Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0917

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-07-2003
Datum publicatie
23-09-2003
Zaaknummer
AWB 03 / 289 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2004:AO6527
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft zich tot verweerder gewend met het verzoek om duidelijkheid over de mogelijkheden tot een effectief gebruik van de weg welke toegang kan verschaffen tot het perceel dat eiser onlangs in eigendom heeft verworven en dat één geheel vormt met het perceel waarvan de eigendom eveneens bij eiser berust. Dat laatste perceel, aldus eiser, is vanaf de openbare weg op geen enkele manier toegankelijk voor voertuigen.

Hoger beroep: AO6527

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03/289 BESLU

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Nuth, gevestigd te Nuth, verweerder.

Datum bestreden besluit: 22 januari 2003.

Kenmerk: BJZ/2003/263.

Behandeling ter zitting: 8 juli 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 22 januari 2003, verzonden 22 januari 2003, heeft verweerder een door eiser ingediend bezwaarschrift van 17 april 2002 tegen een inzake de toepassing van de Wegenwet genomen besluit van 13 maart 2002, overeenkomstig het advies van de Commissie voor Bezwaarschriften van 20 december 2002, waarnaar in het besluit wordt verwezen, ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is door eiser bij brief van 27 februari 2003 beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn op 1 april 2003 in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Bij brief van 2 juni 2003 heeft de heer C, eigenaar van de woning staande en gelegen te B, […]weg 11 (hierna: C), desverzocht, de rechtbank medegedeeld op voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb als partij aan het geding te zullen deelnemen. De op de zaak betrekking hebbende stukken en het door verweerder ingediende verweerschrift, zijn vervolgens op 6 juni 2003 in kopie aan C gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 8 juli 2003, waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. C.G.L. Heuts, ambtenaar der gemeente. Voorts zijn C en zijn echtgenote in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. N. P.J. Frijns, advocaat te Maastricht.

II. OVERWEGINGEN.

Eiser heeft zich bij brief van 30 oktober 1998 tot verweerder gewend met het verzoek om duidelijkheid over de mogelijkheden tot een effectief gebruik van de weg die uitmondt tussen de woningen aan de […]weg nummers 10 (bedoeld zal zijn: nummer 9) en 11 te B, welke weg toegang kan verschaffen tot het perceel kadastraal bekend als gemeente Nuth, sectie […], nummer […], dat eiser onlangs in eigendom heeft verworven en dat één geheel vormt met het perceel kadastraal bekend als gemeente Nuth, sectie […], nummer […], waarvan de eigendom eveneens bij eiser berust. Dat laatste perceel, aldus eiser, is vanaf de openbare weg op geen enkele manier toegankelijk voor voertuigen.

De weg waarop eiser doelt is in feite niet meer dan een voetpad dat, gelegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Nuth, de openbare wegen […]weg en […]weg met elkaar verbindt. Gelet daarop komt het voetpad niet voor in de Wegenlegger als bedoeld in artikel 27 en volgende van de Wegenwet. Het voetpad, in de volksmond ook wel het "[…]pad" of "[…]" genoemd, maakt een gedeelte uit van het aan de gemeente Nuth in eigendom toebehorende (meeromvattende) perceel kadastraal bekend als gemeente Nuth, sectie […], nummer […]. Over de eigendomsverhoudingen ter plaatse heeft lange tijd onduidelijkheid bestaan. Een ultimo 1999 in opdracht van de gemeente Nuth door de Dienst voor het kadaster en de openbare registers te Roermond verrichte kadastrale inmeting heeft uiteindelijk uitgewezen dat het voetpad ter hoogte van de aansluiting op de […]weg een breedte heeft van niet meer dan één meter en twintig centimeter. De breedte van het voetpad ter plaatse van de uitmonding op de […]weg bedraagt daarentegen vier meter en vijftig centimeter en dat over een totale lengte van ongeveer achtentwintig meter.

C, als partij op voet van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb tot dit geding toegelaten, is sinds 1 november 1995 eigenaar van de woning staande en gelegen aan de [..]weg11 te B.

