Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0913

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-08-2003
Datum publicatie
17-10-2003
Zaaknummer
AWB 03 / 177 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Primair besluit in strijd met recht. Schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 177 BELEI

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiseres,

en

de Raad van de Gemeente Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 19 december 2002.

Kenmerk: 2003/15.

Behandeling ter zitting: 18 juli 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 19 december 2002, verzonden 3 januari 2003, heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift van 2 oktober 2002 tegen een door verweerder genomen besluit van 12 september 2002, waarbij een verzoek van de zijde van eiseres om schadevergoeding is afgewezen, ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit heeft eiseres bij brief van 31 januari 2002 beroep ingesteld.

Bij brief van 3 maart 2003 heeft professor mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, namens verweerder een verweerschrift ingediend.

De namens verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn op 4 maart 2003 in kopie aan eiseres gezonden, evenals het namens verweerder ingediende verweerschrift.

Bij brieven van 7, 11 en 12 maart 2003 heeft eiseres, onder gelijktijdige overlegging van een aantal nadere producties, op voormeld verweerschrift gereageerd. Verweerder heeft, desverzocht, op 19 maart 2003 nog een nadere productie in het geding gebracht.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 18 juli 2003, waar eiseres in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door drs. R.L.M. Baltesen, ambtenaar der gemeente, bijgestaan door mr. Van Ravels voornoemd.

II. OVERWEGINGEN.

Bij besluit van 22 oktober 1998 heeft verweerder, beslissende op bezwaar, het besluit van 28 mei 1998 gehandhaafd en de daartegen door eiseres ingebrachte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij het besluit van 28 mei 1998 heeft verweerder vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 19 (oud) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dat artikel tot 3 april 2000 luidde, van de bestemmingsplannen […] en […] en het Uitbreidingsplan aanwijzende de bestemmingen in hoofdzaak, ten behoeve van de aanleg van wegen, fietspaden, rotondes en groenvoorzieningen en het treffen van infrastructurele voorzieningen voor de verbinding spoorwegovergang […]/ […]/ […] met rotonde (hierna: de doorsteek […]), de rotonde en verbinding […]-[…] (hierna: de doorsteek […]) en de rotonde […]/ […].

Bij uitspraak van 25 februari 1999, inzake Reg.nrs. Awb 98/1542, 98/1081, 98/1700, 98/1496 en 98/1506 heeft deze rechtbank – voor zover hier van belang – het besluit van verweerder van 22 oktober 1998 vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand gelaten. Eiseres is van die uitspraak in hoger beroep gekomen, behoudens, maar dat is eerst ter zitting van de Afdeling gebleken, voor wat betreft de bij besluit van 22 oktober 1998 gehandhaafde vrijstelling ten behoeve van de aanleg van de rotonde […]/ […], waartegen eiseres geen grieven had aangevoerd.

Bij uitspraak van 1 mei 2000, inzake Reg.nr. H01.99.0408, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake het geschil tussen eiseres aan de ene zijde en verweerder aan de andere zijde, voor zover hier van belang, de uitspraak van deze rechtbank van 25 februari 1999 vernietigd. Tevens heeft de Afdeling het besluit van verweerder van 22 oktober 1998 vernietigd, voor zover dat besluit strekte tot handhaving van de verleende vrijstelling voor de aanleg van de doorsteken […] en […], waarbij bovendien is bepaald dat verweerder binnen acht weken een nieuwe beslissing dient te nemen op de bezwaren tegen de verleende vrijstelling voor de aanleg van de beide doorsteken. Voor het overige heeft de Afdeling de aangevallen uitspraak van de rechtbank, voor zover al bestreden, bevestigd.

Bij brief van 20 juni 2000 hebben gedeputeerde staten van Limburg burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen op het van die zijde gedane verzoek om afgifte van "nieuwe" verklaringen van geen bezwaar het volgende bericht:

"Met U zijn wij van mening dat de doorsteek […] binnen het dorpsgebied conform het Streekplan Zuid-Limburg ligt, zodat u gebruik kunt blijven maken van de eerder door ons verleende verklaring van geen bezwaar. Voor de doorsteek […] dient het Streekplan te worden herzien. (…) Er is derhalve op dit moment geen Streekplankader, dat ruimte biedt voor afgifte van de door u gevraagde verklaring van geen bezwaar ten behoeve van de doorsteek […].

