Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0914

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-07-2003
Datum publicatie
23-09-2003
Zaaknummer
AWB 02 / 1430 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft vergunninghoudster op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna te noemen: de WRO), zoals dat artikel sinds 3 april 2000 luidt, vrijstelling verleend ten behoeve van het bouwen van 42 woningen in het westelijk gedeelte van het bestemmingsplan ‘Holzkuil’ en op grond van artikel 40 van de Woningwet vergunning verleend voor het bouwen van 12 woningen in dat gedeelte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 02/1430 WRO

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Kerkrade, gevestigd te Kerkrade, verweerder.

Datum bestreden besluit: 20 augustus 2002.

Kenmerk: WP/MH 02u0015735.

Behandeling ter zitting: 18 juni 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 20 augustus 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen zijn –verweerders– besluit van 6 maart 2002, verzonden op 7 maart 2002, ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij schrijven van 24 september 2002 van zijn gemachtigde bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 20 augustus 2002. Dat beroep is bij schrijven van 17 oktober 2002 van de gemachtigde van eiser nader toegelicht.

Desgevraagd heeft Proper Stok Woningen B.V., gevestigd te Rotterdam, (hierna te noemen: vergunninghoudster) bij schrijven van 2 oktober 2002 aan de rechtbank te kennen gegeven dat zij gebruik wenst te maken van de haar, ingevolge het bepaalde in artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: de Awb), toekomende bevoegdheid om als partij aan het geding deel te nemen.

Daarop heeft de rechtbank vergunninghoudster bij schrijven van 18 oktober 2002 in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een schriftelijke uiteenzetting over de zaak te geven. Hoewel de rechtbank vergunninghoudster daartoe –desgevraagd– bij schrijven van 18 november 2002 vier weken uitstel heeft verleend, heeft vergunninghoudster tot op de dag van de behandeling ter zitting geen schriftelijke uiteenzetting over de zaak ingediend.

Bij schrijven van 21 oktober 2002 heeft verweerder aan de rechtbank bericht dat hij voor wat betreft het indienen van een verweerschrift vooralsnog volstaat met een verwijzing naar het advies van 2 augustus 2002 van de Centrale Bezwaarschriften- en Klachtencommissie, welk advies deel uitmaakt van het bestreden besluit. Dat schrijven en de door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser en vergunninghoudster gezonden.

Bij schrijven van 18 november 2002 heeft verweerder een nader verweerschrift ingediend. Een kopie van dat verweerschrift is eveneens aan de gemachtigde van eiser en vergunninghoudster gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 18 juni 2003, alwaar eiser in persoon is verschenen. Hij werd bijgestaan door zijn gemachtigde dhr. mr. J.J.M. Goumans, advocaat te Maastricht.

Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigden: mevr. drs. S. Ilbrink en dhr. mr. H.G.L. Mertens, beiden ambtenaar bij de Sector Stad van verweerders gemeente.

Namens vergunninghoudster is dhr. J. van der Giessen, hoofd juridische zaken bij vergunninghoudster, ter zitting verschenen.

Ter zitting is de onderhavige zaak gevoegd behandeld met de bij deze rechtbank onder nummer AWB 02/1370 geregistreerde zaak.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn beide zaken weer gesplitst en is in iedere zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN.

Eiser woont aan de […] 46 te Kerkrade.

Bij schrijven van 31 juli 2001 heeft vergunninghoudster verweerder verzocht om haar ten behoeve van de bouw van 42 woningen inclusief aanleg infrastructuur (fase I) in het westelijke gedeelte van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Holzkuil’, globaal gelegen achter de panden […] 6-64 te B, vrijstelling te verlenen van dat bestemmingsplan. Vergunninghoudster heeft die vrijstelling aangevraagd, omdat voornoemd bestemmingsplan ter plaatse weliswaar voorziet in woonbebouwing, maar er qua situering en massa sprake is van een strijdigheid van vorenbedoeld bouwplan van vergunninghoudster met het bestemmingsplan ‘Holzkuil’.