Uit de voorhanden stukken, waaronder de overgelegde kopieën van foto's, en ook gelet op de ter zitting daarop gegeven toelichting, blijkt dat een groot gedeelte van het naast de woning van C lopende voetpad bij hem als oprit in gebruik is. Deze oprit is door de rechtsvoorganger van C ooit met steenslag verhard en in visueel opzicht lijkt het erop dat de oprit behoort tot het perceel van C. De kadastrale inmeting heeft evenwel uitgewezen dat de oprit naast de woning van C zich voor het overgrote deel bevindt op het perceel kadastraal bekend als de gemeente Nuth, sectie […] nummer […] en dus op aan de gemeente Nuth in eigendom toebehorende grond. Naast deze oprit, maar evenzeer op grond die bij de gemeente in eigendom is, bevindt zich een smal voetpad dat slechts voor gebruik door voetgangers geschikt is. Dat voetpad is door C in 1998 eigenhandig aangelegd en vanaf de […]weg voor voorbijgangers vrijwel aan het blote oog onttrokken door een langs de oprit geplaatste coniferenhaag. In deze coniferenhaag heeft C wel, halverwege de oprit, een doorgang gemaakt. Voorts bevindt zich in het verlengde van de achterzijde van de woning aan de […]weg 11 over de volle breedte van de bij C in gebruik zijnde oprit een hek, dat toegang geeft tot het achter de woning van C gelegen erf. Het hek is naar de stellingen van C omstreeks 1980 geplaatst. Eiser daarentegen stelt dat de rechtsvoorganger van C, de familie D, pas eind 1981 aan de [...]weg is komen wonen en zij het bewuste hek aanzienlijk later hebben geplaatst. C beschikt als enige over een sleutel van het hek, waardoor hij de vrije toegang tot het erf naar believen kan regelen. Een door C in 1998 geplaatste laurierhaag ten slotte, scheidt het erf van C van het achter de laurierhaag lopende, door C aangelegde voetpad, dat uiteindelijk overgaat in het smallere gedeelte van het [...]pad. De laurierhaag sluit naadloos aan op de bestaande coniferenhaag en wekt mede daarom de suggestie dat aldus de erfgrens van het perceel van C wordt gemarkeerd. Een gedeelte van de laurierhaag bevindt zich evenwel op aan de gemeente Nuth in eigendom toebehorende grond, de coniferenhaag zelfs volledig.

Naar aanleiding van eisers brief van 30 oktober 1998 heeft vervolgens op gezette tijden overleg plaatsgevonden tussen eiser, C en de gemeente Nuth. Uiteindelijk heeft verweerder, toen duidelijk werd dat een regeling in der minne niet in het verschiet lag, bij brief van 18 januari 2000, verzonden 20 januari 2000, het standpunt ingenomen dat het eerste (brede) gedeelte van het […]pad van oudsher bestemd was voor gebruik door landbouwvoertuigen, dat artikel 16 van de Wegenwet op de gemeente een zorgplicht legt voor de staat van de wegen binnen een gemeente en dat de door C geplaatste obstakels en belemmeringen in de weg staan aan bovenstaand gebruik. Verweerder heeft C dan ook verzocht alle obstakels die dat gebruik belemmeren binnen vier weken te verwijderen en verwijderd te houden, bij gebreke waarvan verweerder C amovering van gemeentewege in het vooruitzicht hebben gesteld.

De inhoud van bovenstaande brief heeft andermaal aanleiding gegeven tot nadere correspondentie tussen alle betrokken partijen, waarbij C, onder overlegging van een zestal schriftelijke verklaringen van U, V, W, X, Yen Z, het van oudsher bestaande gebruik van het eerste, brede gedeelte van het [...]pad voor landbouwvoertuigen, en daarmee de bevoegdheid voor verweerder om handhavend op te treden, heeft bestreden. Eiser heeft daar, ter ondersteuning van zijn standpunt, een schriftelijke verklaring van de heer T, gedagtekend 24 augustus 2000, tegenover gesteld. Uit die verklaring komt naar voren dat T vanaf eind van de jaren zeventig tot 1999, met een korte onderbreking gedurende de jaren 1994/1995, het eerste, bredere gedeelte van het […]pad heeft gebruikt om het smallere gedeelte met een tractor en wagen te kunnen bereiken om vandaar vee te brengen en te halen van en naar de wei die kadastraal bekend is als gemeente Nuth, sectie […], nummer […], welke wei immers enkel toegankelijk was via het […]pad.