Wel zal in het kader van de aanstaande volledige Streekplanherziening met de doorsteek […] rekening worden gehouden door een volledige inpassing conform de huidige situatie. Zodra dit plan rechtskracht heeft gekregen kan alsnog een verklaring van geen bezwaar worden aangevraagd en afgegeven."

Bij besluit van 25 mei 2000 heeft verweerder de bevoegdheid op voet van artikel 19, eerste lid, van de WRO, zoals dat artikellid sedert 3 april 2000 luidt, om ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, aan burgemeester en wethouders gedelegeerd.

Bij besluit van 27 juni 2000, verzonden 29 juni 2000, hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen, voor zover hier van belang, de bezwaren tegen de doorsteek […] ongegrond verklaard en de beslissing op de bezwaren met betrekking tot de doorsteek […] aangehouden totdat gedeputeerde staten van Limburg hebben beslist op het verzoek tot afgifte van een (nieuwe) verklaring van geen bezwaar.

Tegen dit besluit van burgemeester en wethouders en ook tegen de gestelde fictieve weigering van verweerder om te beslissen op de bezwaren met betrekking tot de doorsteken […] en […] heeft eiseres bij brief van 29 juni 2000 beroep bij de rechtbank ingesteld. Bij uitspraak van 11 december 2001, inzake Reg.nr. Awb 00/784 WRO 19, heeft de rechtbank het beroep van eiseres, voor zover gericht tegen het uitblijven van een beslissing als voormeld, gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen zes weken een besluit te nemen op de bezwaren tegen de vrijstelling voor de aanleg van de beide doorsteken, een en ander onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 100,-- per dag, met een maximum van ƒ 5.000,-- voor elke dag dat verweerder daarmee in gebreke blijft. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van burgemeester en wethouders van 27 juni 2000 onbevoegd is genomen, het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 17 januari 2002 heeft verweerder, andermaal beslissend op de bezwaren van eiseres, die bezwaren ongegrond verklaard en, met gebruikmaking van daartoe door gedeputeerde staten van Limburg bij besluit van 8 januari 2002 verleende verklaringen van geen bezwaar, de bij besluit van 28 mei 1998 verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO ten behoeve van de doorsteken […] en […] gehandhaafd.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 26 november 2002, inzake Reg.nr. Awb 02/164 WRO 19, is het tegen dat besluit door eiseres ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep dat daartegen vervolgens door eiseres is ingesteld, heeft de Afdeling bij uitspraak van 9 juli 2003, inzake Reg.nr. 200300103/1, LJN-nummer AH9468, ongegrond verklaard.

Bij een aan burgemeester en wethouders gericht aangetekend schrijven van 18 januari 2002 hebben eiseres en haar echtgenoot de gemeente Meerssen een expertise- en een taxatierapport doen toekomen, opgemaakt naar aanleiding van de schade die eiseres en haar echtgenoot beweren te hebben geleden als gevolg van de doorsteek […]. Uit de rapporten komt een schadepost van € 61.340,78 naar voren. Aan het slot van hun schrijven hebben beiden burgemeester en wethouder van de gemeente Meerssen verzocht om een positieve beslissing in dezen.

Naar aanleiding hiervan hebben burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen eiseres en haar echtgenoot bij schrijven van 12 maart 2002, verzonden 14 maart 2002, bericht dat de schadeclaim in handen is gesteld van de verzekeringsmaatschappij Centraal Beheer/ Achmea met het verzoek om die claim verder af te handelen en dat ten aanzien van de aansprakelijkheid nog geen standpunt kan worden ingenomen, omdat ter zake van de doorsteek […], en anders dan eiseres en haar echtgenoot stellen, nog geen sprake is van een onherroepelijk onrechtmatig besluit. Eiseres en haar echtgenoot hebben daarop bij schrijven van 22 maart 2002, waarbij in het midden is gelaten of dat schrijven als bezwaarschrift moet worden opgevat en, nadien, bij schrijven van 8 mei 2002, gereageerd.