Op 3 oktober 2001 heeft verweerder zijn voornemen tot inwilliging van het verzoek van vergunninghoudster om vrijstelling bekendgemaakt in een, in zijn gemeente verschijnend, huis-aan-huisblad.

Met ingang van 4 oktober 2001 bestond voor belanghebbenden gedurende vier weken (tot en met 1 november 2001) de mogelijkheid om zienswijze kenbaar te maken tegen verweerders voornemen tot het verlenen van vrijstelling. Gedurende deze termijn zijn echter geen zienswijzen bij verweerder ingediend.

Voor het gebied waarin de gronden zijn gelegen waarop het verzoek om vrijstelling betrekking heeft, heeft de gemeenteraad van verweerders gemeente bij besluit van 26 september 2001 een nieuw bestemmingsplan, te weten ‘Villapark Holzkuil’, vastgesteld.

Bij besluit van 7 mei 2002 hebben Gedeputeerde Staten van Limburg (hierna te noemen: GS) het bestemmingsplan ‘Villapark Holzkuil’ goedgekeurd. Tegen dit besluit heeft eiser –tijdig– beroep ingesteld, doch dit beroep is niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft eiser de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht om terzake van het besluit van GS een voorlopige voorziening te treffen, welk verzoek echter bij uitspraak van 6 september 2002 van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is afgewezen.

Op 28 november 2001 heeft vergunninghoudster middels het daartoe strekkende formulier bij verweerder een vergunning aangevraagd voor het bouwen van 12 woningen (type Veld 2/1 kap). Deze woningen maken deel uit van de 42 woningen ten behoeve waarvan vergunninghoudster verweerder heeft verzocht vrijstelling te verlenen van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Holzkuil’.

Bij –afzonderlijke– besluiten van 6 maart 2002, verzonden op 7 maart 2002, heeft verweerder vergunninghoudster op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna te noemen: de WRO), zoals dat artikel sinds 3 april 2000 luidt, vrijstelling verleend ten behoeve van het bouwen van 42 woningen in het westelijk gedeelte van het bestemmingsplan ‘Holzkuil’ en op grond van artikel 40 van de Woningwet vergunning verleend voor het bouwen van 12 woningen in dat gedeelte.

Eiser heeft zich met voornoemde besluiten niet kunnen verenigen, weshalve hij er bij schrijven van 10 en 13 april 2002 –tijdig– bezwaar tegen heeft gemaakt.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser om advies in handen gesteld van de Centrale Bezwaarschriften- en Klachtencommissie (hierna te noemen: de Commissie), een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb.

Op 25 juli 2002 heeft er ten overstaan van de Commissie een hoorzitting plaatsgevonden, tijdens welke zitting eiser gebruik heeft gemaakt van het aan hem toekomende recht om op zijn bezwaar te worden gehoord. Van die hoorzitting is een verslag opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Vervolgens heeft de Commissie verweerder bij schrijven van 2 augustus 2002 geadviseerd om

eiser in zijn bezwaren ontvankelijk te verklaren, doch zijn bezwaren, onder handhaving van het bestreden besluit, ongegrond te verklaren.

Bij besluit van 20 augustus 2002 heeft verweerder op het bezwaar van eiser beslist overeenkomstig het advies van de Commissie. Voor de motivering van dat besluit heeft verweerder verwezen naar het daarbij gevoegde advies van de Commissie.

Aangezien eiser zich met verweerders besluit van 20 augustus 2002 evenmin heeft kunnen verenigen, heeft hij –eiser– daar bij schrijven van 24 september 2002 van zijn gemachtigde –tijdig– bij deze rechtbank beroep tegen ingesteld. Dat beroep is bij schrijven van 17 oktober 2002 van de gemachtigde van eiser nader toegelicht. (De verlening van de vrijstelling wordt, blijkens artikel 49, vijfde lid, van de Woningwet, voor de mogelijkheid van beroep geacht deel uit te maken van de beschikking waarop zij betrekking heeft.)