Bij brief van 3 april 2001, verzonden 5 april 2001, heeft verweerder C doen weten dat de door hem overgelegde verklaringen (onder meer) van de familie D als voormalige bewoners van de woning aan de [...]weg 11 (toen nog bekend als: […]straat 22), geen ander licht op de zaak werpen en dat het standpunt dat binnen 4 weken dient te worden overgegaan tot amovering van de zich op het over de volle breedte van het pad bevindende obstakels, voor zover die een gebruik van deze weg met landbouwvoertuigen belemmeren, wordt gehandhaafd. Hierop heeft C gereageerd bij brief van zijn rechtsbijstandverzekeraar van 9 april 2001, waarbij het standpunt is ingenomen dat C door (verkrijgende) verjaring eigenaar van het eerste, brede gedeelte van het voetpad is geworden en dat, indien verweerder blijft bij zijn standpunt, in kort geding een verbod tot amovering zal worden gevorderd.

Bij brief van 17 oktober 2001 heeft eiser onder verweerders aandacht gebracht dat nog steeds geen gevolg is gegeven aan de sommatie om het gedeelte van het [...]pad waar het hier om gaat "obstakelvrij" te maken en dat hij daardoor blijft verstoken van een vrije toegang tot de kadastrale percelen met de nummers 2779 en 402, die hem in eigendom toebehoren.

Nadat vervolgens andermaal schriftelijk standpunten zijn uitgewisseld heeft verweerder, bij besluit van 13 maart 2002, verzonden 14 maart 2002, eiser doen weten in de brieven van 18 januari 2000 en 3 april 2001 een voorbarig standpunt te hebben ingenomen over de openbaarheid van het […]pad in die zin dat kan worden toegegeven dat sprake is van een openbaar voetpad, maar niet van een openbare weg die bestemd is om met voertuigen te worden bereden.

Het verzoek van eiser maatregelen te treffen om het pad berijdbaar te maken voor voertuigen heeft verweerder dan ook afgewezen.

Bij brief van 17 april 2002 heeft eiser tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Partijen en ook C zijn in de gelegenheid gesteld om tijdens de hoorzitting van de Commissie voor Bezwaarschriften (hierna: de Commissie) op 20 september 2002 op het bezwaar te worden gehoord; van die gelegenheid hebben alle betrokken partijen gebruik gemaakt. Het verslag dat van het horen is opgemaakt, bevindt zich onder de gedingstukken.

Op 20 december 2002 heeft de Commissie geadviseerd het bezwaarschrift van eiser ongegrond te verklaren. Daarbij heeft de Commissie zwaar doen wegen dat uit de door C overgelegde getuigenverklaringen niet kan worden opgemaakt dat het bewuste pad ooit door gemotoriseerd verkeer is gebruikt. De door eiser daartegenover gestelde getuigenverklaring van T brengt daarin geen verandering. De verklaring als zodanig trekt de Commissie weliswaar niet in twijfel, maar zelfs al zou T, zoals hij stelt, in het verleden enige malen met een voertuig gebruik hebben gemaakt van het pad, dan nog is er onvoldoende reden om aan te nemen dat dat gebruik structureel en bestendig van aard was, aldus de Commissie. Onder verwijzing naar de op de gemeente rustende, uit artikel 16 van de Wegenwet voortvloeiende zorgplicht, komt de Commissie vervolgens tot de conclusie dat het verzoek om handhaving van de openbaarheid van het desbetreffende gedeelte van het [...]pad, voor zover daarmee tevens is beoogd toegankelijkheid van het pad voor voertuigen mogelijk te maken, door verweerder bij het door eiser aangevochten besluit van 13 maart 2002 terecht is afgewezen.

Bij het bestreden besluit van 22 januari 2003, verzonden 22 januari 2003, heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser, overeenkomstig en onder verwijzing naar het advies van de Commissie, ongegrond verklaard.