Het bij brief van 23 juli 2002 bij de rechtbank ingestelde beroep, inzake Reg.nr. Awb 02/1107, tegen de fictieve weigering van burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen om te beslissen op het als bezwaarschrift aangemerkte schrijven van 22 maart 2002, is bij uitspraak van 11 september 2002 gegrond verklaard, waarbij burgemeester en wethouders is opgedragen binnen vier weken na verzending van de uitspraak een (reële) beslissing op het ingediende bezwaarschrift van eiseres en haar echtgenoot te nemen. Bij besluit van 14 oktober 2002 hebben burgemeester en wethouders, onder verwijzing naar de hierna vermelde beslissing van verweerder, de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.

Overeenkomstig een daartoe strekkend voorstel van burgemeester en wethouders van 23 juli 2002 heeft verweerder, als het bestuursorgaan dat bevoegd was omtrent de beweerdelijk onrechtmatig verleende vrijstelling te beslissen, bij besluit van 12 september 2002, verzonden op 30 september 2002, het verzoek van eiseres en haar echtgenoot om vergoeding van de door het verlenen van de vrijstelling ten behoeve van de doorsteek […] veroorzaakte schade afgewezen, kort gezegd, omdat het besluit van 28 mei 1998 niet door de administratieve rechter is vernietigd en het besluit van 17 januari 2002, waarbij het primaire besluit is heroverwogen, niet rechtens onaantastbaar is en van een onherroepelijk onrechtmatig besluit dus (nog) geen sprake kan zijn.

Bij brief van 2 oktober 2002, desverzocht nader aangevuld bij brief van 22 oktober 2002, hebben eiseres en haar echtgenoot tegen het besluit van 12 september 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Eiseres en haar echtgenoot zijn vervolgens in de gelegenheid gesteld om op 31 oktober 2002 ten overstaan van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaar- en Beroepschriften, een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb (hierna: de commissie), op het bezwaar te worden gehoord. Van deze gelegenheid hebben de beide bezwaarmakers, zoals tevoren aangekondigd, geen gebruik gemaakt. Verweerder heeft zich bij het horen daarentegen wel laten vertegenwoordigen.

Van dat horen is vervolgens een verslag opgemaakt, dat zich onder de gedingstukken bevindt.

Bij advies van 8 november 2002 heeft de commissie de bezwaren ongegrond verklaard, kort gezegd, omdat (nog) geen sprake is van een onherroepelijk onrechtmatig besluit.

Bij het bestreden besluit van 19 december 2002, verzonden 3 januari 2003, heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de commissie en met aanvulling van de gronden van het advies, zoals zijdens burgemeester en wethouders voorgesteld (Raadsstuk 2002, volgnummer 02-VROM-04), het bezwaarschrift van eiseres en haar echtgenoot ongegrond verklaard.

Eiseres heeft zich niet kunnen vinden in het standpunt van verweerder, waartoe in beroep is gevorderd het bestreden besluit te vernietigen met het verzoek aan de rechtbank om, zelf in de zaak voorziend, de onrechtmatigheid van het bestreden besluit vast te stellen en, in het voetspoor daarvan, over te gaan tot begroting en vaststelling van de schade. Eiseres heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven uitsluitend beroep voor zichzelf in te stellen, nu haar echtgenoot ervoor heeft gekozen zijn rechten en aanspraken ter zake, te gelegener tijd via de burgerlijke rechter geldend te willen maken.

