroep van de onderhavige regeling en vast staat eveneens dat vloerbedekking en een bankstel behoren tot de in de regeling door verweerder aangewezen essentiële gebruiksgoederen.

Vast staat eveneens dat de nota’s van beide duurzame goederen dateren van voor de aanvraag, namelijk van 7 respectievelijk 26 september 2001 en van voor de inwerkingtreding van de Regeling duurzame gebruiksgoederen.

Vast staat dat de vloerbedekking is aangeschaft bij een bij de Nederlandse Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf. Vast staat eveneens dat het bankstel is aangeschaft in Duitsland.

Ten aanzien van het territorialiteitsbeginsel

De rechtbank vat het beroep van eisers aldus op dat zij van mening zijn dat verweerders weigering bijstand te verlenen voor de aanschaf van het goederen in het buitenland ten onrechte gerechtvaardigd wordt met een beroep op het territorialiteitsbeginsel.

De toepassing van het territorialiteitsbeginsel spitst zich toe op de aanschaf van het bankstel bij Debetz Einkaufszentrum te Herzogenrath.

De volgende bepaling is naar het oordeel van de rechtbank relevant.

Art. 7 lid 1 Abw

Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.

Krachtens het in art. 7 lid 1 Abw neergelegde territorialiteitsbeginsel is de mogelijkheid om bijstand te verlenen gebonden aan de eis dat betrokkene hier te lande verblijft. Dit houdt op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep in dat bijstandsverlening voor “kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die niet aan Nederland zijn verbonden” uitgesloten is.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of in het onderhavige geval sprake is van kosten die buiten Nederland zijn opgekomen of die niet aan Nederland zijn verbonden.

Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad blijkt dat niet voor bijstandsverlening in aanmerking komen kosten die verbonden zijn aan verblijf in het buitenland (vgl. JABW 2001/141), dienstverlening in het buitenland, bijvoorbeeld kosten van rechtsbijstand (vgl. JABW 2000/117) en reiskosten en vervoerskosten van huisraad en stoffelijke overschotten buiten Nederland (vgl. RSV 1997/209, RSV 2000/49, JABW 1995/311). De rechtbank merkt op dat het in de jurisprudentie ter zake om vergoeding voor verleende diensten ten aanzien van de bijstandsgerechtigde gaat.

Dat het in deze jurisprudentie eveneens gaat om kosten die samenhangen met de aanschaf van goederen in het buitenland is naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer daaruit af te leiden. De rechtbank merkt op dat het in enkele gevallen mogelijk ook gaat om kosten voor de aanschaf van producten. In bedoelde gevallen gaat het om de vergoeding van kosten voor een begrafenis in het buitenland (vgl. JABW 1993/119). Hierbij merkt de rechtbank op dat uit de genoemde uitspraak echter niet blijkt of het ook ging om de aanschaf van goederen.

Dat het in deze jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep gaat om kosten die samenhangen met de aanschaf van goederen in het buitenland voor gebruik in Nederland is naar het oordeel van de rechtbank daaruit niet af te leiden.

De rechtbank stelt vast dat door verweerder niet wordt betwist en ter zitting is bevestigd dat eisers voldoen aan het vereiste dat zij zich hier te lande in nooddruftige en bijzondere omstandigheden verkeren, zoals vereist is voor de verlening van (categoriale) bijstand, en dat de vloerbedekking en het bankstel dienen ter leniging van die situatie op Nederlandse bodem.

De rechtbank stelt vast dat er in het onderhavige geval geen sprake is van “kosten die zijn opgekomen in het buitenland” noch van “kosten die niet aan Nederland zijn verbonden”.