Eiser heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en is daarvan in beroep gekomen. In dat kader heeft eiser – kort samengevat – aangevoerd, ten eerste dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat er van het eerste, bredere gedeelte van het [...]pad geen toegang naar de achterliggende percelen aanwijsbaar is en ten tweede dat verweerder ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat de achterliggende percelen (waaronder het kadastrale nummer 402) vroeger vanaf de openbare weg […] konden worden bereikt en nu nog steeds, zij het tegenwoordig vanaf de […]weg. Voorts heeft eiser als grief naar voren gebracht dat verweerder ten onrechte (lucht)foto's en (ontkennende) verklaringen van U, V, W, X, Y en Z als bewijs voor zijn stelling dat het voetpad niet toegankelijk is voor voertuigen, laat dienen.

Ten slotte heeft eiser nog gesteld dat verweerder heeft miskend dat indien een weg openbaar is, de frequentie en de aard van het gebruik niet van belang is.

Inzet van dit geding is de openbaarheid van het eerste, ongeveer vier meter vijftig centimeter brede gedeelte van het [...]pad dat, gerekend vanaf de aansluiting op de [...]weg, een lengte heeft van ongeveer achtentwintig meter. Over het tweede, met een breedte van ongeveer één meter twintig centimeter, veel smallere gedeelte van het [...]pad, dat doorloopt tot aan de aansluiting op de […]weg bestaat tussen partijen geen verschil van mening. Waar hierna over voetpad wordt gesproken, heeft de rechtbank uitsluitend het oog op voormeld eerste, bredere gedeelte van het [...]pad, tenzij met zoveel woorden wordt aangegeven dat (mede) op een ander(e) weg(gedeelte(n)) wordt gedoeld.

De rechtbank overweegt met betrekking tot hetgeen partijen verdeeld houdt als volgt.

Op grond van artikel 1, eerste lid, van de Wegenwet (Stb. 1930, 342) is deze wet uitsluitend van toepassing op openbare wegen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder I, worden onder wegen in deze wet mede verstaan voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik.

In artikel 3 is vastgelegd dat onder rechthebbende in deze wet wordt verstaan de rechthebbende krachtens burgerlijk recht.

Artikel 4 van de Wegenwet geeft limitatief aan wanneer een weg openbaar is.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van die wet is een weg openbaar wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet (lees: 1 oktober 1932), gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest.

In het eerste lid onder II is verder bepaald dat een weg (ook) openbaar is wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, een provincie, een gemeente of een waterschap en voorts, op grond van het eerste lid onder III wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbare weg heeft gegeven.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wegenwet lijdt het onder I en II bepaalde uitzondering wanneer, lopende de termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

Dit kenbaar maken kan blijkens het derde lid geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kentekenen.

Op grond van artikel 6 van de Wegenwet mag het bestaan van een beperking in het gebruik, anders dan krachtens een wettelijk voorschrift tot regeling van het verkeer, mede worden aangenomen op grond van de gesteldheid van de weg en van het gebruik, dat van de weg pleegt gemaakt te worden.

Artikel 7, aanhef en onder I bepaalt dat een weg heeft opgehouden openbaar te zijn wanneer hij gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor een ieder toegankelijk is geweest of, hetgeen onder II is bepaald, wanneer hij door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer is onttrokken.

Artikel 14, eerste lid, van de Wegenwet bepaalt, voor zover voor de beoordeling van deze zaak van belang, dat, behoudens de beperkingen in het gebruik, als bedoeld in artikel 6, de rechthebbende op en de onderhoudplichtige van een weg alle verkeer over de weg te dulden heeft.

Op grond van artikel 16 van de Wegenwet heeft de gemeente te zorgen, dat de binnen haar gebied liggende wegen, met uitzondering van de wegen, welke door het Rijk of een provincie worden onderhouden, van die welke door het waterschap worden onderhouden en van die, waarop door een ander tol wordt geheven, in goede staat verkeren.

Ter uitvoering van deze taak staat burgemeester en wethouders op grond van artikel 125, tweede lid, van de Gemeentewet het middel van toepassing van bestuursdwang ter beschikking.

Vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zoals blijkt uit een uitspraak van 20 september 1999, inzake Reg.No H01.98,1064) brengt mee dat, indien eenmaal komt vast te staan dat een weg is aan te merken als een openbare weg in de zin van de Wegenwet, op burgemeester en wethouders op grond van artikel 16 van deze wet de zorgplicht rust dat de weg, voor zover binnen het gebied van de gemeente gelegen, in goede (dat wil ook zeggen: toegankelijke) staat verkeert en voorts dat, waar het openbare karakter van de weg in het gedrang komt, burgemeester en wethouders ingevolge de hen in voormeld artikel 16 opgedragen taak, in beginsel bevoegd én gehouden zijn handhavend op te treden.