In beroep heeft eiseres ter ondersteuning van haar stelling dat zij het bestreden besluit primair onbegrijpelijk, zelfs innerlijk tegenstrijdig acht, gewezen op een aantal niet met elkaar te rijmen verschillen die in haar opvatting bestaan tussen het advies van de commissie en de aanvulling daarvan bij afzonderlijk advies van burgemeester en wethouders. Deze verschillen brengen volgens eiseres mee dat, omdat beide adviezen door verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, zij niet goed weet waartegen zij zich moet verweren, hetgeen haar verdediging in belangrijke mate schaadt. Voorts heeft eiseres betoogd dat met de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2000 is komen vast te staan dat de realisering van de doorsteek […] onrechtmatig is. De daardoor geleden schade dient verweerder voor zijn rekening te nemen. Dat nadien, met behulp van nieuwe verklaringen van geen bezwaar en het met gebruikmaking daarvan alsnog verlenen van een vrijstelling, legalisatie van deze onrechtmatige situatie kon worden verwezenlijkt, doet aan de onrechtmatigheid van de primaire besluitvorming niet af, aldus eiseres.

De eerste grief van eiseres, voor zover daarmee is betoogd dat verweerder het advies van de commissie ten onrechte met behulp van een advies van burgemeester en wethouders van een nadere motivering heeft voorzien, treft geen doel. De omstandigheid dat een bestuursorgaan zich ten behoeve van de beslissing op bezwaar laat adviseren door een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb brengt niet mee dat het bestuursorgaan dat advies niet nader zou mogen aanvullen, of zelfs daarvan zou mogen afwijken, indien zulks het bestuursorgaan geraden voorkomt. Door behalve het advies van de commissie tevens het advies van burgemeester en wethouders aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, heeft verweerder geen geschreven of ongeschreven rechtsregel geschonden. Evenmin kan eiseres worden gevolgd in haar betoog dat beide adviezen innerlijk tegenstrijdig zijn. Het nadere advies van burgemeester en wethouders behelst overigens niet meer dan een (nagenoeg) woordelijk gelijkluidende weergave van de tijdens de hoorzitting van de commissie namens verweerder voorgedragen pleitnotitie. Deze pleitnotitie is als een onlosmakelijk onderdeel van het verslag beschouwd. Het advies van de commissie is vervolgens schriftelijk uitgebracht en bevat ingevolge artikel 7:13, zesde lid, van de Awb een verslag van het horen, welk advies, onbetwist, tegelijk met het bestreden besluit aan eiseres is toegezonden. Met de inhoud van de nadere aanvulling moet eiseres dan ook niet onbekend zijn geweest. De rechtbank ziet daarom, maar ook anderszins, niet dat eiseres zich in dit geval in haar verdediging geschaad zou moeten weten.

Het besluit van 12 september 2002, dat bij het bestreden besluit van 19 december 2002 in stand is gelaten, is een zogenaamd zelfstandig schadebesluit. Eiseres heeft bij brief van 18 januari 2002 uitdrukkelijk daarom verzocht en als grondslag daarvoor aangevoerd de, naar haar stellingen, door de hoogste bestuursrechter onherroepelijk onrechtmatig geoordeelde doorsteek […].

De door de onrechtmatige vrijstelling mogelijk gemaakte aanleg van deze weg op zo korte afstand van de achterzijde van de echtelijke woning en de daarbij behorende tuin, staande en gelegen op het perceel […] te B, heeft schade veroorzaakt, die door eiseres is begroot op een bedrag van € 61.340,78, exclusief de kosten van rechtsbijstand en de wettelijke rente.

Voor een nadere specificatie van de schade heeft eiseres verwezen naar de inhoud van een op haar verzoek opgemaakte expertise- en taxatierapport van CED Nomex B.V. te Capelle aan den IJssel en Kerkhoffs Makelaardij B.V. te Beek. Eiseres stelt dat verweerder is gehouden die schade voor zijn rekening te nemen nu, naar achteraf moet worden vastgesteld, realisering van de doorsteek […] in ieder geval gedurende de periode 28 mei 1998 tot, naar de rechtbank veronderstelt, 17 januari 2002, heeft berust op een onrechtmatig verleende vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan, welke onrechtmatigheid niet naderhand, in dit geval door de nieuwe beslissing op bezwaar van 17 januari 2002, met terugwerkende kracht aan dat besluit kon worden ontnomen.