De rechtbank stelt bovendien vast dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de eis dat aanschaf van goederen dient plaats te vinden bij een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf wordt ingegeven door de overweging dat daarmee de aankopen verifieerbaar zijn. Voorts stelt de rechtbank vast dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat ook verificatie mogelijk is als goederen worden aangeschaft bij een in België of Duitsland ingeschreven bedrijf.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze aannemelijk weten te maken dat de regel van bijstandsverlening in de vorm van een forfaitair bedrag ten behoeve van de aanschaf duurzame gebruiksgoederen waarbij geen uitkering plaatsvindt als de goederen niet in Nederland gekocht zijn, gerechtvaardigd wordt door objectieve criteria.

Op grond van het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank de opvatting gerechtvaardigd dat de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep zo dient te worden uitgelegd dat de aanschaf in het buitenland van goederen met het doel deze in Nederland te gebruiken niet in strijd is met het territorialiteitsbeginsel.

Uitgangspunt van de verlening van (categoriale) bijzondere bijstand is immers het verblijf in Nederland en dat er sprake is van het niet kunnen voorzien in noodzakelijke kosten voortvloeiend uit bijzondere omstandigheden in het kader van dat verblijf.

De rechtbank is aldus van oordeel dat verweerder in alle redelijkheid niet van eisers kan verlangen dat zij het bankstel bij een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bedrijf dienen aan te schaffen, zodat het beroep voor gegrond moet worden gehouden en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Aan de vraag of de Regeling duurzame gebruiksgoederen in strijd is met het vrij verkeer van goederen dat voortvloeit uit het EG-verdrag komt de rechtbank niet toe.

Ten aanzien van de overgelegde nota’s

Ten aanzien van de ouderdom van de overgelegde nota’s overweegt de rechtbank ten overvloede het volgende.

Uit de Regeling duurzame gebruiksgoederen blijkt dat nota’s niet ouder mogen zijn dan 1 jaar voorafgaand aan de aanvraag en dat ze voor vergoeding in aanmerking komen in de verstrekkingsperiode die op die nota van toepassing is. Verweerders verstrekkingsperiode loopt van oktober tot en met september van het daarop volgende jaar.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit de Regeling geenszins valt op te maken dat nota’s van vóór 1 oktober 2001 niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

De rechtbank stelt voorts vast dat uit de regeling valt op te maken dat nota’s die betrekking hebben op een voorafgaande periode niet overgeheveld kunnen worden naar een volgende verstrekkingsperiode en dat er niet gebleken is van een overgangs- of coulanceregel voor nota’s die zijn opgekomen tegen het einde van de verstrekkingsperiode.

Vast staat dat eisers op 1 november 2001 (in behandeling genomen 19 november 2001) de onderhavige aanvraag hebben ingediend, terwijl de nota’s dateren van 7 en 26 september 2001. In casu viel 26 september 2001 op een woensdag. De nota’s zijn derhalve niet ouder dan 1 jaar voorafgaand aan de aanvraag, zoals vereist in de beleidsregel, en hebben betrekking op de voorgaande verstrekkingsperiode.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden beslissing constateert dat de nota’s dateren van vóór 1 oktober 2001 en dat zij daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Op grond van het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank de enkele vaststelling dat de nota’s dateren van voor 1 oktober 2001 geen grond bieden om de onderhavige aanvraag af te wijzen, nu de nota’s niet ouder dan een jaar zijn en het in strijd met de redelijkheid is dat nota’s die kort voor ommekomst van de verstrekkingperiode opkomen nog voor het eind van die periode zijn ingediend.

Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank niet op een deugdelijke motivering en is in strijd met de vereisten van redelijkheid, zodat het beroep voor gegrond moet worden gehouden en de bestreden beslissing dient te worden vernietigd.

De rechtbank acht geen termen aanwezig verweerder te veroordelen in de kosten van het geding.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eisers;

3. bepaalt dat aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,00 wordt vergoed door de gemeente Heerlen.

Aldus gedaan door mr. R.C.A.M. Philippart in tegenwoordigheid van mr. R.H. Kessels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2003 door mr. Philippart voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kessels w.g. Philippart

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 28 juli 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.