Niet in geschil is dat het hier in geding zijnde voetpad van oudsher deel uitmaakt van het [...]pad, dat tot aan de inwerkingtreding van de Wegenwet altijd, voor een ieder, als voetpad, toegankelijk is geweest. Niet is gebleken noch door één der partijen gesteld dat het voetpad op enig moment nà inwerkingtreding van de Wegenwet voor een periode van dertig achtereenvolgende jaren niet voor een ieder als zodanig toegankelijk is geweest. De rechtbank tekent daarbij aan dat enkel het plaatsen van een hekwerk, zoals in casu door de rechtsvoorganger van C ergens in de jaren tachtig is geschied onvoldoende is om het voetpad zijn openbare karakter te doen verliezen en ook het niet onderhouden door de gemeente van het [...]pad, wat daar verder ook van zij, is geen grond voor het teloor gaan van de openbaarheid van het voetpad. Voorts wijst de rechtbank in dit verband op de inhoud van een aan de rechtsvoorganger van C gerichte brief van 25 januari 1983, waarin verweerder in een reactie op een van die zijde ingediend verzoek om afsluiting van het [...]pad, dat door verweerder in bedoelde brief consequent als "pad" wordt aangeduid, het volgende opmerkt:

"Het pad bestaat reeds vele jaren en heeft daardoor de positie van openbare weg verkregen.

Afsluiten is daarmee erg moeilijk geworden.

(…)

Verder waarborgt het pad de bereikbaarheid van perceel kadastraal bekend gemeente Nuth sectie A nr. 402,

dat enkel via het pad bereikbaar is. Afsluiting van het pad zou de eigenaar van dit perceel ernstig kunnen duperen."

Nu bovendien vast staat dat het [...]pad nimmer door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer is onttrokken in de zin van artikel 7 van de Wegenwet, brengt een en ander de rechtbank tot de slotsom dat in dit geding als uitgangspunt moet worden voorop gesteld dat het [...]pad een openbaar voetpad is in de zin van de Wegenwet.

De vraag is dan vervolgens of het tegenwoordige gebruik van het [...]pad, mede op grond van de gesteldheid van het voetpad ter plaatse en het gebruik dat ervan in het verleden pleegde te worden gemaakt, en bij gebreke van een ter zake geldend wettelijk voorschrift tot regeling van het verkeer, zich moet beperken tot een gebruik als voetpad of dat, zoals eiser ingang wil doen vinden, de openbaarheid van het voetpad zo ver strekt dat daarop ook (landbouw)voertuigen moeten worden toegelaten. Eiser heeft verweerder bij herhaling erop aangesproken de openbaarheid van het voetpad in volle omvang te handhaven en in dat kader telkens gesteld dat het [...]pad, mede acht slaande op de breedte ervan, behalve als voetpad, ook bestemd was en is om met voertuigen te worden bereden en zich ter ondersteuning daarvan beroepen op de door hem in het geding gebrachte verklaring van T, voormalig eigenaar van de weilanden met de kadastrale aanduiding sectie […], nummers [..] en […].

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht niet heeft gevolgd in zijn betoog dat het [...]pad onbeperkt toegankelijk moet zijn. Daartoe overweegt de rechtbank vooreerst dat eiser gelijk heeft wanneer hij stelt dat voor de openbaarheid van een weg de frequentie van het gebruik dat ervan pleegt te worden gemaakt, geen betekenis heeft. De aard van het gebruik daarentegen, en daarin volgt de rechtbank eiser niet, is bij het licht van het bepaalde in artikel 6 van de Wegenwet, wel degelijk van belang als het op de openbaarheid van een weg aankomt. Alleen als aannemelijk zou worden dat het gedeelte van het [...]pad waar het hier om gaat, nà het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van de Wegenwet, gedurende ten minste dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder in zijn geheel, derhalve óók voor (landbouw)voertuigen, toegankelijk is geweest, is er grond om geen beperking van de openbaarheid tot enkel een gebruik van het voetpad door voetgangers aan te nemen. Voor de daarvoor vereiste mate van aannemelijkheid biedt hetgeen door eiser in dit verband is aangevoerd echter onvoldoende steun.