In dit geding staat daarmee ter beoordeling van de rechtbank de vraag of verweerder, gelijk bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 12 september 2002 gedaan, het door eiseres gedane verzoek tot vergoeding van schade wegens de beweerdelijk onrechtmatige doorsteek […], terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

Het bestreden besluit waar het in onderhavige zaak om gaat en waarbij verweerder de bezwaren van eiseres tegen de afwijzende beslissing op het verzoek om vergoeding van schade, ongegrond heeft verklaard, steunt op twee peilers. Enerzijds is daar het advies van de commissie, waaraan ten grondslag ligt de gedachte dat de onrechtmatigheid van de primaire beslissing in dit geval in bezwaar reparabel is gebleken, waardoor van onrechtmatigheid geen sprake kan zijn en anderzijds, ter aanvulling daarop, het ongedateerde advies dat burgemeester en wethouders hebben uitgebracht en dat behoort bij en onderdeel uitmaakt van het raadsstuk 2002, volgnummer 02-VROM-04. Behalve dat burgemeester en wethouders in hun aan verweerder gerichte advies het standpunt van de commissie onderschrijven, met dien verstande dat zij zich daarbij van een uitvoerigere motivering bedienen, wordt daarin tevens overwogen, geheel subsidiair, dat niet valt in te zien dat eiseres door het aan het gewraakte besluit klevende gebrek, schade heeft geleden en, meer subsidiair, dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals eiseres die stelt te hebben geleden. Bij wege van motivering van het bestreden besluit heeft verweerder volstaan met de opmerking zich aan beide adviezen te conformeren.

Tijdens de behandeling van de zaak ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat ook verweerder inmiddels de mening is toegedaan dat het primaire besluit van 28 mei 1998, waarbij vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan […] is verleend, is genomen in strijd met het recht en dat derhalve de stelling dat van onrechtmatig handelen geen sprake is, als grondslag waarop het bestreden besluit steunt moet worden verlaten. Nu verweerder aldus de onrechtmatigheid van het besluit van 28 mei 1998 heeft erkend, acht de rechtbank die gevolgtrekking consequent en bovendien ook juist. Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat voor verweerder, gelet op de niet voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen waarin de Afdeling op 9 juli 2003, inzake Reg.nr. 200300103/1, LJN-nummer AH9468, uitspraak heeft gedaan, ook nauwelijks een andere keuze mogelijk was geweest. Onverkorte handhaving van vermelde grondslag immers, zou hebben betekend dat verweerder miskent dat ook een primair besluit in strijd met het recht kan worden genomen en derhalve op zich, en geheel los van de resultaten waartoe de bestuurlijke heroverweging in het kader van de bezwaarschriftenprocedure aanleiding geeft, onrechtmatig kan zijn. De rechtbank voegt daaraan toe dat zij niet vermag in te zien dat gebrekkige primaire besluitvorming niet aan het betrokken bestuursorgaan zou moeten worden toegerekend. Ook in die gevallen is immers sprake van een omstandigheid die – in de bewoordingen van artikel 6:162, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek – krachtens in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen voor rekening van het lichaam komt waartoe het bestuursorgaan behoort.

Voorts overweegt de rechtbank dat als eenmaal vast staat dat sprake is van een onrechtmatig primair besluit, de kans dat een bestuursorgaan, zoals in dit geval verweerder, wordt aangesproken tot vergoeding van de daaruit voortvloeiende schade, niet slechts denkbeeldig is. Wil een daartoe strekkend verzoek voor inwilliging in aanmerking komen, zal echter, behalve de onrechtmatigheid, ook moeten vast staan dat een causaal verband bestaat tussen de beweerdelijk uit het primaire besluit voortspruitende schade en het gebrek dat ertoe heeft geleid dat dat besluit onrechtmatig is te achten. Alleen dan immers kan worden volgehouden dat is voldaan aan de op grond van vaste rechtspraak geldende voorwaarde dat de geleden schade het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat onrechtmatige besluit moet kunnen worden toegerekend. Daarbij zal in dit geval in het bijzonder moeten worden bezien of aannemelijk kan worden geacht dat de gestelde schade zich niet danwel niet in deze omvang zou hebben voorgedaan, indien verweerder met gebruikmaking van wél deugdelijke verklaringen van geen bezwaar, op voet van artikel 19 van de WRO vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan had kunnen verlenen. Bij dit alles past de kanttekening dat desondanks een verplichting tot vergoeding van schade geheel kan ontbreken, wanneer moet worden geoordeeld dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de (soort) schade zoals de benadeelde die heeft geleden.