In beroep is namens eiser aangevoerd dat verweerder de ongegrondverklaring van zijn –eisers– bezwaar ten onrechte heeft gemotiveerd met een verwijzing naar het –nog geen rechtskracht hebbende– bestemmingsplan ‘Villapark-Holzkuil’ en dit plan heeft aangemerkt als voldoende ruimtelijke onderbouwing voor de vrijstellingsprocedure. Immers: de te bouwen woningen waarvoor vrijstelling werd verzocht en is verleend, zijn gesitueerd in een deel van het bestemmingsplan ‘Villapark-Holzkuil’ (gebiedsdeel A) waarvan de bestemming nader door verweerder moet worden uitgewerkt overeenkomstig de aanwijzingen/regels die zijn aangegeven in hoofdstuk II van de bij dat bestemmingsplan behorende planvoorschriften. Zodanige uitwerking heeft, aldus eiser, tot op heden niet plaatsgevonden voor het ‘gebiedsdeel A’. Hij betwist dat het –niet uitgewerkte– vastgestelde bestemmingsplan voor dat gebiedsdeel een voldoende ruimtelijke onderbouwing is voor het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Voorzover verweerder betoogt dat ‘gebiedsdeel A’ in diverse onderdelen wordt uitgewerkt en dat per onderdeel bouwvergunning voor één of meer woningen wordt gevraagd met gebruikmaking van de vrijstellingsbepaling, heeft eiser gesteld dat zodanige handelwijze in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het door hem –eiser– geformuleerde bezwaar dat de vergunde hoogten voor de te realiseren bebouwing ten onrechte afwijkt van het bestemmingsplan ‘Villapark-Holzkuil’.

In dit geding dient te worden beoordeeld of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om vergunninghoudster, met gebruikmaking van de door hem verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO, een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet te verlenen voor het bouwen van 12 woningen in het westelijk gedeelte van het bestemmingsplan ‘Holzkuil’, globaal gelegen achter de panden [..] 6-64 te B.

Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Artikel 44 van voornoemde wet, zoals dat artikel tot 1 januari 2003 luidde, bepaalt dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien het bouwplan waarvoor die vergunning wordt gevraagd in strijd is met –zakelijk weergegeven–:

a. het Bouwbesluit,

b. de bouwverordening,

c. het bestemmingsplan,

d. de redelijke eisen van welstand,

e. of wanneer een ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening benodigde vergunning ontbreekt.

In artikel 19 van de WRO, zoals dat artikel sinds 3 april 2000 luidt, is –voorzover thans van belang– bepaald:

1. De gemeenteraad kan, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van GS de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, danwel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2. Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door GS, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. GS kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van GS dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Gelet op de bewoordingen van artikel 19, tweede lid, van de WRO, betreft het, op grond van die bepaling, verlenen van vrijstelling van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan een discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dit betekent dat de rechtbank zich bij de beoordeling van dit geding dient te beperken tot de vraag of de voorgedragen beroepsgronden tot het oordeel leiden dat verweerder het genomen besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid, danwel hij bij de beoordeling van de daarvoor in aanmerking komende aspecten en afweging van de daarvoor in aanmerking komende belangen, in redelijkheid niet tot verlening van de door vergunninghoudster verzochte vrijstelling heeft kunnen besluiten.

Ingevolge het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO, dient het, in de bouw van 42 woningen voorziend, bouwplan van vergunninghoudster, nu ten behoeve van dat plan op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling is verleend, voorzien te zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing als bedoeld in het eerste lid van artikel 19 van de WRO.

Die onderbouwing houdt, blijkens de Memorie van Toelichting bij de ‘Wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening’ (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 311, nr. 3, p. 6 t/m 8), in dat het vrijstellingsbesluit de visie moet bevatten op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied, waarbinnen het te realiseren project moet passen, en de ruimtelijke effecten van dat project op de omgeving; in de ruimtelijke onderbouwing moet de planologisch gewenste ontwikkeling op een voor bestuur en burgers duidelijke manier herkenbaar zijn.