De verklaring van T acht de rechtbank zonder nader ondersteunend bewijs, hoe dan ook, ontoereikend, nu tegenover deze verklaring de verklaringen van U, V, W, X, Y en Z staan die, in onderling verband en samenhang beschouwd, een gebruik van het voetpad door (landbouw)voertuigen stellig tegenspreken. Eisers grief dat verweerder deze verklaringen ten onrechte als bewijsmiddel hanteert moet falen, nu de rechtbank niet ziet dat verweerder deze verklaringen meer of anders zou hebben moeten waarderen dan de door eiser in het geding gebrachte verklaring van T. Voorts merkt de rechtbank op dat een incidenteel gebruik van het voetpad met (landbouw)voertuigen, gesteld al dat daar hier sprake van zou zijn geweest, nimmer ertoe kan leiden dat de rechthebbende op een weg, buiten het bepaalde in de artikelen 6 en 14 van de Wegenwet om, en zonder daar zelf enigerlei invloed op te kunnen uitoefenen, aldus het toegestane gebruik van de weg louter door toedoen van anderen uitgebreid ziet worden. Het kan immers niet de strekking van het in de Wegenwet neergelegde stelsel van openbaarheid zijn, de rechthebbende op en de onderhoudsplichtige van een openbare weg op die manier voor voldongen feiten te plaatsen. Ten slotte overweegt de rechtbank dat ook de blote stelling van eiser, dat de breedte van het pad erop duidt dat ter plaatse een gebruik van het voetpad door (landbouw)voertuigen mogelijk is, onvoldoende gewicht in de waagschaal kan leggen. Dat een zodanig gebruik onder omstandigheden tot de mogelijkheden zou hebben behoord, hetgeen voor het gedeelte van het [...]pad waar het hier om gaat op zich ook niet wordt betwist, brengt immers nog niet als een vanzelfsprekendheid mee dat een zodanig gebruik ter plaatse, incidenten buiten beschouwing gelaten, ook inderdaad heeft plaatsgevonden.

Bij het primaire besluit van 13 maart 2002 heeft verweerder het verzoek van eiser bij brief van 30 oktober 1998, dat door verweerder blijkens de bewoordingen waarin dat besluit is gesteld kennelijk uitsluitend is beschouwd als een verzoek om maatregelen te treffen om het [...]pad berijdbaar te maken met voertuigen, afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dat besluit, dat naar het oordeel van de rechtbank tevens dient te worden opgevat en verstaan als een weigering van verweerder om bestuursdwang toe te passen, ook voor zover het gebruik als voetpad in het gedrang komt, gehandhaafd. Daarmee spitst dit geschil zich toe op beantwoording van de vraag of verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, in alle redelijkheid heeft kunnen besluiten de uitoefening van bestuursdwang, zoals aanvankelijk nog bij brieven van 18 januari 2000 en 3 april 2001 aan C in het vooruitzicht gesteld, achterwege te laten.

Over die vraag kan de rechtbank kort zijn, waar het gaat om handhaving van de openbaarheid van het eerste, brede gedeelte van [...]pad, voor voertuigen. Nu, met verweerder, moet worden geoordeeld dat de openbaarheid van het desbetreffende gedeelte van het voetpad, mede op grond van het gebruik dat daarvan nu en in het verleden pleegde te worden gemaakt, niet verder gaat dan een gebruik als voetpad, mist verweerder de bevoegdheid om door het toepassen van bestuursdwang, en ter uitvoering van de op hem ingevolge artikel 16 van de Wegenwet rustende verplichting, te gelasten de toegankelijkheid van het openbare voetpad voor voertuigen af te dwingen. De bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om maatregelen te treffen om het voetpad ook in dat opzicht toegankelijk te maken, kan in zoverre dan ook stand houden.