Uit de door eiseres overgelegde rapporten komt naar voren dat de schade die zij als gevolg van de bij besluit van 28 mei 1998 verleende onrechtmatige vrijstelling stelt te lijden, de wettelijke rente en de kosten van rechtsbijstand buiten beschouwing latend, bestaat uit vermogensschade door waardevermindering van de echtelijke woning aan het […] te B en schade wegens, kort samengevat, verminderd woongenot ter plaatse. Bij deze laatste schadecomponent spelen aspecten als een verminderd uitzicht en een toegenomen geluidsbelasting een rol, deels ook omdat de nieuwe weg zich op een helling bevindt, maar ook minder goed concretiseerbare aspecten als lichtinval van koplampen van motorvoertuigen die van de doorsteek gebruik maken. Tot slot is in de rapporten gewezen op het gemis aan recreatieve mogelijkheden direct achter de echtelijke woning van eiseres, waar tot aan de aanleg van de doorsteek een gebied met belangrijke natuurwaarden was gesitueerd.

Het standpunt van verweerder zoals dat ter zitting nader is toegelicht, komt in de kern erop neer dat als grondslag voor het bestreden besluit onverminderd blijft gehandhaafd de stelling dat enig causaal verband tussen de gestelde schade en het gebrekkige besluit van 28 mei 1998 niet aanwezig is. Daarbij heeft verweerder de nadruk erop gelegd dat de door eiseres begrote schade berust op een vergelijking van onderhandse vrije verkoopwaarden van vóór en na 1999, welke vergelijking ten onrechte veronderstelt dat als het besluit van 28 mei 1998 niet gebrekkig was geweest, de doorsteek […] niet zou zijn gerealiseerd. Die gedachte moet worden verworpen nu, zo heeft verweerder zijn betoog vervolgd, intussen wel is komen vast te staan dat de gemaakte keuze voor realisering van de gewraakte doorsteek, gelet op de daarvoor gegeven ruimtelijke onderbouwing, tot in hoogste instantie rechtens heeft kunnen standhouden. Niet valt dan ook in te zien welke uitsluitend aan het primaire besluit van 28 mei 1998 toe te rekenen schade voor vergoeding in aanmerking zou behoren te komen, aldus verweerder.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een rechtens relevant causaal verband tussen de door eiseres gestelde schade en het aan het besluit van 28 mei 1998 klevende gebrek ontbreekt, waartoe het volgende wordt overwogen.

Uit de voorhanden gedingstukken alsmede gelet op het verhandelde ter zitting, volgt dat realisering van de doorsteek […] niet anders mogelijk was dan nadat verweerder bij besluit van 28 mei 1998 vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO had verleend van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan "[…]". Gedeputeerde staten van de provincie Limburg hebben daartoe op 25 mei 1998 de benodigde verklaring van geen bezwaar afgegeven. Voorts staat vast dat de doorsteek […], die net als de doorsteek […] ertoe moet dienen de kern van de gemeente B te ontlasten van doorgaand autoverkeer, aanvankelijk niet als wegverbinding was opgenomen in het streekplan Zuid-Limburg. Realisering van de doorsteek was in strijd met hetgeen in het streekplan Zuid-Limburg ten aanzien van de aan de orde zijnde gronden was bepaald. Het besluit van 22 oktober 1998, voor zover dat besluit strekt tot handhaving van de door verweerder op voet van artikel 19 van de WRO verleende vrijstelling, is uiteindelijk door de Afdeling bij vermelde uitspraak van 1 mei 2000, in hoger beroep vernietigd. Daarbij is het betoog van eiseres dat de ten behoeve van deze vrijstelling benodigde verklaring van geen bezwaar, gelet op de functie van deze weg, is verleend in strijd met een van wezenlijk belang zijnde beslissing in het streekplan Zuid-Limburg en verweerder daarvan om die reden geen gebruik mocht maken, gehonoreerd. Een en ander heeft de Afdeling vervolgens tot de slotsom gebracht dat de ten behoeve van de realisering van de doorsteek […] verleende vrijstelling ten onrechte is gehandhaafd.