De ruimtelijke onderbouwing hoeft niet in alle gevallen even omvangrijk te zijn: naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime geringer is, behoeven aan die onderbouwing, ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie –onder meer– BR 2002/609), minder zware eisen te worden gesteld.

De gronden waarop het vrijstellingsbesluit betrekking heeft, zijn –zoals reeds vermeld– gelegen binnen het thans vigerende bestemmingsplan ‘Holzkuil’. Ingevolge de bij dat bestemmingsplan behorende plankaart rust op die gronden de bestemming ‘Bebouwingsklasse G’.

Artikel 9, eerste lid, van de bij voornoemd bestemmingsplan behorende planvoorschriften bepaalt dat de op de plankaart voor ‘Bebouwingsklasse G’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden.

Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat op vorenbedoelde gronden, behoudens het bepaalde in artikel 25, uitsluitend eengezinshuizen, alsmede andere bouwwerken, welke qua aard en afmetingen bij die bestemming passen, gebouwd mogen worden, met inachtneming van de in dat lid onder a tot en met i genoemde voorwaarden.

In het derde lid van voornoemd artikel is bepaald dat de gronden met de bestemming ‘Bebouwingsklasse G’, welke onbebouwd blijven, uitsluitend gebruikt mogen worden als tuin.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van voornoemde planvoorschriften mogen binnen de bebouwingsoppervlakken van –voorzover thans van belang– de ‘bebouwingsklasse G’ bijgebouwen worden gebouwd en wel één aangebouwd en/of één vrijstaand, met inachtneming van de in dat lid onder a tot en met c genoemde voorwaarden.

Burgemeester en Wethouders zijn, blijkens het tweede lid van voornoemd artikel, bevoegd vrijstelling te verlenen van het in het eerste lid ten aanzien van de oppervlakte bepaalde, indien slechts één bijgebouw wordt gebouwd, met dien verstande dat de oppervlakte van het bijgebouw maximaal 40 m2 mag bedragen.

Blijkens de in artikel 9, tweede lid, van de, bij het bestemmingsplan ‘Holzkuil’ behorende, planvoorschriften onder a genoemde voorwaarde, mogen op gronden met de bestemming ‘Bebouwingsklasse G’ maximaal 15 huizen gebouwd worden.

Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat het bouwplan van vergunninghoudster waarvoor vrijstelling is verleend, voorziet in het, op gronden met voornoemde bestemming, oprichten van 42 woningen, is de rechtbank van oordeel dat dit bouwplan grote inbreuk maakt op het thans ter plaatse vigerende planologische regime. Te meer, nu voornoemd bouwplan –zoals tussen partijen in confesso is– qua situering en massa in strijd is met het, ter plaatse vigerende, bestemmingsplan ‘Holzkuil’. Aan de, ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO vereiste, ruimtelijke onderbouwing dienen dan ook zware eisen te worden gesteld.

Voor de ruimtelijke onderbouwing van zijn besluit tot het verlenen van vrijstelling heeft verweerder

–naar de rechtbank begrijpt– verwezen naar het bestemmingsplan ‘Villapark-Holzkuil’.

Ingevolge dat bestemmingsplan rust op de gronden waarop voornoemd besluit betrekking heeft, de bestemming ‘Uit te werken Woondoeleinden –UW–’. Voor wat betreft de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur zijn die gronden bij vorenbedoeld bestemmingsplan ingedeeld in ‘deelgebied A’.

De op de, bij het bestemmingsplan ‘Villapark-Holzkuil’ behorende, plankaart voor voornoemde bestemming aangewezen gronden zijn, blijkens artikel 3, eerste lid, van de, bij dat bestemmingsplan behorende, planvoorschriften, bestemd voor –voorzover thans van belang–: woondoeleinden al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-gebonden beroep.