Dat is anders voor zover het bestreden besluit tevens een weigering inhoudt om door middel van het toepassen van bestuursdwang op te treden tegen de zich op het eerste, bredere gedeelte van het [...]pad bevindende obstakels, zoals het toegangshek, de coniferenhaag en ook de laurierhaag, voor zover die zich althans op grond van de gemeente Nuth bevindt. Op de eerste plaats moet in dit verband worden vastgesteld dat het voetpad zoals dat tegenwoordig loopt, niet overeenkomt met het oorspronkelijke [...]pad dat, gelet op de zich daarvan in het dossier bevindende kopieën van foto's, alsmede gelet op hetgeen daarover ter zitting is verklaard, altijd vlak naast en parallel aan de woning van C heeft gelopen. De zich onder de gedingstukken bevindende foto van de achterzijde van de woning van C, die dateert uit het midden van de jaren vijftig, laat wat dat aangaat niets aan duidelijkheid te wensen over. Het voetpad zoals dat door C in 1998 is aangelegd is in wezen niet meer dan een "bypass", die is aangelegd met het kennelijke doel om voetgangers die van het [...]pad gebruik willen maken, aan het erf van C voorbij te leiden. Dat beeld wordt nog eens versterkt doordat een groot gedeelte van het oorspronkelijke, bredere gedeelte van het [...]pad tegenwoordig met steenslag is verhard en, hoewel hoofdzakelijk in eigendom toebehorend aan de gemeente, bij C in gebruik als oprit. De in 1998 geplante laurierhaag ten slotte, wekt de indruk de erfafscheiding te vormen tussen het erf van C en het openbare voetpad. Dat zo zijnde, kan de rechtbank niet anders dan vaststellen dat C de vrije en onbeperkte toegang tot het [...]pad verhindert, niet alleen doordat hij op aan de gemeente in eigendom toebehorende grond een coniferenhaag en, gedeeltelijk, een laurierhaag heeft geplant, maar ook doordat hij in het verlengde van de achterzijde van zijn woning aan de [...]weg 11 over de volle breedte van de oprit een toegangshek in stand houdt, waarvan alleen hij de sleutel heeft. Het behoeft geen betoog, en voor de rechtbank staat dat dan ook voldoende vast, dat deze obstakels, waarvan verweerder reeds in zijn brieven van 18 januari 2000 en 3 april 2001 gewag heeft gemaakt, de openbaarheid van het [...]pad en het gebruik daarvan als zodanig, in betekenende mate beknotten. Aangezien daarmee tevens vast staat dat sprake is van een overtreding van de Wegenwet, was en is verweerder ingevolge de hem in artikel 16 van die wet opgedragen taak, bevoegd en tevens, zeer uitzonderlijke hier niet aan de orde zijnde omstandigheden daargelaten, gehouden ter zake handhavend op te treden.