Hierop gelet, alsmede gelet op de overwegingen die de Afdeling daarvoor in haar hiervoor vermelde uitspraak van 1 mei 2000 heeft gebezigd, kan de rechtbank niet anders dan vaststellen dat het aan het primaire besluit van 28 mei 1998 klevende gebrek uitsluitend is gelegen in de omstandigheid dat verweerder, teneinde op voet van artikel 19 van de WRO vrijstelling van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan te kunnen verlenen, gebruik heeft gemaakt van een verklaring van geen bezwaar die, nu het streekplan niet voorzag in de mogelijkheid op dit punt van het provinciale beleid af te wijken, gelet op artikel 4a, achtste lid, van de WRO, zoals dat artikellid tot 3 april 2000 luidde, niet had mogen worden verleend. Dat het primaire besluit van 28 mei 1998, dat bij het door de Afdeling vernietigde besluit op bezwaar van 22 oktober 1998 is gehandhaafd, ook uit anderen hoofde voor onrechtmatig moet worden gehouden is door eiseres niet gesteld, waarbij de rechtbank aantekent dat de voorhanden stukken geen aanleiding geven te veronderstellen dat het primaire besluit van 28 mei 1998 niet voldoet aan de daaraan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te stellen eisen, net zo min als er grond is om, met inachtneming van de aan de rechter toekomende terughoudende toets, de door verweerder gemaakte afweging van belangen voor onevenwichtig te houden.

Met betrekking tot de vraag of een causaal verband bestaat tussen het gebrek en de schade acht de rechtbank voorts van betekenis dat nadat de Afdeling het besluit op bezwaar van 28 oktober 1998 bij haar uitspraak van 1 mei 2000 had vernietigd, gedeputeerde staten van Limburg, reeds bij brief van 20 juni 2000, burgemeester en wethouders van de gemeente Meerssen hebben doen weten dat in het kader van de op handen zijnde volledige streekplanherziening met de doorsteek […], die intussen was voltooid, rekening zou worden gehouden. Dat betekent dat tevens moet worden vastgesteld dat al vrij snel nadat de Afdeling uitspraak had gedaan, het vizier van zowel verweerder als dat van de provincie steeds erop gericht is geweest om, zodra een nieuw streekplan rechtskracht had verkregen, over te gaan tot het alsnog afgeven van een deugdelijke verklaring van geen bezwaar. Uiteindelijk hebben provinciale staten van Limburg op 29 juni 2001 het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) vastgesteld en aldus het tot dan van kracht zijnde streekplan herzien. Het POL verzet zich niet tegen afgifte van de verklaring van geen bezwaar, die was benodigd om ten behoeve van de doorsteek […] op voet van artikel 19 WRO vrijstelling te kunnen verlenen. Op 17 januari 2002 heeft verweerder, andermaal beslissende op bezwaar, en met gebruikmaking van de op 8 januari daarvoor door gedeputeerde staten van Limburg verleende (nieuwe) verklaring van geen bezwaar, een nieuw besluit genomen. Dat besluit strekte wederom tot handhaving van de op 28 mei 1998 verleende vrijstelling en heeft in hoogste instantie kunnen standhouden, zodat het gebrek dat het besluit van 28 mei 1998 onrechtmatig heeft doen zijn, uiteindelijk toch rechtens reparabel is gebleken. Daarbij is bovendien van belang dat zowel de rechtbank als ook, oordelend in hoger beroep, de Afdeling geen aanleiding hebben gezien de beslissing op bezwaar van 17 januari 2002, voor vernietiging in aanmerking te brengen.