In het derde lid, onder 1, van voornoemd artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van de WRO, de in het eerste lid bedoelde bestemming ‘Uit te werken Woondoeleinden –UW–‘ dienen uit te werken met inachtneming van de in dat artikel genoemde administratieve bepalingen.

Blijkens het vierde lid van artikel 3 van de, bij het bestemmingsplan ‘Villapark-Holzkuil’ behorende, planvoorschriften mogen op gronden met de bestemming ‘Uit te werken Woondoeleinden –UW–‘ uitsluitend bouwwerken ten dienste van de in het eerste lid van dat artikel genoemde doeleinden en met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen, worden gebouwd, waarbij de volgende bepalingen gelden:

- Ten aanzien van de woningen:

1. Er mogen binnen het plangebied in totaal ten hoogste 220 woningen worden gebouwd.

2. De woningen zullen bestaan uit eengezinswoningen, voor tenminste 60% vrijstaand al dan niet geschakeld door middel van uitbreidingen van de woning en/of bijgebouwen.

- Ten aanzien van de hoogte van gebouwen en andere bouwwerken:

De maximumhoogte van gebouwen en andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 11 m voor deelgebied A, zoals dat op de kaart is aangegeven (…).

De bestemming ‘Uit te werken Woondoeleinden –UW–‘ is, zoals uit artikel 3, vierde lid, van de, bij het bestemmingsplan ‘Villapark-Holzkuil’ behorende, planvoorschriften blijkt, bij dat bestemmingsplan reeds op een drietal punten (het maximum aantal te bouwen woningen, de aard en de hoogte van die woningen) uitgewerkt. Ten tijde van de mondelinge behandeling van het onderhavige beroep was die bestemming, zo heeft verweerder ter zitting te kennen gegeven, nog niet verder uitgewerkt en was ook nog niet bekend wanneer voornoemde bestemming (verder) uitgewerkt zou worden.

Gelet op het vorenstaande, is de rechtbank van oordeel dat met de, in het kader van de, ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO, vereiste ruimtelijke onderbouwing, enkele verwijzing naar het bestemmingsplan ‘Villapark-Holzkuil’ onvoldoende duidelijk herkenbaar is geworden welke planologische ontwikkelingen verweerder wenst in het gebied waarop het vrijstellingsbesluit betrekking heeft. Laat staan dat met die verwijzing inzicht is gegeven in de ruimtelijke effecten van het bouwplan waarvoor vrijstelling is verleend op vorenbedoeld gebied en zijn omgeving. Het bestemmingsplan ‘Villapark-Holzkuil’ biedt dan ook een te beperkte zekerheid omtrent de planologische invulling, zodat het niet kan worden aangemerkt als een goede ruimtelijke onderbouwing in de zin van artikel 19, eerste lid, van de WRO. Het thans bestreden besluit is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en ontbeert derhalve een deugdelijke motivering. Verweerder heeft mitsdien niet in redelijkheid kunnen overgaan tot het ten behoeve van het, in de bouw van 42 woningen voorziend, bouwplan verlenen van vrijstelling ex artikel 19, tweede lid, van de WRO. Hierdoor is de strijdigheid van dat bouwplan met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Holzkuil’ niet opgeheven, zodat verweerder de door vergunninghoudster aangevraagde bouwvergunning, gelet op het limitatieve en imperatieve karakter van artikel 44 van de Woningwet, ten onrechte heeft verleend. Het namens eiser ingestelde beroep is dan ook gegrond, zodat het thans bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Die kosten zullen, met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: Bpb), worden vastgesteld op het hieronder in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser twee punten (één voor het indienen van het beroepschrift en één voor het verschijnen ter zitting) worden toegekend en het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere, ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende, kosten is niet gebleken.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiser;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Kerkrade aan eiser;

- bepaalt dat voormelde rechtspersoon aan eiser het door hem voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ten bedrage van € 109,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2003 door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 21 juli 2003

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State jo artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.