Door zich bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit van 13 maart 2002 uitsluitend te beperken tot beantwoording van de vraag of sprake is van een openbare weg die bestemd is om met (landbouw)voertuigen te worden bereden, en niet na te gaan of de obstakels waarvan hier sprake is ook aan een gebruik als openbaar voetpad in de weg stonden, heeft verweerder de ingevolge artikel 16 van de Wegenwet op hem rustende taak in een te beperkte zin opgevat. Dat klemt te meer nu eiser reeds in zijn eerste brief van 30 oktober 1998 om duidelijkheid had verzocht en in een later stadium bij herhaling bij verweerder op volledige handhaving had aangedrongen. Het kan verweerder dan ook niet zijn ontgaan dat het eiser erom te doen was dat verweerder zijn taak als rechthebbende op en onderhoudsplichtige van het [...]pad ter hand zou nemen en de toegankelijkheid ervan in volle omvang zou waarborgen. Daarin ligt besloten dat eiser van verweerder verwachtte, en gelet op de openbare status van het voetpad redelijkerwijs mocht verwachten, dat tegen de obstakels die zich op de bij C in gebruik zijnde oprit bevonden, ook voor zover deze een gebruik als voetpad verhinderden, van gemeentewege zou worden opgetreden door het aanzeggen, en zonodig effectueren, van bestuursdwang.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden volgehouden dat verweerders besluit van 13 maart 2002, zoals bij het bestreden besluit gehandhaafd, een afdoende reactie is op eisers brief van 30 oktober 1998 en het daarin neergelegde verzoek om duidelijkheid over de openbaarheid van het [...]pad. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat ook de Commissie, naar het advies waarvan verweerder in het bestreden besluit heeft verwezen en welk advies verweerder daarmee in volle omvang tot het zijne heeft gemaakt, zich kennelijk onvoldoende rekenschap ervan heeft gegeven dat de ingevolge artikel 16 van de Wegenwet op verweerder rustende taak tevens een beginselverplichting om op te treden in zich bergt indien de openbaarheid van een weg op enigerlei wijze in het gedrang komt. Daartoe overweegt de rechtbank dat de Commissie enerzijds terecht niet eraan voorbij ziet dat ter plaatse sprake is van een openbaar voetpad, dat door het plaatsen van een hek en een coniferen- en laurierhaag die openbaarheid ernstig wordt beknot en ook dat daar ingevolge artikel 16 van de Wegenwet een taak voor burgemeester en wethouders ligt, maar anderzijds wordt daaraan vervolgens niet de gevolgtrekking verbonden, die in dit geval als sluitstuk van de door de Commissie – en in navolging daarvan verweerder – gevolgde redenering voor de hand zou hebben gelegen, namelijk dat ter zake handhavend optreden was geboden. Dat wekt bevreemding. Niet alleen omdat van een bestuursorgaan in zijn algemeenheid verwacht mag worden dat het de naleving van wettelijke voorschriften hoog in het vaandel heeft staan en zulks, waar nodig, op een adequate wijze afdwingt, maar in dit geval in het bijzonder omdat partijen sedert november 1998 over de openbaarheid van het [...]pad uitvoerig met elkaar van gedachten hebben gewisseld en eiser, maar ook C, als vrucht daarvan intussen recht en belang erbij hebben dat verweerder zo vlug mogelijk die helderheid verschaft, waar eiser reeds in zijn meervermelde brief van 30 oktober 1998 zo expliciet om had verzocht.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder bij het besluit van 13 maart 2002 onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken waarom hij, in weerwil van de hem op grond van artikel 16 van de Wegenwet toegedachte taak, en in de wetenschap dat het toegangshek en de coniferen-en laurierhaag aan de openbaarheid van het [...]pad en het gebruik daarvan als zodanig in de weg stonden, uiteindelijk het verzoek van eiser om handhaving naast zich heeft neergelegd en ervan heeft afgezien de toegankelijkheid van het voetpad te waarborgen. De rechtbank acht de bij het bestreden besluit gehandhaafde weigering om bestuursdwang toe te passen, voor zover het gebruik als voetpad in het geding is, dan ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en mitsdien in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Reeds hierom moet het beroep van eiser voor gegrond worden gehouden en ligt het bestreden besluit voor vernietiging gereed.

Verweerder zal derhalve gehouden zijn een nieuwe beslissing te nemen op het door eiser ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van verweerder van 13 maart 2002. Gelet op de tijd die intussen sedert de eerste brief van eiser van 30 oktober 1998 is verstreken, ziet de rechtbank tevens aanleiding om verweerder, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb daartoe een termijn te stellen van uiterlijk 10 weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Er is vooralsnog geen grond die verplichting met een dwangsom te versterken.

Ten behoeve van de verdere besluitvorming door verweerder wil de rechtbank in dit stadium van het geding niet nalaten op te merken dat bij beantwoording van de vraag of handhavend behoort te worden opgetreden, verweerder zich niet mag verschuilen achter de stelling dat tussen de gemeente en C verschil van mening bestaat over de eigendom van het hier onderwerp van geschil zijnde gedeelte van het [...]pad. De vraag of de in dat kader door C geponeerde stellingen hout snijden, zal immers, desgevorderd, uiteindelijk slechts door de burgerlijke rechter kunnen worden beantwoord. Voorlopig echter is het nog steeds de gemeente die, ook blijkens de openbare registers, als eigenaar van het grootste gedeelte van het voetpad te boek staat. Daar komt bij dat het voor de vaststelling van de openbaarheid van een weg niet eens van belang is wie de eigenaar ervan is.

Van voor vergoeding op voet van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komende proceskosten, is de rechtbank ten slotte niet gebleken.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak, binnen tien weken na de datum van verzending daarvan, een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiser;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,-- wordt vergoed door de gemeente Nuth;

Aldus gedaan door mr. F.L.G. Geisel als voorzitter en mr. J.N.F. Sleddens en mr. T.E.A. Willemsen

als leden in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar

uitgesproken op 15 juli 2003

w.g. D. Laeven w.g. Geisel

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 15 juli 2003

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.