Uit het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat, ook nadat de Afdeling bij uitspraak van 1 mei 2000 recht had gedaan, verweerder steeds in redelijkheid erop heeft kunnen blijven vertrouwen dat ten behoeve van de aanleg van de doorsteek […] uiteindelijk, zij het dan op een veel later tijdstip dan in eerste instantie voorzien, hoe dan ook vrijstelling op voet van artikel 19 WRO kon worden verleend. Daarom, maar ook omdat naar aard en omvang geen onderscheid valt te maken tussen schade die moet worden toegerekend aan het besluit van 28 mei 1998 enerzijds en het besluit van 17 januari 2002 anderzijds, is niet houdbaar de stelling van eiseres dat de schade die is geleden, zich niet danwel niet in deze omvang zou hebben voorgedaan, indien verweerder in staat was geweest met gebruikmaking van een wél deugdelijke verklaring van geen bezwaar, reeds aanstonds vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan te verlenen. Terecht heeft verweerder dan ook geconcludeerd dat deze schade wegens het ontbreken van een causaal verband niet langs de weg die eiseres heeft bewandeld – dat wil zeggen: bij wege van een zelfstandig schadebesluit – voor vergoeding in aanmerking kan worden gebracht.

Een en ander houdt naar het oordeel van de rechtbank overigens niet in dat de door eiseres in deze procedure gestelde schade volledig voor haar eigen rekening dient te blijven. In een geval als het onderhavige bestaat immers voor een belanghebbende de mogelijkheid, voor zover blijkt dat ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19 van de WRO, schade wordt of zal worden geleden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, zich tot verweerder te wenden met het verzoek hem of haar een in billijkheid te bepalen schadevergoeding toe te kennen. Met deze in artikel 49 van de WRO verankerde regeling heeft de wetgever beoogd een exclusieve regeling in het leven te roepen voor vergoeding van schade veroorzaakt door op de WRO gebaseerd rechtmatig bestuursoptreden. Nu in het geval van eiseres, naar het de rechtbank wil voorkomen, aannemelijk is dat de gestelde schade, gelet op de aard ervan, een direct gevolg is van de vrijstelling die verweerder van het vigerende bestemmingsplan […] heeft verleend, zonder welke vrijstelling realisering van de doorsteek […] immers niet tot de mogelijkheden had behoord, valt niet in te zien dat eiseres ter zake geen aanspraken geldend zou kunnen maken. Daarmee is overigens niet gezegd dat een beroep op artikel 49 van de WRO meebrengt dat de door eiseres geleden schade ook in de omvang als door haar gevorderd, behoort te worden vergoed.

Tot slot overweegt de rechtbank dat, nu zij van oordeel is dat de door eiseres gestelde schade niet in een rechtstreeks verband staat met het onrechtmatige besluit van 28 mei 1998 en die schade daarom niet aan dat besluit kan worden toegerekend, zij niet meer toekomt aan de vraag of de geschonden norm wel strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden, hetgeen verweerder betwist, en al helemaal niet aan de vraag naar de omvang van de schade. In het midden kan dan ook blijven of daarbij het uitgangspunt moet zijn dat eiseres in een situatie behoort te worden gebracht alsof de doorsteek […] niet was gerealiseerd.

De slotsom moet zijn dat verweerder terecht, zij het niet op alle gronden die daarvoor in het bestreden besluit redengevend zijn geacht, heeft beslist het verzoek van eiseres om schadevergoeding bij wege van een zelfstandig schadebesluit, af te wijzen. Het beroep van eiseres moet derhalve voor ongegrond worden gehouden, zodat ook al hetgeen overigens nog door haar is gevorderd voor afwijzing gereed ligt.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt op grond van artikel 8:70 van de Awb als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond;

Aldus gedaan door mr. F.L.G. Geisel als voorzitter en mr. J.N.F. Sleddens en mr. T.E.A. Willemsen als leden, in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken

op 6 augustus 2003.

w.g. D. Laeven w.g. Geisel

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 6 augustus 2003

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuurs-rechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.